1. De twijfel van de Raad van State

Op haar eigen site meldt de Raad van State:  “In mei 2017 stelde de Afdeling bestuursrechtspraak vragen aan het Europese Hof van Justitie over het PAS, omdat zij twijfelde of het programma voldoet aan de voorwaarden van de Europese Habitatrichtlijn. Het Europese Hof oordeelde in november 2018 dat ook bij het PAS de positieve gevolgen van de maatregelen die in dat programma zijn opgenomen, vooraf vast moeten staan. Pas dan kan de overheid een nieuwe activiteit toestaan. Omdat het PAS niet aan die voorwaarde voldoet, mag het niet als toestemmingsbasis voor nieuwe activiteiten worden gebruikt. Bovendien wordt in het PAS ook toestemming voor activiteiten gegeven op basis van maatregelen in natuurgebieden die nodig zijn voor het voorkomen van achteruitgang van die gebieden. Ook dat mag niet. De conclusie is dat de onderbouwing van het PAS niet deugt.”

2. De zure regen crisis

De verwikkelingen aan beide kanten van de Atlantische oceaan over 'zure regen'

3. relevante passages uit het rapport "Niet alles kan"

Niet alles uit het rapport van de commissie Remkes is even boeiend en relevant voor het gevoerde betoog; het is echter de moeite om de volgende passages even te laten bezinken (zie link)

4. De twijfels omtrent kritische depositie waarden (KDW-en)

Voor degenen die meer willen weten over de vaststelling van de kritische depositie waarden is dit in ieder geval lezenswaardig (zie link)

5. Afname stikstofemissie/depositie

Hoe onsuccesvol was het stikstof-beleid tot dusverre eigenlijk? (zie link)

6. De overschrijding volgens Wageningen

De Wageningse Universiteit heeft toch lagere overschrijdingen (maar toch wat overdreven?, zie link)

7. De verschillende habitats

Een (veel) uitgebreider omschrijving van de verschillende habitats die gevoelig zijn voor stikstof; en de oorzaken van deze gevoeligheid; of soms de relativiteit van de KDW-en (zie link)

8. Door de bomen geen bos meer zien?

De 'arme' bossen; over wat er allemaal mis is met de bossen en waarom de hypothese stikstofdepositie een armzalige oplossing is voor alle problemen (zie link)

9. Het pre- advies van de De Advocaat-Generaal

Relevante passages uit een heel uitgebreid verhaal uit Brussel, wat dan ook zelden wordt gelezen, en dat is eigenlijk wel jammer (zie link)

2. De zure regen crisis

Het onderwerp verzuring staat dankzij de stikstofcrisis weer volop in de belangstelling.
Voor een goed begrip van de verschillen tussen de huidige problematiek en die van de jaren tachtig, lijkt het van belang om de gang van zaken rondom de zure-regen problematiek na te gaan, alsook de redenen voor de relatieve stilte die daarop volgde. 

Stop de zure regen

“Wie in de regen loopt, solliciteert in feite naar een toupetje” en “als het zo door gaat, brandt de regen gaten in je kleren”, volgens de Noord-Hollandse provincieambtenaar Arend Vermeulen eind jaren zeventig van de vorige eeuw. Hij deed onderzoek naar het verband tussen zwaveldioxide en zure regen.
Uit Scandinavië waren in 1967 (Svante Odén) de eerste berichten de wereld ingestuurd over verzuurde meren met massa’s dode vissen. Volgens Odén moest de oorzaak van deze verzuring worden gezocht in de grootschalige luchtverontreiniging die op dat moment plaatsvond en die op zijn beurt zorgde voor ‘zure regen’.
Nu waren berichten over zure regen en negatieve effecten voor het milieu al langer punt van zorg geweest, maar nieuw was wel dat bij de berichten van Odén gebruik was gemaakt van het grootschalig Europees meetnet naar de samenstelling van neerslag, wat in 1956 in werking was getreden. Erger was nog dat Odén uit de resultaten van dit meetnet af kon leiden dat de zuurgraad (pH) van dit regenwater steeds lager (=zuurder) werd.
Het was op dat moment niet moeilijk om de hoofdschuldige van deze verzuring aan te wijzen. De grote energiecentrales stookten op grote schaal zwavelhoudende steen- en bruinkool, die zorgden voor een flinke zwaveldioxide uitstoot.
Bekend was dat zwaveldioxide in een vochtige lucht vrij gemakkelijk kon reageren met stikstofoxiden en ozon, wat leidt tot de vorming van zwaveltrioxide. Deze zwaveltrioxide reageert heftig met water  wat leidt tot de vorming van zwavelzuur. Dat luchtverontreiniging kon leiden tot schade aan bomen, bossen en vegetatie was al lang bekend.
Dat de luchtverontreiniging die leidde tot de verzuring van de Scandinavische meren kon worden veroorzaakt door luchtverontreiniging van de industrie van Londen, de Nederlandse Randstad en het Duitse Ruhrgebied, zoals uit het nieuwe onderzoek bleek, was ook nieuw, maar inderdaad theoretisch heel goed voorstelbaar.
Omdat er (niet helemaal uit de lucht gegrepen) twijfels waren over de kwaliteit van de meetgegevens van het grootschalige meetnet, waarvan Odén zijn gegevens betrok, besloot de voorloper van de Europese Gemeenschap tot een nieuw en veel uitgebreider onderzoek naar de zure regen (het OECD-onderzoek) in 1972.
Door Noorwegen werd in datzelfde jaar ook nog een aanvullend onderzoek uitgevoerd. Een onderzoek naar de effecten van luchtverontreiniging was nog nooit vertoond. Pas vier jaar later konden alle onderzoeksgegevens worden gepresenteerd op het eerste internationale symposium (1976) naar de invloed van verzuring op bossen, in Columbus, Ohio.
In de Noorse bijdrage op dit symposium wordt o.a. gewezen op het feit dat al vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw verzuring een groot probleem was voor de Scandinavische meren, wat heeft geleid tot een algeheel verdwijnen van de visstand in verzuurde meren. Geconcludeerd wordt dan ook: 
“Fish are eliminated from lakes and rivers because of gradual increases in acidity that cause interference with reproduction and spawning. Sudden drops in pH, especially during snowmelt cause severe physiological stress and often death in fish. The tolerance of fish to both long-term and short-term changes in acidity is species dependent.
Acid precipitation has affected large areas of Norway. These adverse effects are occurring over greater geographical areas with both increasing frequency and severity. The source of the pollutants is industrial Europe, and since the prognosis is for a continued increase in fossil-fuel combustion, the situation will continue to deteriorate.
The short-term effects of the increasing acidity of freshwater ecosystems involve interference at every trophic level. The long-term impacts may be quite drastic indeed.”
Drie jaar later sloeg de mediagenieke Duitse bodemkundige Bernhard Ulrich groot alarm over “das Waldsterben”. In een cover-story van ‘Der Spiegel’ (november 1981) zorgde hij voor landelijke opwinding over dit thema. Onder meer vertelde Ulrich hierin dat hij verwachtte dat de eerste Duitse bossen over niet meer dan vijf jaar zouden gaan afsterven: “Die ersten großen Wälder werden schon in den nächsten fünf Jahren sterben. Sie sind nicht mehr zu retten.”. Gedurende de jaren tachtig werd Ulrich, volgens Wikipedia: “de meest prominente en meest gezochte wetenschapper over de ‘zure regen-problematiek’.”
Volgens Ulrich dreigden duizenden hectares bos in Europa te verdwijnen. De Duitse media sloegen hierop alarm: “Saurer Regen über Deutschland. Der Wald stirbt”, volgens der SPIEGEL. “Über allen Wipfeln ist Gift”, schreef de “Stern”. Terwijl de “Zeit” als commentaar gaf: “Am Ausmaß des Waldsterbens könnte heute nicht einmal der ungläubige Thomas zweifeln.”
En eigenlijk zag men, ook in Nederland, pas vanaf dat moment de ernst van zure regen-probleem in.
De optredende grootschalige schadesymptomen in bossen werden omschreven als ‘neuartig’. Hiermee werd aangegeven dat de schadebeelden afweken van die van vroeger en dat er bovendien geen verklaring voorhanden was. De boodschap was dat het waargenomen ‘Waldsterben’ voortvloeide uit door de mens veroorzaakte luchtverontreiniging.
De boomsterfte was vooral zichtbaar in de “Zwarte Driehoek”, het grensgebied van Duitsland, Polen en Tsjechoslowakije. Die regio leek één groot bomenkerkhof. Ulrich, nooit bang om flink uit te pakken liet weten: ‘Wir stehen vor einem ökologisch Hiroshima’.
Nederland bleef niet achter. In Amsterdam verscheen het zure-regen boek (1984) waarin teksten te vinden zijn als: ‘In Nederland is ook op grote schaal zichtbare schade geconstateerd met dezelfde symptomen als in West-Duitsland’. En: ‘Volgens de West-Duitse normen is zelfs meer dan 90% van het Nederlandse bos aangetast’.

De andere kant van de oceaan

De studies in Europa zorgden ook voor een verhoogde Canadese bezorgdheid over zure regen. Een aantal onderzoeken, halverwege de jaren zeventig, had laten zien dat Canadese meren ook werden verzuurd, in het platteland ten noorden van Toronto, honderden kilometers verwijderd van de bekende smelterij Inco. Meteorologisch onderzoek liet echter zien dat de zuurgraad van neerslag, die in het oosten van Canada viel, niet alleen te wijten was aan binnenlandse bronnen als de Sudbury-smelterij.
Geconcludeerd werd dat (net als in Europa) het transport van verontreinigende stoffen over lange afstand een belangrijk onderdeel was van het verzuringsprobleem in Canada. Berekend werd dat tenminste 50 procent van de Canadese verzuring afkomstig was vanuit de Verenigde Staten.
De gecombineerde boodschap van deze onderzoeken was duidelijk: Canada had een ernstig en wijdverbreid milieuprobleem, dat zowel binnenlands, als ook internationaal was.
Problematisch omdat werd becijferd dat de schade aan natuur en commerciële bosbouw aanzienlijk was, maar misschien vooral omdat er ook een aanzienlijk verschil was in acceptatie van de verzuringsproblematiek tussen Canada en de Verenigde Staten. Daar waar in Canada een groot deel van de bevolking bekend was met de verzuringsproblematiek, was dit zeker niet het geval in de Verenigde Staten.
Zure regen verscheen eind jaren zeventig op de Canadees – Amerikaanse politieke agenda. Maar geheel onverwacht werd het een van de meest netelige onderwerpen in de betrekkingen tussen beide landen in de jaren die zouden volgen. De Canadese milieuminister LeBlanc was de eerste die het onderwerp benoemde, tijdens zijn speech aan de Air Pollution Control Association (1977): “Despite all cooperation that exists between Canada and the United States, I believe that we have both been negligent in this area. What we have allowed to happen, innocently enough, perhaps is a massive international exchange of air pollutants, and neither party to this exchange is free of guilt.”
Het ging volgens hem om een “environmental timebomb”. 
De diplomatieke bom barste evenwel pas toen de Amerikaanse regering bezwaren gingen maken tegen de milieuverontreiniging die twee Canadese energie centrales zouden veroorzaken op Amerikaans grondgebied.
De diplomatieke onrust die vervolgens ontstond leidde ertoe dat op 5 augustus 1980 een Memorandum door de regeringen van Amerika en Canada zou worden ondertekend, met daarin de niet mis te verstande boodschap dat beide landen zouden zorgen voor een: “common determination to combat transboundary air pollution.”
– Deze erkenning van het probleem van de luchtverontreiniging heeft ongetwijfeld ook het zelfbewustzijn van de Europese onderzoekers gesterkt en de media attent gemaakt op het bestaan van het probleem, wat dus weer leidde tot de hierboven beschreven Duitse ophef in november 1981.- 
De opvolger van ondertekenaar van het memorandum, president Carter, was Ronald Reagan, die minder overtuigd bleek van de noodzaak tot verreikende (en kostbare) stappen aangaande de zure regen. Terwijl de Canadese frustratie inmiddels hoog opliep was de nieuwe regering onder president Reagan van mening dat veel meer onderzoek nodig was, voordat een bepaalde effectieve strategie zou kunnen worden gekozen. In de eerste ontmoeting tussen president Reagan en de toen nieuw gekozen Minister president van Canada, Brian Mulroney, maart 1985, werd de zaak van de zure regen top-prioriteit van de bilaterale agenda.
Besloten werd om twee speciale gezanten (de Canadees William Davis en Amerikaan Drew Lewis) aan te wijzen, om het probleem te onderzoeken. Het door hen op te stellen rapport zou bij de volgende jaarlijkse ontmoeting worden besproken.
Het onderzoek van de speciale gezanten sprak vervolgens klare taal. Geconcludeerd werd dat zure regen inderdaad een serieus milieuprobleem was en stelde voor om een 5 miljard kostend programma door te voeren, om te komen tot effectieve aanpak van het probleem.
Het onderzoek werd goedgekeurd door zowel Mulroney als Reagan tijdens het overleg in 1986, waarbij de wens werd uitgesproken om op korte termijn te komen tot een bilateraal luchtverontreinigings-protocol.
Januari 1987 werd door Reagan een budget voorstel gedaan aan het Congres, om de lucht tussen Canada en de Verenigde Staten definitief te klaren, maar het Congres vond dit allemaal duidelijk te over gaan. Onder luid Canadees protest verdween het voorstel in een diepe lade.
In september 1987 werd het interim onderzoeksverslag van het National Acid Precipitation Assessment Program (NAPAP) afgerond. Het NAPAP onderzoeksprogramma was (nog onder president Carter) door het Congres geïnitieerd in 1980, met een mandaat voor een tien-jaren plan voor onderzoek en monitoring van zure neerslag. Het NAPAP- onderzoeksprogramma ontwikkelde zich tot het duurste milieuonderzoek ooit. Het koste in totaal 537 miljoen dollar en bood inderdaad verrassende nieuwe inzichten. In 1990 werd het onderzoek gepubliceerd en kon de buitenwereld zich er een mening over vormen.

Andere inzichten over verzuring

De kwestie van de verzuring bleek, volgens het NAPAP veel ingewikkelder in elkaar te steken dan vooraf was voorzien. Uit haar onderzoeken bleek dat de zuurgraad van een meer, minstens zo afhankelijk was van de lokale bodemgesteldheid én de vegetatie die hierop groeide, dan van de zuurgraad van de neerslag, welke afwatert op dit meer.
Van veel meren die in de jaren tachtig zodanig ernstig verzuurden dat hierin geen vis meer kon leven, bleek dat in het verre verleden, voordat boskap de verzurende vegetatie van hun omgeving had gedecimeerd, ook geen vissen hadden geleefd. Natuurbescherming had tot wederopleving van de bossen geleid, maar daarmee ook van de verzurende invloed die de bossen hadden op het leven in de meren. De natuur had gezorgd voor verzuring. En dat was nu juist niet de boodschap waarop Canada en de milieubeweging zaten te wachten.
Maart 1988 gaf Mulroney in een speech in New York te kennen dat hij deze studie enkel zag als Amerikaanse vertragingstactiek: “We are told in the face of overwhelming scientific evidence to the contrary, that the issue of acid rain needs more study. All of this is to avoid action. America must do its part. Friendship has inescapable costs.”
De publicatie van het NAPAP rapport in 1990, zorgde dan ook voor veel tumult. Gesteld werd dat de zure regen geen invloed had gehad op de bossen, noch de op landbouwgewassen van Canada of de VS. Ook was er geen gevaar voor menselijke gezondheid door zure regen. Geconcludeerd werd dat zure regen op slechts enkele meren een negatieve invloed had gehad, maar dit zou eenvoudig kunnen worden opgelost door bekalking van deze meren. Kortom, zure regen was vervelend, maar zeker geen ramp, of ecologische tijdbom.
Een aantal landen, waaronder Nederland, weigerden botweg de resultaten van het duurste milieuonderzoek ooit, serieus te nemen. In de Nationale milieuverkenning 2 uit 1991, waarin de Nederlandse overheidsstrategie ten aanzien van de belangrijkste milieu speerpunten werd uiteengezet, werd hierover het volgende opgemerkt:
“De algemene teneur van de NAPAP-resultaten is dat er weinig of geen schade aan het Amerikaanse milieu wordt toegebracht door verzurende stoffen. Van Canadese zijde is hier verontwaardigd gereageerd. Ook in wetenschappelijke kring is met verbazing gereageerd tijdens de internationale review van het onderzoek. Belangrijke punten van kritiek waren:
  • Het onderzoek is te veel gericht op zwaveldioxide. Stikstof (met name ammoniak) heeft zeer weinig aandacht gekregen;
  • Er is niet gekeken naar de effecten van stressverhoging op ecosystemen door verzuring;
  • er is alleen gekeken naar zichtbare schade en reductie van productiviteit en niet naar veranderingen in en effecten op ecosystemen;
  • er is weinig aandacht besteed aan processen in de bodem en veranderingen in de nutriëntenhuishouding als gevolg van zure depositie;
  • onderzoek naar de effecten van de zure depositie op de stikstofcyclus ontbrak.”
De studie werd vervolgens op één lijn gezet met het véél bescheidener Noorse overheidsonderzoek naar zure regen, het HAPRO onderzoek, waarin de negatieve milieueffecten van zure regen nog wel nadrukkelijk aan de orde werden gesteld.
Wat er wél in het NAPAP stond en waarom men tot de conclusie kwam dat het allemaal wel meeviel met de schade door zure regen, wordt vervolgens niet toegelicht.
Echter, ook in West Duitsland begonnen sceptische artikelen te verschijnen ten aanzien van de claims die Ulrich aan het begin van de jaren tachtig over ‘het Waldsterben’ had gedaan. De Duitse bossen begonnen zich te herstellen van de schade die in het begin van de jaren tachtig zichtbaar was geweest, wat natuurlijk niet paste binnen de ‘Waldsterben-hypothese’. Het afsterven van coniferen, wat had geleid tot de ‘zure regen-paniek’, kon bovendien ook worden verklaard door het optreden van de recent ontdekte ziekteverwekker Phytophthora cinnamomi.
Een aantal onderzoeksresultaten paste bovendien helemaal niet in de zure regen-hypothese. Zo werd gevonden dat de vitaliteit van de bossen op de zure podzol-gronden veel beter was dan die van de goed gebufferde kalkrijke gronden, wat natuurlijk helemaal niet kon worden verklaard door de theorie van Ullrich. Ook werd experimenteel vastgesteld dat bekalking van zure gronden eerder negatief uitwerkte op de vitaliteit van ‘rode spar’- coniferen (Picea rubens). Die volgens de Amerikaanse NAPAP onderzoeken nu juist de belangrijkste slachtoffers waren van de ‘zure regen’.
Wat kon ‘het waldsterben’ dan verklaren?
Bosch et al. (1986) zijn uiteindelijk het spoor bijster: “„Immer wieder werden neue Theorien über die Ursachen und Teilursachen des Waldsterbens publiziert. Die Komplexität des Waldökosystems, das synergistische Zusammenwirken einzelner Faktoren, die Vermischung und Überlagerung primärer Schadwirkungen mit Sekundäreffekten lassen auf der einen Seite eine Fülle von möglichen Hypothesen zu, erschweren aber auf der anderen Seite die wissenschaftliche Überprüfung der einzelnen Behauptungen.“
De verzuchting van drie onderzoekers van de Freiburger Forstlichen Versuchs- und Forschungsanstalt kwam nadat zij vruchteloos de hypothese hadden beproefd of de straling van kernenerge-centrales verantwoordelijk zou kunnen zijn voor het afsterven van de bossen. 
Scäfer (20112) borduurt hierop voort: “Tatsächlich schlugen Wissenschaftler und Laien zahlreiche Hypothesen vor, die das Waldsterben erklären sollten. Der Großteil der wissenschaftlichen Bemühungen konzentrierte sich auf die Wirkung der Luftschadstoffe SO2, von Stickstoffoxiden und Photooxidantien wie Ozon, wobei auch innerhalb dieses Mainstrems verschiedene Wirkungspfade postuliert werden konnten, etwa über den Luftpfad oder über den Bodenpfad. Daneben brachten Wissenschaftler aber auch weitere Schadstoffe wie Triäthylblei oder Dinitrophenole ins Gespräch. Auch die Auswirkungen von Radar, Mikrowellen und radioaktiver Strahlung oder von Flugzeugabgasen wurden diskutiert. Andere Wissenschaftler beschäftigten sich mit biotischen Faktoren wie Pilzen, Bakterien, Viren und Mykoplasmen. Wieder andere thematisierten die Rolle der Witterung, den Nährstoffmangel des Bodens oder waldbauliche Fehler.”
Aan dit indrukwekkende lijstje ontbreekt natuurlijk de ammoniak-theorie van Van Breemen; maar er was een groter probleem; onderzoek naar de groei van de bossen, door middel van een vergelijk van boomringen, liet zien dat er inderdaad een forse groeireductie was geweest in de droge jaren zeventig van de vorige eeuw, terwijl de groei juist herstelde in “de zure jaren tachtig”.
Dit veranderde het perspectief van bos-onderzoek aanmerkelijk. In plaats van de vraag: “Waarom sterven de bossen?” werd nu de vraag gesteld: “Waarom groeien de bossen in de tweede helft van de twintigste eeuw harder dan in de eerste helft?” (Kandler, 1990)
Dit alles kon volgens Kandler maar één ding betekenen, samengevat in de titel van zijn artikel: “The air pollution/forest decline connection: The “Waldsterben” theory refuted”:
“Waldsterben may be understood as a problem of awareness: forest conditions that were believed to be “normal” in earlier times suddenly became a symbol of the growing fear of the destructive potential of human activities on the environment. However, holistic concepts such as the Waldsterben hypothesis are of little help in solving problems. Rather they raise emotions and lead to premature conclusions. To gain a real understanding of the multitude of decline phenomena in our forests, we must continue to analyze symptom by symptom, species by species and site by site, according to the classical principles of phytopathology and forest science in general.”
Ook Ulrich zelf meende dat zijn oorspronkelijke theorie, in het licht van al dit onderzoek niet langer houdbaar was. In 1995 kwam zijn opmerkelijke bekentenis:
“The null hypothesis (no effects of air pollutants on forest ecosystems) can be considered to be falsified. Forest ecosystems are in transition. The current state of knowledge is not sufficient to define precisely the final state that will be reached, given continuously changing environmental conditions and human impacts. The hypothesis, however, of large-scale forest dieback in the near future is not backed by data and can be discarded.”
In het licht van zoveel onzekerheden kwam het “Waldsterben-debat” in Duitsland halverwege de jaren 1990 sputterend tot stilstand. 
De Duitse controverse leidde in ieder geval ook nog tot een effectieve Europese aanpak van de industriële verontreiniging. Zo zou de schade die lokaal optrad in de bossen van de Ertsgebergte en die van de Harz, te herleiden zijn tot de SO2 emissies van slechts een tweetal mijnen (Eger vallei en Bitterfeld).
Met het saneren van deze twee mijnwerken en een resolute aanpak van de zwavel en ook stikstof dioxide emissies van het Rurgebied werd de Duitse lucht in ieder geval een stuk schoner. Ook dit zal, zeker plaatselijk, een rol gespeeld hebben bij het herleven van de Duitse bossen.

3. relevante passages uit het rapport "Niet alles kan"

“Natuur is belangrijk. In de eerste plaats omdat mensen niet zonder natuurbeleving in hun omgeving kunnen. We waarderen intrinsiek de aanwezigheid van natuur, het belang van schoon water, een schone lucht en een gezonde bodem. In de tweede plaats omdat natuur een essentieel onderdeel uitmaakt van ons welzijn en onze gezondheid en Nederland er veel slechter voorstaat zonder goede natuur. Daarmee heeft natuur ook een sociaaleconomische waarde. Tot slot vormt natuur een belangrijke oplossing voor het opvangen van de gevolgen van klimaatverandering (groen in de stad, klimaatbuffers, groene longen). Natuur is ook kwetsbaar en behoeft actieve zorg van de overheid.
Daarom is er Europese wetgeving op grond waarvan alle lidstaten beleid moeten maken ten aanzien van het behoud en de ontwikkeling van natuur. Nederland heeft al sinds lange tijd natuurwetgeving die beoogt het natuurbelang te beschermen.
Zo was Nederland binnen Europa, met de borging van de Ecologische Hoofdstructuur in de ruimtelijke ordening, een voorloper met natuurbeleid vanuit een gezamenlijke visie op landbouw en natuur. De afgelopen jaren heeft deze inzet van de Nederlandse overheid een ander karakter gekregen, is er bezuinigd op natuurontwikkeling en heldere keuzes zijn achterwege gebleven. Veel Natura 2000- gebieden zijn er in ons land momenteel slecht aan toe. De biodiversiteit in Nederland is nadrukkelijk toe aan herstel.
Iedere Europese lidstaat heeft zijn eigen waardevolle en kwetsbare natuurgebieden in kaart gebracht en voor deze Natura 2000-gebieden doelstellingen geformuleerd. Hierbij gaat het niet alleen over het in stand houden van een areaal, maar ook over het zorgdragen voor condities die de vitaliteit van die natuur vergroten. Hiervoor zijn twee zaken noodzakelijk:
  • De zogenaamde standplaatsfactoren moeten geschikt zijn. Dit gaat bijvoorbeeld over de hydrologie en de bodemgesteldheid (abiotische randvoorwaarden). Flora en fauna reageren op deze standplaatsfactoren.
  • De belasting van deze gebieden met stikstof moet worden beperkt, omdat de standplaatsfactoren ongeschikt zijn geworden. Binnen de 160 door Nederland aangewezen Natura 2000-gebieden zijn 118 gebieden stikstofgevoelig. Dit betekent dat de natuurkwaliteit die hoort bij die plek niet tot goede ontwikkeling kan komen als gevolg van de hoge stikstofbelasting. Voor deze gebieden heeft Nederland zich gecommitteerd aan behoud en herstel.”
Maar het Adviescollege biedt ook hoop, die wordt geboden door ‘de Wetenschap’:
“Het beste dat de wetenschap te bieden heeft, is voortschrijdend inzicht. De relaties tussen stikstofemissie, stikstofconcentratie in de lucht en stikstofdepositie zijn zeer complex. Deze relaties worden beïnvloed door onder andere klimatologische omstandigheden. Er zijn onvoldoende data, meetpunten en inzichten om dit goed te kunnen modelleren. Het AERIUS-model is een poging om de werkelijkheid te benaderen, maar is in belangrijke mate gebaseerd op aannames. Dat leidt tot discussie over onzekerheidsmarges. Op grond van de Habitatrichtlijn moet bij plannen en projecten worden onderzocht of al dan niet sprake is van een mogelijk significant effect. Momenteel wordt dit berekend met AERIUS met een enkelvoudige puntschatting op het niveau van een hexagoon met een oppervlakte van een hectare. In de tweede fase zal het Adviescollege nader ingaan op de bezwaren die hiertegen bestaan. Omgekeerd geldt voor maatregelen dat de werking en effectiviteit daarvan moeten vaststaan, ook deze onderbouwing is complex.
Vanuit wetenschappelijk perspectief wordt aandacht gevraagd voor de ‘grauwe deken van schadelijke stoffen’ die over Nederland ligt (CO2, stikstof, fosfaat, methaan) en voor de effecten van accumulatie van stikstof in de bodem. Alleen vermindering van uitstoot zal niet voldoende zijn om de kwaliteit van Natura 2000-gebieden te verbeteren. Herstelmaatregelen zijn daarnaast noodzakelijk.
Ingewikkelder wordt het als we kijken naar de impact die stikstofdepositie heeft op het behoud en de verbetering van de vitaliteit van de natuur. Onomstreden is dat stikstofgevoelige habitattypen niet goed tot ontwikkeling komen bij te hoge stikstof-bodemconcentraties. Ook staat vast dat stikstofdepositie een uiterst belangrijke factor vormt voor het verlies aan biodiversiteit. Deze negatieve effecten van stikstofdeposities worden versterkt door andere factoren als klimaatverandering, hydrologische factoren en invasieve soorten.”

4. De twijfels omtrent kritische depositie waarden (KDW-en)

In het artikel “Revisie en update van kritische N-depositiewaarden voor Europese natuur” door R. Bobbink et al., gepubliceerd in “De levende natuur, november, 2010) zijn hierover de volgende inzichten naar voren gebracht:
“In eerste instantie is het begrip KDW ontwikkeld en toegepast voor de verzurende werking van atmosferische depositie, met name van zwavelverbindingen. Dit heeft geleid tot het lokaliseren van gevoelige gebieden in Europa (o.a. Scandinavië, delen van Duitsland, Nederland en Engeland) en het vaststellen van plaatsen waar de toevoer van verzurende verbindingen het meest de KDW overschrijdt…
Momenteel worden KDW-en ook gebruikt ter ondersteuning van het Europese natuur- en biodiversiteitsbeleid. Stikstofverbindingen (stikstofoxiden/nitraat en ammoniak/ammonium) zijn een (zeer) belangrijk onderdeel van luchtverontreiniging, zeker in Nederland. De afname van de hoge Europese emissies van geoxideerd en gereduceerd stikstof sinds eind jaren tachtig van de vorige eeuw (Schoepp et al., 2003) is onvoldoende om depositierisico’s van stikstof in veel gebieden te voorkomen (Galloway et al.,2008; Bobbink et al., 2010).
Omdat de gevolgen van N-depositie zeer complex zijn, zijn sinds eind jaren 1980 voor stikstof afzonderlijke kritische depositiewaarden ontwikkeld.
‘Waarneembare’ veranderingen bij te hoge, langdurige N-toevoer zijn veranderingen in plantontwikkeling, in soortensamenstelling of –dominantie en in (planten)diversiteit (foto 1). Ook veranderingen in het functioneren van het ecosysteem zoals verhoogde mineralisatie, uitspoeling van nitraat en verzuring (uitspoeling basische kationen en verhoogde concentraties van Al3+) kunnen gaan optreden.
In Europees verband worden op regionale schaal twee methoden gebruikt om KDW´n voor N vast te stellen (o.a. Hettelingh et al., 2007; 2008):
  • de ‘steady-state’ massabalans (SSMB). Belangrijke procesparameters in de vegetatie en in de bodem in dit simpele N-model zijn respectievelijk de netto-opname van stikstof door de vegetatie, stikstofimmobilisatie, denitrificatie en stikstofuitspoeling;
  • de zogenaamde ‘empirische’ methode, vooral toegepast voor natuurlijke en halfnatuurlijke ecosystemen met hoge biodiversiteit, omdat de complexe gevolgen van N-depositie niet eenduidig kunnen worden beschreven met SSMB-modellen.
Hoe dan ook; dit alles heeft ertoe geleid dat voor de meeste habitat-typen in Nederland kritische depositiewaarden zijn vastgesteld en dat heeft dus blijkbaar geleid tot de eerder genoemde conclusies: “Bijna de helft van de natuurgebieden met een overschrijding krijgt jaarlijks meer dan 10 kg stikstof per hectare (kg N/ha) natuur meer dan de kritische waarde, hetgeen vaak een overschrijding met een factor 2-3 betekent.” Voor de helft van de Nederlandse habitats is er, als je alles mag geloven, dus weinig hoop meer.
De helft, en dat is best veel. Maar dat is vooral veel als we hierbij het gegeven betrekken dat de stikstofdepositie in Nederland de afgelopen jaren al flink is afgenomen. Is die bijna 50% inderdaad te herleiden uit de wetenschappelijke inzichten?
Empirische KDW-en zijn gebaseerd op significante uitkomsten van experimenten in het veld of in mini-ecosystemen waarin de toevoer van N-verbindingen is verhoogd (of soms verlaagd!). Hierbij is het essentieel dat in het experiment minimaal een behandeling is opgenomen waarin alleen de toevoer van N varieert, dus zonder gift van andere nutrienten of een andere behandeling. Een belangrijke voorwaarde is verder dat het experiment niet te kort (≥2 jaar, liefst 4-5 jaar of langer) heeft geduurd en dat de behandelingen met N (≤ 100 kg N ha-1 jr-1) niet te extreem zijn vergeleken met N-deposities in Europa.”
Toch past hier al een kleine kritische kanttekening; Een stikstofbehandeling met 100 kg stikstof per ha/per jaar is niet te extreem vergeleken met de N-deposities in Europa? De “extreme stikstofdepositie” in Nederland is 22,4 kg stokstof per ha/per jaar… Een ruime verviervoudiging van deze depositie is niet extreem?
De ondergrens van stikstofbemesting op een melkveebedrijf (voor een productie grasland) in de veenregio in 2017 is 73 kg stikstof per hectare (bron: Agrimatie, Wageningen universiteit).
Hoezo niet te extreem???
Bovendien is er natuurlijk de vraag wat dan nu precies de “significante uitkomsten” zijn van “experimenten in het veld of in mini-ecosystemen waarin de toevoer van N-verbindingen is verhoogd (of soms verlaagd!)”
Het artikel staat hier uitgebreid bij stil:
“Waargenomen verandering bij overschrijding van KDW
Toename van dominantie van grasachtigen
Toename van soorten van latere successiestadia, toename van de productie
Toename van biomassa, toename van N uitspoeling
Toename van hoog opgroeiende grasachtigen, afname van laaggroeiende kruiden,
Toename van N-uitspoeling, bodemverzuring, verlies van typische (korst)mossen
Toename van de productie van de vegetatie, meer N-uitspoeling, versnelde successie
Toename van de biomassa van hoog opgroeiende grasachtigen
Verandering in soortensamenstelling van de waterplanten, toename van de productiviteit van algen,
verschuiving van de voedsellimitatie van phytoplankton van N gelimiteerd naar P gelimiteerd
Toename in biomassa en versnelde successie
Toename van de productiviteit van algen, verschuiving van voedsellimitatie van phytoplankton van N naar P
Toename van vaatplanten, veranderende groei en soortensamenstelling van mossen,
toename van N in veen en veenwater
Toename van zeggesoorten en vaatplanten, negatieve effecten op mossen
Toename van hoog opgroeiende grasachtigen, afname van mossen
Toename van hoog opgroeiende grassen, afname van diversiteit, versnelde mineralisatie, N-uitspoeling
Toename van grassen, afname van kensoorten, afname van de totale soortenrijkdom, bodemverzuring
Afname van (korst)mossen, toename in biomassa, versnelde successie
Toename van hoogopgroeiende grassen, afname van de diversiteit
Toename van hoog opgroeiende grasachtigen, afname van de diversiteit, afname van mossen
Overgang van heide- naar grasdominantie
Overgang van heide- naar grasdominantie, afname van korstmossen, verandering in chemie van de vegetatie, toegenomen gevoeligheid voor stress en plagen
Veranderingen in de ondergroei en mycorrhiza’s, nutrientenonbalans, veranderingen in bodemfauna
Minder mycorrhiza’s, verlies van epifytische korstmossen en mossen, veranderingen in de ondergroei
Verandering in de ondergroei
Verandering in de ondergroei en mycorrhiza’s, toename van vrije algen
Verandering in bodemprocessen, nutrientenonbalans, verandering van mycorrhiza en ondergroei
Verandering in bodemprocessen, nutrientenonbalans, verandering van mycorrhiza en ondergroei”
Dit is geen wetenschappelijke opsomming meer, maar heeft de karakteristieke (dweperig religieuze) vorm van een litanie! -Voor de minder christelijke gedachtegoed opgegroeide lezers onder ons; een klein stukje van de Litanie tot het allerheiligste hert van Jezus (Uit: het nieuwe Palmhof, 1841, blz 149 t/m 154):
Hert van Jezus, Zoon van den eeuwige vader,
Hert van Jezus, zoon van de Maegd Maria,
Hert van Jezus, eygeneen weerdige woonplaets van de H. Geest,
Hert van Jezus, schatkamer van de allerheyligste dryvuldigheyd,
Hert van Jezus, glorie en vreugd der Engelen,
Hert van Jezus, oneyndig in Majesteyt,
Hert van Jezus, voorwerp van liefde,
Allerootmoedigste Hert van Jezus,
Allerzuyverste Hert van Jezus,
Allerbeminnelijkste Hert van Jezus,
Etc. etc (dit gaat nog wel even door, maar ik denk dat het punt inmiddels wel gemaakt is).
Terug op de inhoud van de stikstof-litanie. We zien qua effecten op de natuur dus eigenlijk:
  • Toename van grasachtigen, ten koste van andere planten en (dus) hogere biomassa-productie.
  • Effecten op mossen, korstmossen en mycorrhiza’s (maar zijn die goed geteld?).
  • De ondergroei van bossen verandert.
  • Verzuring
  • De soortensamenstelling van de waterplanten verandert ook, er is toename van de productiviteit van algen (maar hoe nu vastgesteld kan worden dat dit laatste wordt veroorzaakt door stikstofdepositie en niet door de al aanwezige hoeveelheid stikstof en fosfaat in het oppervlaktewater, is mij niet duidelijk).
Dat had dus best korter gekund. Afname van biodiversiteit is de grote gemene deler, maar hierbij zijn natuurlijk ook vraagtekens te stellen ten aanzien van de gekozen methode. Gesteld wordt dat er een toename is van soorten van latere successiestadia. Het is natuurlijk onzin om te denken dat een later successiestadium van het gebied binnen de gekozen periode van maximaal 5 jaar ook uitontwikkeld kan zijn en dat de soorten van die hogere successiestadia dan ook al allemaal aanwezig zullen zijn. Als toets voor de vaststelling van het verlies van biodiversiteit is de zogenaamde ‘empirische’ methode dus eigenlijk helemaal niet geschikt.
En dus; anders dan hier gesteld wordt; is de vraag op zijn plaats: is het (eerder) bereiken van een hoger successiestadium ook slecht? Zo slecht dat de meest draconische maatregelen getroffen moeten worden om dit te voorkomen? De successie van soortenrijk grasveld, naar bijvoorbeeld struweellandschap, moet dat te allen tijde worden voorkomen? En als het moet worden voorkomen; moet dat dan door beperking van de stikstofdepositie, of mag het ook gewoon door beheer worden bereikt?

5 Afname stikstofemissie/depositie

De jaarlijkse neerslag van stikstof (NOx en NH3) was in 1991 nog 2793 mol/ha (= 39,1 kg) stikstof en dat is volgens de laatste metingen van het RIVM terug gelopen naar ongeveer 1600 mol/ha (= 22,4) kg stikstof per ha, met een jaarlijkse afwijking van 10%.
Iets dat overigens door zowel het RIVM als het CvL wordt bevestigd: “Tussen 2015 en 2019 is de berekende ammoniakemissie ongeveer gelijk gebleven (op een niveau wat ongeveer een derde is van de uitstoot in 1990), maar de ammoniak-neerslag varieerde tussen de 1563 en 1730 mol/ha.” (bron: RIVM, 2019).
Het Compendium voor de Leefomgeving verwoordt dit als volgt:
“De landelijk gemiddelde stikstofdepositie, ook wel vermestende depositie genoemd, bedroeg in 1990 ruim 2700 mol stikstof per hectare. De stikstofdepositie is sindsdien geleidelijk gedaald tot het huidige niveau van ruim 1600 mol/ha. Door meteorologische omstandigheden kunnen van jaar tot jaar variaties in de depositie optreden in de orde van grootte van 10%.
De daling in stikstofdepositie op lange termijn (1990-2017) is het gevolg van lagere emissies van zowel stikstofoxiden als van ammoniak.
De emissie van stikstofoxiden in Nederland daalde sinds 1990 met 61% (zie Verzuring en grootschalige luchtverontreiniging: emissies, 1990 – 2017). Deze daling is het resultaat van maatregelen bij het verkeer (o.a. invoering katalysator), bij de industrie en in de energiesector.
De NH3 emissie in Nederland is sinds 1990 met 62% gedaald (zie Verzuring en grootschalige luchtverontreiniging: emissies, 1990 – 2017). Deze emissiedaling is het gevolg van maatregelen zoals verbeterde voersamenstelling, het gebruik van emissiearme stallen, het afdekken van mestsilo’s en het direct onderwerken van mest bij de aanwending.
Bovendien zijn de buitenlandse emissies van ammoniak en vooral stikstofoxiden in dezelfde periode afgenomen.
De gemiddelde stikstofdepositie op het land is de laatste jaren gestabiliseerd. Dit komt vooral doordat de depositie van gereduceerd stikstof niet verder is gedaald.”

5. De overschrijding volgens Wageningen

Anders dan het Compendium voor de leefomgeving en TNO hebben gedaan, geeft de Landbouwuniversiteit van Wageningen een duidelijker overzicht, alleen gaat het hier ineens niet meer over overschrijdingen met meer dan 10 kilogram per hectare, of een factor 2-3, die het doorgaans zo zuinige Compendium becijfert. Wageningen geeft percentages van de kritische deposities ten opzichte van de gemiddelde kritische depositiewaarde van het gebied. Stel dat we deze op 1400 mol voor de Veluwe zetten (een felrood gekleurd gebied) dan zou de kritische depositieaarde hier met 350-700 mol overheen gaan. Totaal dus 1750-2100 mol; gemiddeld 1875 mol/ha/jaar. Dat is geen 10 kilogram per hectare en zeker geen factor 2-3. Maar ook dit gemiddelde zit nog ruim boven de gemiddelde depositie in Nederland (met 275 mol/ha/jaar).
Al met al is dit een verassend groot verschil met verschil met de alarmerende weergaven van het TNO en CLO.

6 De gevoelige habitats

Duinen

Het duinlandschap kent een groot aantal stikstofgevoelige habitats, waarvan de kritische depositiewaarden variëren van 770 mol/ha/jr (heideschrale grijze duinen) tot vochtige duinbossen met een kritische depositiewaarde van 2040 mol/ha/jr.
Het voert te ver om op habitatniveau de bepaling van de KDW-en te bespreken, maar het is misschien toch goed om de in het oog springende habitat-KDW-en nader te bezien. Zeker wanneer het habitat in de Nedetlandse omstandigheden het helemaal niet zo slecht doet als op basis van de KDW voor het betreffende habitat verwacht zou kunnen worden.
Zo is opvallend in de reeks voor duingebieden dat de stikstofgevoeligheid die Alterra toekent aan “Embryonale duinen” in de range “zeer gevoelig” (1400 mol/ha/jr) is te vinden. Dit habitat-type zou eigenlijk bij uitstek ongevoelig moeten zijn, omdat dat stikstof in veel gevallen nauwelijks invloed kan hebben op de groei en ontwikkeling van een dergelijk bepaald habitat. De standplaatsfactoren maken immers dat in deze specifieke omgeving, alleen die soorten kunnen overleven die zich op dit habitat hebben gespecialiseerd.
Op een jonge kale duin groeit immers niets (ook niet bij stikstofdeposities die een veelvoud zouden zijn van de huidige waarden), behalve de bij duinen zelf behorende, specifieke pioniervegetatie.
Helmgras zal onder elke stikstofbemesting het Engelse raaigras verdringen op de jonge duinen, simpelweg omdat helmgras is aangepast aan de bijzondere omstandigheden van de stuivende duinen terwijl de andere typen vegetatie, ook de soorten die het goed doen op stikstofbemesting, dat niet zijn.
Uiteraard zal dit op een beschut proefveldje (waar de ‘gevoeligheid van stikstof’ op “empirische wijze” wordt getest) niet blijken, maar dat heeft veel meer met de aard van de proefneming te maken dan met bedreiging van het habitat door stikstof.
De meterslange wortels van helmgras zoeken in de diepte de zoetwaterlens die zich enkele meters onder de duintop, maar boven het zoute water in de zandbodem bevindt. De plant beschermt zich tegen zout water door een symbiotische relatie met een speciale schimmel op zijn wortels, die de water- en zouttoevoer naar de plant regelt. De plant is een xerofyt. Wanneer de omgeving droog is, rolt het blad zich op waardoor het oppervlak waarover verdamping plaatsvindt, kleiner is.
Het is overigens niet het eerste gras dat zich op het strand kan vestigen, dat is biestarwegras. Helm volgt na biestarwegras als jonge duintjes zo hoog geworden zijn dat zich uit invallend regenwater een zoetwaterlens in het duin vormt. Maar we hebben het hier dus over specialisten, totaal ongevoelig voor concurrentie die het beter doet op een hoge stikstofbelasting.
De pioniervegetatie van een jonge duin zal uiteindelijk worden opgevolgd door opeenvolgende successie-reeksen. Maar dit is een natuurlijk proces. Het is de spontane ontwikkeling van een nieuw landschap.
Wanneer een duingebied geschikt is geworden voor ‘normale vegetatie’ is het echter ook afhankelijk geworden van het beheer, wat uitmaakt wat uiteindelijk het vegetatie-type zal zijn dat op dit gebied domineert.
Gebieden waar de beheerders (in de meeste gevallen boeren) te arm waren om te zorgen voor afdoende bemesting, zijn tegenwoordig zeldzaam geworden en worden alleen al om die reden bijzonder en ‘natuurlijk’ gevonden. Het is echter altijd het verschralende beheer wat aan die gebieden de specifieke (zeldzame) natuurwaarden heeft gegeven. Wanneer om de een of andere reden (welvaartstijging, beschikbare kunstmest) dit beheer niet meer wordt gevoerd, zullen de bijbehorende ‘natuurwaarden’ (natuurlijk) ook verdwijnen.
  • Dat de huidige stikstofdepositie in Nederland überhaupt weinig invloed op de duinlandschappen kan hebben, blijkt overigens ook al uit de kaart waarin de landelijke deposities van stikstof worden weergegeven.
    De (zeer) overheersende windrichting is in Nederland zuidwestelijk, dus we hebben hier te maken met deposities die over de Noordzee worden aangedragen en die daarom een veel lager stikstofgehalte moet hebben, dan de lucht in de rest van ons land.-
De teruggang van de ecologische kwaliteit van het duinengebied zou dan ineens ook vergelijkbare oorzaken kunnen hebben als die welke Hermy (red.), namens het Belgische Instituut voor Natuurbehoud, (1989) optekent voor de Belgische duinen:
“De praktijk van het duinenbeheer in Vlaanderen werd, uiteraard, gekopieerd van dat in Nederland, dat op zijn beurt geïnspireerd was op het beheer van de binnenland-ecosystemen, dat op zijn beurt terugging op de oude agrarische praktijken. Het stoelde op de principes van constantie in tijd en verscheidenheid in ruimte; het was in essentie op het behoud van soorten gericht; en men deed dit door in te grijpen in de levensgemeenschap (of de vegetatie) als geheel, die men in hoofdzaak via verschraling probeerde in stand te houden. Dus werden vochtige stukken gemaaid, net als men dat met hooilanden deed, of er werd al eens geplagd, zoals op de vochtige heiden; op de droge duinen liet men de begrazing aan de konijnen over; hier en daar verdiepte men een bomputje. En, tenminste waar dit het behoud of de uitbreiding van soorten betrof, waren de resultaten doorgaans bevredigend, soms zelfs spectaculair.
Geleidelijk waren er echter, ook in het binnenland, steeds meer negatieve geluiden te horen: deze beheersvormen waren zeer tijdrovend, te duur en dus maar toepasbaar op een veel te kleine oppervlakte. Daarenboven werkten ze, hoe langer men ze toepaste, structureel nivellerend (…) En, hoe dan ook, toename van de humus via de wortels, uitspoeling van de bodem, en verzuring hield men er niet mee tegen. Fenomenen zoals de, ondanks alle goede zorgen, toch onherroepelijk vergrassende heide brachten ondertussen steeds diepere twijfel en frustratie.
De kritiek kreeg dan ook een steeds meer fundamentele dimensie: dit beheer was veel te conservatief ingesteld, veel te bemoeizek. Steeds luider klonk het verlangen naar meer natuurlijkheid (niet maaien maar grazen; ongestoorde bosontwikkeling, ook grootschalig). En in de harten van de, met name Nederlandse, duinbeheerders ontwaakte onbedwingbaar de hunkering naar weidse ongetemde stuifduinen… (de zgn. “Witte duinen”)
De onzekerheid omtrent de juistheid van het beheer, de twijfel zelfs of “beschermen” en “behouden” wel nastrevenswaardige houdingen zijn, hangen samen met het gevoel, de gang van zaken eigenlijk veel minder goed te begrijpen, te beheersen, dan men zich had voorgesteld…
Op alle fronten lijkt het te gaan om een radicaal éénrichtingsverkeer, dat bovendien helemaal niet soepel en geleidelijk, maar juist met onvoorstelbaar brutale sprongen verloopt… deze gang van zaken lijkt universeel, van Schotland tot helemaal in Zuid-Spanje. Telkens waren er natuurlijke invloeden en menselijke ingrepen in het spel – veranderingen van klimaat, roofbouw op vegetatie, introductie van systeemvreemde dieren voor veeteelt of jacht, die maakten dat de geschiedenis van het kustlandschap niets anders is dan een opeenstapeling van katastrofen, gevolgd door perioden van relatieve relaxatie en herstellende, maar steeds tijdelijke stabiliteit…
Het schitterende, fijnschalige, arcadische duinlandschap, met de meest diverse biotopen – droge en vochtige, uitgerijpte en pioniers-, stuifzanden, helm- en mosduinen, grasland, struweel en bos in perfecte harmonie geschikt in het groots geheel van de jaren ’60, voorwaar de belichaming van het natuurbehoudsideaal, blijkt uiteindelijk niets meer te vertegenwoordigen dan een even efemere als instabiele fase: niets meer dan een kortstondig tussenstadium op de weg van compleet leeggehaalde negentiendeeeuwse woeste grond, naar een landschap, geheel volgegroeid met bos. Het was het stadium dat zich even, in het klimaat van de jaren ’70, min of meer leek te consolideren, maar dat nu, hoe dan ook, voorbij is.”
Speciaal de ‘zeer stikstofgevoelige’ heideschrale duinen krijgen speciale aandacht in de Belgische site ecopedia.be:
“Het ontstaan van heischraal grasland is nauw gelinkt aan dat van heide. Heischraal grasland komt meestal voor op de net iets intensiever beïnvloede standplaatsen: betreden padranden, gemaaide heide, afgebrande heide, brandgangen in de heide etc. Hierdoor krijgen grassen het overwicht op dwergstruiken. Daarnaast profiteren een hele reeks kruiden van de minder hoge vegetatie om ook een plaatsje te veroveren. In dit schema ontstaat heide dus uit bos en heischraal grasland uit heide.” “Veel droog heischraal grasland gedijt marginaal of fragmentarisch bij een niets doen-beheer, aangevuld met onregelmatige konijnenbegrazing en extensieve betreding.” Het heideschrale grasland is een cultuurvegetatie en kan op den duur niet voortbestaan zonder jaarlijks beheer!
In https://www.ecopedia.be/natuurtypes/natuurtype-heischrale-graslanden worden een groot aantal voorbeelden van succesvol beheer van heideschrale graslanden aangehaald, die erop zijn gebaseerd dat in augustus in ieder geval het in de grassen aanwezige overmaat aan glucose niet kan worden omgezet in melkzuur in het voor verzuring zo kwetsbare vegetatietype.
De verzuringsproblematiek, die door de Wageningse onderzoekers zonder meer altijd wordt teruggevoerd op stikstofdeposities, komt hierdoor toch in een iets ander daglicht te staan. Verzuring door boterzuurbacteriën is nu eenmaal het natuurlijke resultaat van afbraak van de glucose in grassen onder zuurstofarme omstandigheden. Het conserveren van gras door het inkuilen hiervan onder luchtdicht plastic is immers volledig hierop gebaseerd.
Verzuring in een onvoldoende adequaat (maar wel goedkoopste vorm van) graslandbeheer is dus een natuurlijk proces wat maakt dat de “niets doen-variant” bij ‘natuurlijke graslanden’ (o.a. door verzuring) gedoemd is om te mislukken.
Op basis van het bovenstaande kan in ieder geval worden geconcludeerd dat de kennis van het optimale beheer van de gebieden, maar ook de (beschikbaarheid van gelden voor de bekostiging van de) uitvoering hiervan, een belangrijke factor is voor de teloorgang van ecologische waarden van de duinen. Ook wanneer duingebieden worden aangewezen als beschermd natura2000 gebied.
Voor de duingebieden kan in ieder geval moeilijk staande worden gehouden dat slechts twee zaken noodzakelijk voor de ecologische ontwikkeling van het gebied (standplaatsfactoren en terugdringen van stikstof) zoals de commissie Remkes meent.

Zandverstuivingen en heide

De heiden ontstonden aan het eind van de middeleeuwen. De toegenomen bevolking zorgde voor kappen van bossen, strooiselroof en overbeweiding door schapen en runderen. Hierdoor veranderden hele landstreken rond dorpen en steden in (aanvankelijk boomrijke en grazige) heidevelden.
Die woeste gronden tussen de nederzettingen deden dienst als gemeenschapsgoed waar de bewoners hun schapen overdag lieten grazen, heidemaaisel kwamen halen voor veevoeder en heideplaggen kwamen steken als strooisel voor in de potstallen waar de schapen en koeien ’s nachts verbleven. De stalmest uit de potstal werd ieder jaar naar de akkers gebracht als bemesting. Door die gebruiken werden de voedingsstoffen van de heide verplaatst naar de akkers. De heidegronden waren al schraal en werden door dit landbouwgebruik nog schraler.
De nog aanwezige bomen werden gebruikt voor brandhout en verdwenen. En de exploitatie van de heide zorgde ervoor dat er zich niet opnieuw een bos kon ontwikkelen.De schrale heidebegroeiing maakte de zandige bodem ook nog eens vatbaarder voor uitspoeling van de vruchtbare elementen door de regen.
In oude markeboeken komen bepalingen voor over het zorgvuldig omgaan met de heidevelden. Bij overexploitatie verdween immers de heide en er ontstonden naakte zandgronden waarvan het zand door de wind werd bijeen gewaaid tot stuifduinen. Om zandverstuiving te voorkomen werd geregeld een deel van de gemeentegrond afgesloten en werd het verboden om zavel en zoden te steken, heide te maaien en dieren te weiden op plaatsen waar de vegetatie omzeggens verdwenen was. Om te zandverstuiving naar de akkers te voorkomen werden boomrijen geplant tussen de heide en de akkers die het zand moesten tegenhouden en die daar duinen hebben gevormd.
Deze vorm van landbouw met de karakteristieke esdorpen en herdgangen bleef tot het einde van de 19e eeuw / begin 20ste eeuw bestaan. In 1898 was nog ruim twintig procent van de oppervlakte van Nederland ‘woeste grond’ en die bestond hoofdzakelijk uit heiden. Zandverstuivingen en heidehabitats zijn dus ontstaan als gevolg van menselijk (wan)beheer in de Middeleeuwen tot aan het begin van de twintigste eeuw.
Maar omdat dit beheer geen economische functie meer diende (ook niet voor de nieuwe eigenaar Staatsbosbeheer), werd het specifieke verschralingsbeheer nagelaten, met het voorspelbare gevolg dat de van dit specifieke beheer afhankelijke habitat-typen, heide en stuifzanden, verdwijnen.
Stikstof is dus niet het enige probleem is waarmee het beheer te kampen heeft. Op https://www.digibron.nl/search/detail/012dfb6ab5db727776cdc5d5/zware-metalen-verontreinigen-de-heide kan het volgende worden gelezen:
“Het beeld van de Nederlandse heidevelden is droevig. De meeste worden nog heide genoemd, terwijl er vaak nauwelijks meer struikheide en dopheide voorkomt. Het zijn grasvelden geworden. Gras sterft elk jaar af en groeit in het voorjaar weer aan, waardoor de strooisellaag steeds dikker wordt. De hei krijgt daardoor zelfs geen kans meer om te groeien. Om de heideflora weer te herstellen, worden de laatste jaren veel heidevelden afgeplagd.
Heide gedijt uitsluitend op arme en schrale grond. Eeuwen geleden was dat ook zo, maar ook toen ontstond die situatie niet vanzelf. Er werden in die tijd veel schapen gehouden, voornamelijk om mest voor de landbouw te verkrijgen. De schapen werden elke nacht op stal gezet. Voor strooisel werden heideplaggen gebruikt. Die werden door de dieren tot een bruikbaar mengsel van humus en mest getrapt, om vervolgens als mest op de akkergronden te worden gebruikt. Dit wordt de potstalmethode genoemd. In de potstaltijd werd de hei ook gemaaid voor veevoer en voor het maken van bezems.
Wanneer de struikhei te oud werd voor de schapen, werd ze ook wel plaatselijk afgebrand. Maar vooral het geregeld afplaggen was het behoud van de heide. Dat werd in die tijd uiteraard handmatig gedaan. Dit was de beste methode. Ook in oneffen terreinen werd steeds gelijkmatig de strooisellaag afgestoken Het geregeld met de hand afplaggen verjongde de heide steeds.
Heidevelden bleven door de kleinschalige landbouw en schapenteelt eeuwenlang hun karakter behouden. De op het eigenbelang gerichte verschillende bewerkingen van de heide hadden tot gevolg dat de grond arm en schraal bleef. De vegetatielaag werd van tijd tot tijd verwijderd tot op de kale zandbodem. Die arme grond is de ideale groeiplaats voor de heideflora. Variatie daarin ontstond vooral door het verschil van hoge en lage, droge en vochtige gedeelten.
Het verdwijnen van de heide heeft een aantal oorzaken. Het gebruik van kunstmest, dat omstreeks 1900 begon, was de eerste aanleiding. Door deze moderne manier van bemesten veranderden de kleinschalige landbouwmethoden. De moeizaam te verkrijgen potstalmest werd overbodig. Er werd dus minder heide afgeplagd en gemaaid. Een andere oorzaak was dat de waarde van de wol en het vlees van de schapen door sterke concurrentie vanuit Australië drastisch daalde. De schapenteelt werd minder lonend. De belangrijkste functies van de heide behoorden daardoor al gauw tot het verleden.
Sinds die tijd begon het heidelandschap te verdwijnen. Allereerst door instanties die zich nu inspannen het te behouden. De Heidemij ging de „”waardeloze” heidevelden grootscheeps ontginnen; Staatsbosbeheer begon met het aanleggen van bossen. In 1833 was er in ons land nog ongeveer 600.000 hectare heide; het areaal is daarna snel ingekrompen. Sinds het begin van de vorige eeuw is 90 procent ervan omgezet in landbouwgrond of cultuurbos.
Nu is er in ons land nog ongeveer 40.000 hectare natuurgebied dat heide wordt genoemd. Om die vergraste heidevelden weer aan hun naam te doen beantwoorden, moet dus opnieuw de strooisellaag worden verwijderd.
Handmatig afplaggen kan in de huidige tijd niet meer. Dit zou te tijdrovend en te duur worden. Machinale bewerking gaat niet zo precies en doeltreffend als handmatig afplaggen, maar de machinale methode is de laatste jaren echter zeer verbeterd.
Wikipedia meldt: Intensief plaggen en maaien was vroeger, naast begrazing, een belasting voor de voorspoedige groei van de heide. In oude markeboeken komen bepalingen voor over het zorgvuldig omgaan met de heidevelden. Een niet denkbeeldig gevaar was dat heidegebieden door te intensieve exploitatie in zandstuifvlaktes zouden veranderen.
Wikidepia vervolgt: “Anno 2010 is plaggen een veel gebruikte beheermaatregel, die veelal machinaal gebeurt. Het dient om de heidevegetatie te verjongen. Door het plaggen verdwijnt de strooisellaag en de onnatuurlijk verrijkte of vervuilde bovenste laag van de bodem waardoor de grond armer wordt aan voedingsstoffen. Dit geeft pioniervegetatie en heide de kans om opnieuw tot ontwikkeling te komen. Bij oudere heidevelden kan per plagbeurt 800 kg stikstof per hectare worden verwijderd. Hierdoor is eenmaal per tien jaar plaggen voldoende effectief. Alternatieve of aanvullende beheersmaatregelen zijn begrazing en bemaaiing.”
Heidegebied is een bijzonder type halfnatuurlijk cultuurlandschap dat zonder beheer snel zal vergrassen en verbossen. Ook in bijvoorbeeld groene duingebieden kan door plaggen een meer gevarieerde vegetatie worden verkregen.
Voor de fauna op de heide kan plaggen een bedreiging zijn omdat veel reptielen oude structuurrijke heide prefereren. Adders hebben in een heidegebied vaak een voorkeur voor stukken die vergrast zijn door het pijpenstrootje. Als het plaggen kleinschalig en niet al te vaak gebeurt, is het negatieve effect op de fauna gering. Er zijn echter steeds meer bedenkingen tegen het verwijderen van de zode over grote oppervlakten. Vaak heeft drukbegrazing, maaien en afvoeren of chopperen dan de voorkeur. Die werkwijzen zijn minder verstorend voor flora en fauna.”
Onderzoek wat werd uitgevoerd door  Wallis de Vries et al. (Alternatieven voor plaggen van natte heide – Effecten op middellange termijn., 2019) laat echter voor de middellange termijn (6 jaar) zien:
“plaggen in combinatie met bekalken de beste abiotische uitgangssituatie voor de ontwikkeling van een soortenrijke vochtige heide. Door chopperen werden deze condities behoorlijk benaderd en werd zowel de beschikbaarheid van stikstof naar beneden gebracht als de basenverzadiging verhoogd. Chopperen met bekalking is daarmee een kansrijk alternatief voor plaggen. Drukbegrazing vormt geen geschikte maatregel voor het herstel van de abiotiek in vochtige heide, en heeft mogelijk zelfs juist een licht verruigend effect.”
Er is misschien een nog meer voor de hand liggende reden waarom plaggen helemaal niet zo’n veel toegepaste maatregel is als door Wikipedia wordt gesuggereerd. Plaggen is door de grote omvang van de te bewerken terreinen zeer tijdrovend en duur.
Daarnaast geldt nog dat de tot compost verwerkte plaggenlaag tot voor kort nog enige baten opleverde. Dat wordt echter steeds moeilijker. Nu komt er echter nieuwe narigheid aan de orde. Natuurmonumenten verstuurde eind oktober een persbericht met de kop: “Zware metalen in de hei”. De verontreiniging van de hei met lood en cadmium is zeer ernstig. Ook wordt te veel zink en nikkel aangetroffen. Die concentratie van zware metalen, niet alleen in de hei, maar in alle terreinen, vormt geen direct gevaar voor de volksgezondheid.
Het grote probleem voor de beheerders is, dat de afgeplagde strooisellaag niet meer kan worden verwerkt tot bruikbare compost voor tuindersbedrijven. Dit heeft als gevolg dat het afplaggen van de heide geen baten meer oplevert, dus nog duurder wordt. Er wordt nu gezocht naar methoden om het plagsel alsnog tot compost te verwerken. Alternatieve verwerkingsmethoden zullen de kosten van het afplaggen echter sterk doen stijgen. Zonder extra subsidie van het Rijk komt het heidebeheer daardoor in het gedrang. Want om onze laatste heidevelden te herstellen en te behouden is afplaggen absoluut noodzakelijk.”
Het lijkt er echter op dat Staatsbosbeheer hierop niet zit te wachten. Uit het document “Standaard kostprijs directe werkzaamheden Terreinbeheer voor de gezamenlijke TBO’s vor het jaar 2016”, kan worden afgeleid dat “kleinschalig plaggen, 1000
m3/ha, en tijdelijk depot op 500 meter”, voor “Droge heiden”, weliswaar een dure ingreep is (normbedrag is 5.395,00 euro per ha). Maar de kostprijs per hectare per jaar is daarentegen verrassend laag: 10,79 euro. dat komt omdat de frequentie waarmee wordt geplagd is gezet op 0,020, ofwel eens per 50 jaar en dat ook nog eens op slechts 10% van het te bewerken oppervlakte. De alternatieve bewerking “chopperen en maaisel naar (tijd.)depot brengen”, is evenwel nog goedkoper. De frequentie per jaar is 0,00, kostprijs 0,00 euro per ha/jaar.
De hoogste kostenpost voor droge heide is het verzorgen van de dieren, wat op 80% van het gebied jaarlijks plaats vindt. Voor de vochtige heide is dit zelfs nog wat meer: jaarlijks 100% van het te beheren gebied, met een kostenpost van 114,96 euro, jaarlijks. Maar dit is dan weer juist een maatregel waarvan recent onderzoek, zoals hierboven gezien, heeft vastgesteld dat het juist geen goede maatregel is voor  herstel van de heidevelden en “mogelijk zelfs juist een licht verruigend effect heeft.”
Maar er zijn meerdere argumenten om plaggen achterwege te laten. Wikipedia meldt:  “Voor de fauna op de heide kan plaggen een bedreiging zijn omdat veel reptielen oude structuurrijke heide prefereren. Adders hebben in een heidegebied vaak een voorkeur voor stukken die vergrast zijn door het pijpenstrootje. Als het plaggen kleinschalig en niet al te vaak gebeurt, is het negatieve effect op de fauna gering. Er zijn echter steeds meer bedenkingen tegen het verwijderen van de zode over grote oppervlakten…
Archeologen hebben vaak hun bedenkingen tegen het afplaggen omdat het (pre-)historische sporen kan beschadigen.”
Argumenten voor Staatsbosbeheer te over om inderdaad niet iedere tien jaar te gaan plaggen op de heidevelden. Maar het is hierdoor wel erg kort door de bocht om te beweren dat de heidelandschappen verdwijnen vanwege de stikstofdepositie in Nederland. Op basis van het bovenstaande kunnen immers de volgende conclusies worden getrokken:
  1. De natuurlijke kritische depositie waarde (kdw) geeft een input voor het ‘milieu’van de planten, maar is natuurlijk niet de enige milieufactor die bepaalt welke planten op welke grond groeien. Wanneer de grond kunstmatig wordt verschraald, is het logisch dat na consequent eeuwenlang volgehouden beheer, vegetatietypen tot ontwikkeling komen die normaliter alleen gedijen in een klimaat waar slechts weinig stikstof beschikbaar is; waar zich bijvoorbeeld vanwege barre klimaatomstandigheden zich slechts weinig dieren/ mensen zullen vestigen.
    Dit geldt bijvoorbeeld voor ‘het heideveld’ in Nederland. Dit door menselijk ingrijpen ontstane ecosysteem is echter niet gelijk te stellen met het ‘natuurlijke ecosysteem van die betreffende streek’, wat zou zijn ontstaan op basis van de ‘natuurlijke’ stikstofbelasting van het gebied.
  2. De kdw is een maat van stikstofbelasting via de atmosfeer, maar dit is natuurlijk niet de enige vorm van stikstof die voor de planten beschikbaar is. Via grondwaterstromingen, maar ook via aanwezige bodemreserves kan de plant ook aan de benodigde stikstof komen.
  3. Heidevelden ontwikkelen zich. In het bovenstaande hebben we een aantal redenen gezien waarom Staatsbosbeheer kiest voor de ontwikkeling van ‘oude heidevelden’. (financieel, archeologisch, behoud van ecosysteemwaarden). Een beheer waarbij eens per 50 jaar gedeeltelijk wordt ‘geplagd’, leidt tot het ontstaan van ‘oude heidevelden’.
  4. Wanneer oude heidevelden 800 kg stikstof in de bovenste bodemvoor hebben opgeslagen, is het natuurlijk een illusie om te denken dat de heideveldvegatatie kan worden bijgestuurd door de atmosferische depositie van stikstof (22,5 kg per jaar) en heeft de kdw alleen nog een symbolische waarde.
  5. Heidevelden zijn ongetwijfeld  gevoelig voor stikstofbelasting in welke vorm dan ook. Maar ligt het dan aan de stikstofdepositie of aan het (nalaten van het kostbare) beheer dat een dergelijk specifiek habitat verdwijnt?

Zwakgebufferde en zure vennen

Het habitattype ‘Zure vennen’ omvat natuurlijke poelen en meren met zuur water en veenmodder op de bodem. In ons land betreft het zo goed als uitsluitend door regenwater gevoede heidevennen en vennen in de randzone van hoogveengebieden. In die vennen kan lokaal invloed van grondwater doordringen en van essentieel belang zijn voor de variatie van levensgemeenschappen, maar de regenwaterinvloed is zo groot dat men meestal spreekt van ‘uitsluitend door regenwater gevoed’. Daarbij gaat het zowel om de open waterbegroeiingen als om jonge verlandingsstadia, drijvend of op de oever. Het water van deze poelen en meren is van nature zeer voedselarm en kan door humuszuren bruin gekleurd zijn.
Dorland et al. (2012) hebben de relatie tussen soortenrijkdom en stikstofdepositie nader uitgewerkt voor een aantal habitattypen. Dit habitattype behoort tot de EUNIS klasse D1 ‘Raised and Blanket bogs’.
Dorland et al. (2012) achten het ‘zeer aannemelijk’ dat de kwaliteit van het type achteruit gaat in het traject van 500-1000 mol N/ha/jr, maar: “er is gebleken dat er nog (veel) te weinig data beschikbaar zijn om een goede dosis-effect relatie op te stellen tussen het soortenaantal en stikstofdepositie in hoogvenen.”
Zwakgebufferde vennen kenmerken zich door de aanwezigheid van een groot aantal soorten, waaronder veel pioniersoorten van kale oevers en open water. En toch zijn de meeste van de vennen van dit habitattype niet meer dan enkele tientallen meters lang en breed. De leefgemeenschappen van deze vensystemen – de plassen plus de oeverzones – vertonen een grote variatie binnen een klein oppervlak. Dat komt door allerlei milieuverschillen binnen het systeem en overgangssituaties (gradiënten) in zones en fijnschalige mozaïeken.
Wanneer we een vergelijking maken met de situatie in ons omringende landen, is in ons land naar verhouding een redelijke hoeveelheid behouden gebleven.
Zwakgebufferde vennen komen voor als (heide)vennen en onderlopende slenken in de hogere zandgronden en als min of meer geïsoleerde poelen aan de randen van rivier- en beekdalen. Daarnaast komen de kenmerkende vegetatietypen soms voor in leemputten. In vergelijking met die van de zeer zwak gebufferde vennen (H3110) zijn de kenmerkende plantensoorten van zwakgebufferde vennen minder goed aangepast aan het groeien in koolstofarm water. De concentratie koolzuur in het water is hoger (door kwel, organisch materiaal e.d.), waardoor een groter scala aan ondergedoken planten in staat is voldoende koolstof op te nemen. De buffering wordt verzorgd door kwel van licht aangerijkt lokaal grondwater, toevoer van gebufferd, maar voedselarm oppervlaktewater en/of door verweerbare mineralen in een kleiïge of lemige bodem.
In het verleden kon wellicht ook kleinschalig menselijk gebruik, zoals schapen wassen, voor enige buffering zorgen.
Anders nog dan Van Doorland in 2012 meende, weet Alterra het nu al zeker: “De vennen die tot dit habitattype behoren, zijn zeer gevoelig voor atmosferische depositie, zodat het belangrijk is dat deze in de toekomst fors daalt.”
Maar ook blijkt het volgens Alterra zo te zijn dat: “Voor duurzame instandhouding van de zwakgebufferde condities is in veel gevallen een beperkte aanvoer nodig van gebufferd, schoon grond- water via kwel. Hiervoor is nodig dat het oorspronkelijk hydrologisch systeem in stand blijft of wordt hersteld. Het op gezette tijden verwijderen van de organische bovenlaag (schonen), het tegengaan van verstarring in het beheer van vennen en het gedoseerd inlaten van water zijn ook maatregelen waarmee de gewenste buffercapaciteit kan worden gerealiseerd.
De zwakgebufferde vennen zijn vooral te vinden in Noord-Brabant en aangrenzend Midden-Limburg (de Kempen), de Veluwe, de Achterhoek, Twente en Drenthe/Oost-Friesland.”
Maar goed, het lijkt misschien maar zo, maar hoe bij uitstek stikstofgevoelig kan een vegetatietype zijn, als het zich al meer dan 60 jaar weet te handhaven in de gebieden die juist de meest stikstofrijke delen van Nederland zijn?
Het lijkt niet onlogisch dat zwakgebufferde vennen wellicht het meest afhankelijk zijn van kwelwater en veel minder van stikstofdepositie op de vaak beperkte omvang van deze vennetjes. Maar als kwelwater zo belangrijk is, hoe kan de stikstofdepositie hier een kritische waarde hebben van 410 mol stikstof (=5,74 kg) per hectare, of liever, hoe heeft een dergelijk habitat zich ooit in deze gebieden kunnen ontwikkelen en nog vreemder; zich gedurende decennia kunnen handhaven bij stikstof-achtergrondwaarden die nog veel hoger lagen dan thans het geval is?
Voor zure vennetjes geldt dit natuurlijk niet of minder. Het gaat hier om het beschikbare regenwater en het ligt voor de hand dat natte depositie van stikstof dan een rol speelt. Dit type vegetatie blijkt echter tot de hoogvenen te behoren, die hierna besproken worden.

Hoogvenen en trilvenen

We spreken van actief hoogveen als de kern uitsluitend door regenwater wordt gevoed en door het vasthouden van dat regenwater in het veen een hogere grondwaterspiegel heeft dan zijn omgeving, en er veenvorming optreedt. Hiervoor is het noodzakelijk dat weinig (< 40 mm/jaar) of geen wegzijging naar de ondergrond optreedt en dat ondanks verschillen in neerslag en verdamping de grondwaterstand ten opzichte van het veenoppervlak weinig fluctueert.
“Actief hoogveen komt als hoogveenlandschap (subtype A) alleen nog voor in de kernen van grotere hoogveenrestanten, die verder grotendeels tot Herstellende hoogvenen (H7120) behoren.
Van oorsprong zijn dit uitgestrekte lenshoogvenen geweest die door ontwatering en vervening thans sterk zijn gedegradeerd.
Binnen het hoogveen wordt het grondwaterstandsverloop gereguleerd door de acrotelm, de 0,1 tot 0,5 m dikke laag levend en weinig vergaan afgestorven veenmos die door opname of afgifte van water kan zwellen of krimpen, waardoor de laag van levend veenmos met het waterniveau meebeweegt (mooratmung). Zwelt het veen, dan neemt de horizontale doorlatendheid sterk toe, waardoor de zijdelingse afstroom van veenwater sterk toeneemt. Krimpt het veen, dan neemt de weerstand toe en de zijdelingse afstroom af, waardoor meer water geconserveerd wordt. Het veenoppervlak van goed ontwikkeld hoogveen bestaat uit een kleinschalig patroon van bulten en netvormig verbonden poelen en slenken. Als het waterpeil sterk stijgt, gaan deze slenken oppervlakkig afvoeren. Door deze mechanismen zijn de seizoensmatige fluctuaties bij een goed functionerende acrotelm beperkt (1-3 dm t.o.v. veenoppervlak). De aanwezigheid van een goed werkende acrotelm is dus een randvoorwaarde voor het voortbestaan van actief hoogveen.
De door veenmossen gedomineerde hoogveenvegetatie wordt uitsluitend gevoed door regenwater. De beschikbaarheid van voedingsstoffen is er daarom van nature zeer laag. Naar de randen van het hoogveen neemt de laterale doorstroming sterk toe. Hoewel de nutriëntengehalten in het water zeer laag zijn, is de rand door de permanente doorstroming wat minder voedselarm. Waar het hoogveen uitwigt tegen de minerale ondergrond kwelt het hoogveenwater op (lagg-zone). In deze zone treedt vaak ook kwel vanuit de minerale ondergrond op. Afhankelijk van de samenstelling van dit kwelwater (basenarm of basenrijk) kunnen dan matig zure tot neutrale standplaatsen voorkomen. De condities in het overgangsveen zijn eveneens afhankelijk van de toevoer van zuur, voedsel- en mineraalarm water uit het hoogveen en meer gebufferd en mineraalrijker water uit aangrenzende landschapsonderdelen, zoals laagveen.
In hoogveen met onvervuilde neerslag is stikstof beperkend voor de groei van vaatplanten, doordat de veenmossen het grootste deel van de N-depositie opnemen en in de waterverzadigde veenmoslaag ook omzetting in N-gas optreedt, waardoor nauwelijks anorganisch stikstof doordringt in de wortelzone van vaatplanten. Bij een hogere N-depositie kunnen de veenmossen niet meer alle N opnemen en treedt doorslag naar de wortelzone van vaatplanten op.
Pijpenstrootje en berken kunnen dan het hoogveen overwoekeren. Doordat deze vaatplanten bij lagere grondwaterstanden nog steeds verdampen, kan de waterstand dieper wegzakken en verliest de acrotelm (een deel van) zijn hydrologische werking.”
Het is duidelijk dat stikstof van belang is voor de ontwikkeling van de hoogvenen.
Alleen zal ook duidelijk zijn dat dit een heel indirecte beïnvloeding is, die blijkbaar in de praktijk van minder belang is dan de extreem lage ‘kritische depositiewaarde’ bij hoogvenen (400 mol/ha/ jaar (5,6 kg stikstof per jaar)) doet vermoeden.
Het expertisecentrum van het LNV laat immers in 2002 (Ontwikkelingen en herstel van hoogveensystemen, Schouwenaars et al.) nog een heel ander geluid horen:
“De overeenkomsten tussen de hoogveentypen in de verschillende landen duiden op min of meer gelijke randvoorwaarden voor veenvorming. Tegenwoordig zijn deze randvoorwaarden niet meer zo gelijk: vooral in Nederland is de atmosferische depositie van met name stikstof (gemiddeld ca. 40-50 kilo per hectare per jaar!) ongekend hoog. Vooralsnog is er geen bewijs dat deze in Nederland voorkomende hoge atmosferische depositie hoogveenherstel onmogelijk maakt. Wel kan het tot gevolg hebben dat de kenmerkende soorten uit de oorspronkelijk hoogvenen (die hierboven als referentie genoemd zijn) onder de huidige belasting niet kunnen (blijven) voorkomen. Voor hoogvenen geldt dat met name de veenmossen een functionele rol hebben in de hoogveenvorming; die rol zal wellicht ook door veenmossoorten met een hogere tolerantie ten aanzien van atmosferische depositie vervuld kunnen worden.”
De kennis over de ontwikkeling van hoogveen is al duidelijk gegroeid in het Alterra-rapport 2225 “Hoogveen en klimaatverandering in Nederland” (2011). Hier zijn de volgende teksten opgenomen:
“De stand van zaken is dat ook in gebieden waar geen hydrologische herstelmaatregelen zijn uitgevoerd, een kwaliteitsverbetering wordt geconstateerd, waarschijnlijk door de afgenomen zwavel- en stikstofdepositie en door de toegenomen hoeveelheid neerslag. Overal waar het gelukt is om gunstige hydrologische condities te realiseren, verloopt het herstel van veenvormende processen goed. De benodigde stabiele hoge waterstanden worden veelal bereikt door hydrologische compartimentering en maatregelen in de omgeving. Verder is de laatste 10-15 jaar sprake van stabilisatie of zelfs een overwegend positieve trend in de populaties van de kenmerkende hoogveenflora en –fauna. Voor de instandhouding en ontwikkeling van hoogveen zijn het neerslagoverschot, de temperatuur en de positie in het landschap belangrijk. Gunstige ontwikkelingen doen zich voor in gebieden waar het (actieve) hoogveen water uit zijn omgeving ontvangt. Hier kan een vermindering van het neerslagoverschot worden gecompenseerd door toevoer van lokaal grondwater.”
Dat is dus merkwaardig. De veel te hoge stikstofdeposities van de jaren tussen 1995 en 2010 waren ineens geen belemmering meer voor de gunstige ontwikkeling van hoogveen?
Het wordt nog vreemder als in het rapport de volgende tabel in deze studie wordt bijgevoegd:
Dit leest gemakkelijk; bij een optimale waterhuishouding is het dus ook bij stikstofdeposities die hoger zijn dan 20 kg per ha/jaar (= ongeveer 1500 mol per jaar) mogelijk om hoogvenen, actief en herstellend, te behouden en te verbeteren!
De waterhuishouding is dus van cruciaal belang bij de ontwikkeling van hoogveen en dus niet de stikstofdepositie. Het huidige niveau blijkt immers al voldoende te zijn om hoogveenbontwikkeling in den lande te laten herstellen. De vervolgvraag is dan wel; hoe betrouwbaar zijn, en welke absolute waarde hebben de kritische depositiewaarden als benoemd door de Wageningse onderzoekers van Alterra (2008) dan nog in dit verband?
Hierbij speelt dan ook nog een rol dat de onderzoekers van Alterra zich nauwelijks bekommeren om afbraakmechanismen van stikstof, anders dan opname door planten (bemesting). Bij diverse omzettingen kunnen stikstofverbindingen ook worden omgezet in gasvormig stikstof (N2) en lachgas (N2O). Uit onderzoek bij denitrificatiesystemen bij veehouderijen, blijkt dat een groot deel van de afgevangen ammoniak wordt omgezet in lachgas. Dit heeft er zelfs toe geleid dat terugvoer van gassen in de luchtwasser na denitrificatie niet langer is toegestaan. De Technische advies commissie Regeling ammoniak en veehouderij (Tac-Rav) heeft op 21 juni 2016 besloten (pdf, 126 kB) om denitrificatie niet toe te staan vanwege de vorming van lachgas.
Maar lachgas is, evenals het gevormde stikstofgas moeilijk afbreekbaar en heeft als zodanig geen enkele bemestende waarde. Het zorgt wel weer voor andere problemen, waarover, in een ander verband, later meer.
In het grotendeels zuurstofloze hoogveen is denitrificatie echter een factor van belang. Grondwater onder hoogveen bevat bijvoorbeeld in de regel maar erg weinig nitraat. Het RIVM heeft in 2016 bij metingen aan het grondwater bij agrarische bedrijven geconstateerd dat het gemiddelde nitraatgehalte onder veengrond 6,4 mg/liter bedroeg tegen 19 mg/l op kleigrond, 46 mg/l op zandgrond en 54 mg/l op lössgronden. Dit betekent dat ook bij eenzelfde depositie van stikstof, het gehalte stikstof in het door de vegetatie opneembare grondwater, zeer sterk kan afwijken.

Stroomdalgraslanden

In ons land omvat dit type de stroomdalgraslanden: bloemrijke graslanden op zandige oeverwallen en dijkhellingen langs de rivieren. Het is van belang dat het rivierwater jaarlijks de wortelzone van de vegetatie bereikt; periodieke aanvulling voorkomt dat de bodem uitloogt en verzuurt. De gemeenschappen behoren tot het verbond Sedo-Cerastion, waarbinnen twee associaties worden onderscheiden, het Medicagini-Avenetum pubescentis en het Sedo-Thymetum pulegoidis.
De stroomdalgraslanden op kalkarme zandbodems (asssociatie Festuco-Thymetum serpylli), zoals die in ons land voorkomen langs de Dinkel en de Overijsselse Vecht, worden niet tot dit habitattype gerekend. Wel vallen de pionierstroomdalgraslanden binnen de definitie van het type. Deze jonge, dynamische stadia, die vooral worden aangetroffen in natuurontwikkelingsprojecten langs de grote rivieren, hebben een ruderaal karakter en worden gerekend tot de associatie Bromo inermis-Eryngietum campestris (verbond Dauco-Melilotion).
Stroomdalgraslanden zijn in Europa een sterk bedreigd habitat, waarbij niet alleen sprake is van een enorme afname van de oppervlakte, maar ook van verarming van de resterende graslanden. De achteruitgang in ons land is toe te schrijven aan intensivering van de landbouw, dijkverzwaring, grootschalige zand- en grindwinning, recreatie en stellig ook het aan banden leggen van het waterregime van de rivieren.
De beste voorbeelden van stroomdalgrasland resteren langs de IJssel, de Merwede en de Lek. Jonge, dynamische rivierduinen zijn goed ontwikkeld in de Millingerwaard langs de Waal.
Het areaal in Nederland bedraagt nog slechts 10-100 ha.
Het is eigenlijk niet uit te maken wat maakt dat dit habitattype zo gevoelig zou zijn voor stikstof. Zeker omdat via het rivierwater en het afgezette slib flinke hoeveelheden stikstof worden afgezet in de uiterwaarden waar deze habitattypen zich thuis voelen. Sterker nog, het ontstaan van nieuwe stroomdalgraslanden in de Millingense uiterwaarden (het natuurontwikkelingsgebied Millingerwaard is ontstaan in 1991, bij de veel hogere stikstofdeposities dan thans) laat zien dat het ook hier niet de stikstofdepositie, maar juist het beheer, de belangrijkste factor is bij het verdwijnen en dus ook ontstaan van de stroomdalgraslanden.

Kalkmoerassen

Het areaal kalkmoerassen in Nederland is heel klein, het betreft in totaal 10-100 ha, verspreid over heel Nederland.
“Het habitattype betreft (meestal) veenvormende begroeiingen van kleine zeggen, andere schijngrassen en slaapmossen in basenrijke kwelmilieus. De meeste van deze kalkmoerassen zijn gelegen op de flanken van beekdalen. Ze komen ook wel voor in kwelzones op de overgang van hogere (pleistocene) zandgronden naar het rivierengebied. De basenminnende begroeiingen van dit habitattype komen in het riviergebied bovendien lokaal voor op zandige plekken, in duinvalleiachtige laagten. Daar treedt bij hoge rivierwaterstanden toestroom op van basenrijk grondwater, terwijl de plekken in de zomer sterk uitdrogen. Veenvorming vindt hier niet plaats.
Meestal zijn de begroeiingen van dit habitattype te herkennen aan een hoog aandeel aan bepaalde kleine zeggen en veenvorming. Veenvorming hoeft echter niet op te treden. In sommige brongebieden met kwel spoelt het organisch materiaal weg en vormt zich geen veen. Onder dergelijke omstandigheden kan zich eventueel in het kalkmoeras van dit habitattype kalktuf vormen, maar dit gebeurt zelden.
 Het kalkmoeras komt voor op natte, basenrijke plekken met een grondwaterstand die in winter en voorjaar rond het maaiveld ligt, en een pH-H2O van minimaal 5,5 (zwak zuur tot basisch). De standplaatsen zijn slechts matig productief, niet alleen door het ontbreken van bemesting maar ook door vastlegging van fosfaat aan calcium en ijzer.
Waar het type afhankelijk is van aan maaiveld uittredend grondwater (heuvelland, beekdalen en hogere zandgronden) is het zeer gevoelig voor veranderingen in de hydrologie. Omdat het vaak gaat om lokale kwelstromen is het type daar bovendien gevoelig voor bemesting in het nabijgelegen intrekgebied, omdat die kan leiden tot verhoogde nitraat- en sulfaatgehaltes in het toestromende grondwater.
Het type is potentieel ook zeer gevoelig voor de verzurende en vermestende werking van atmosferische stikstofdepositie. Mits de waterhuishouding op orde is, zullen de effecten hiervan echter naar verwachting meevallen.(!) De aanvoer van basen- en ijzerrijk grondwater zorgt niet alleen voor een goede zuurbuffering, maar ook voor de vastlegging van fosfaat en daarmee fosfaatbeperking.”
Volgens Alterra is dit habitattype echter zeer gevoelig voor stikstofdepositie (1100 mol/ha/jaar, ofwel maximaal 15 kg stikstof per jaar, terwijl uit het bovenstaande toch echt de conclusie kan worden getrokken dat ook hier relatief zeldzame omstandigheden ten aanzien van hydrologie, fosfaatgehalte en kalkgehalte van het grondwater van veel groter belang zijn voor de instandhouding van dit zeer zeldzame habitat-type.

Zinkweiden

In Nederland zijn in totaal nog 1-10 ha zinkweiden over gebleven. En dat is eigenlijk maar goed ook. Zinkweiden komen namelijk voor op plekken waar zink in toxische concentraties voorkomt. Deze vegetaties zijn betrekkelijk soortenarme graslanden met een min of meer gesloten vegetatie. Ze komen voor op droge, kalkarme en niet te voedselrijke bodems en hebben een flora met diverse plantensoorten die zijn aangepast aan de uitzonderlijke standplaatsomstandigheden (zink!).
“In Nederland komt zinkvegetatie alleen voor in de overstromingsvlakte (vooral de meer zandige delen) langs de Geul in Zuid-Limburg. Hier is in het verleden zinkhoudend sediment afgezet, afkomstig van zink- en loodmijnen in België.
Hoe de aan deze specifieke omstandigheden aangepaste flora zou kunnen worden verdrongen door reguliere planten als gevolg van bemesting met stikstof is me eigenlijk niet duidelijk.
Alhoewel veel plantensoorten niet of nauwelijks tolerant zijn voor de relatief hoge zinkgehaltes van zinkweiden is het toch zo dat voor de instandhouding van de zinkweiden verschralend beheer nodig is (door begrazing en/of hooien). De noodzaak hiervan neemt toe bij een toenemende invloed van geëutrofieerd beekwater. (Echter, door afvoer van het maaisel zal ook een gedeelte van de door de planten opgenomen zinkvoorraad –versneld- worden afgevoerd)
In de afgelopen decennia is het habitattype zowel in oppervlakte als in kwaliteit achteruitgegaan. Vermoedelijk zijn de graslanden met zinkplanten langs de Geul nog tot halverwege de vorige eeuw redelijk intact gebleven. Beschrijvingen uit de jaren dertig en veertig vermelden dat de Geulweiden in mei op sommige plekken geel zien van de zinkviooltjes.
Vroeger kwam de zinkflora stroomafwaarts voor tot Partij-Wittem, maar tegenwoordig wordt de noordgrens bij Mechelen bereikt. Goed ontwikkelde zinkweiden komen alleen nog maar op enkele plekken voor langs de Geul vlakbij de Belgische grens. Ten dele (?) is dit toe te schrijven aan het feit dat er geen vers zinkhoudend sediment meer wordt afgezet. Vermesting met meststoffen uit de agrarische omgeving speelt echter onmiskenbaar ook een rol. Ten slotte heeft de laatste omvangrijke groeiplaats van zinkplanten te lijden onder afkalving. Het gaat om een terrein op de bovenrand van een buitenbocht van de Geul.
De achteruitgang in areaal heeft ook de laatste jaren nog doorgezet: In de periode 1994-2004 is nog steeds sprake van een verdere achteruitgang in oppervlakte en kwaliteit van de zinkvegetatie in ons land. Huidig oppervlakte ongeveer 1 ha.”
Geconcludeerd kan dus worden dat de zinkweiden is stand kunnen blijven door het toepassen van specifiek beheer en dat de gevoeligheid voor bemestende stikstofneerslag alleen indirect een invloed zou kunnen hebben op dit vegetatie-type. Wat wel zou helpen is natuurlijk nieuwe afzetting van zinksediment (= bestaand beheer), maar misschien dat dit weer een brug te ver is?

Heideschrale en Blauwgraslanden

Ook Heideschrale weilanden zijn zeldzaam in Nederland, er is nog 10-100 ha in Nederland over. Het habitattype is in ons land aan te treffen in het heuvelland, de duinen en op de hogere zandgronden van het binnenland.
Heischrale graslanden komen voor op licht gebufferde, zwak zure tot matig zure, meestal sterk humeuze bodems. Op vochtige tot natte standplaatsen wordt het vochtgehalte en de zuurgraad vooral gebufferd door de bodem zelf.
De voor dit habitattype kenmerkende plantensoorten zijn enerzijds kalkmijdend, maar zijn anderzijds zeer gevoelig voor het aluminium dat op zure standplaatsen meestal in het bodemvocht aanwezig is. Op droge zand- en veengronden en kalkarme duinen is het type voor de vochtvoorziening en buffering meestal afhankelijk van de externe aanvoer van basen met zacht grondwater van lokale herkomst.
Een kenmerkende standplaats is aan de rand van laagtes en van beekdalen, in de overgang tussen regenwatergevoede heide enerzijds en door hard grondwater gevoede blauwgraslanden en vennen anderzijds. Ook kan het door verzuring ontstaan uit blauwgraslanden (H6410), als tussenstadium in de ontwikkeling naar zure heidevegetaties.
Teneinde heischrale graslanden te realiseren/behouden is het noodzakelijk dat successie naar struik- en bosfase en verruiging wordt tegengegaan. De vegetatie verdraagt een extensieve beheersvorm. Het is verder van belang dat de bodem zijn zwak bufferend vermogen behoudt.
Gevoeligheid voor stikstofdepositie: zeer gevoelig. Dat geldt niet alleen voor situaties waar het habitattype voor de zuurbuffering afhankelijk is van de verwering van mineralen uit de bodem, maar ook voor situaties waar het afhankelijk is van buffering door aanvoer van lokaal grondwater.
In de meeste heidegebieden is het oppervlakkige grondwater als gevolg van depositie sterk verzuurd en heeft daardoor geen bufferende werking meer. De associatie van klokjesgentiaan en borstelgras is daarnaast ook gevoelig voor veranderingen in lokale hydrologie die kunnen leiden tot een afname van kwel.
In de duinen en Zuid-Limburg is het habitattype zeer zeldzaam (oppervlakte < 10 ha). Op de hogere zandgronden is het type wijd verspreid, maar is de oppervlakte aan goed ontwikkelde, vlakdekkende vormen van het habitattype gering (10-100 ha).
Bij heideschrale graslanden kan dus worden gezien dat dit habitattype allereerst zeer zeldzaam voorkomt, zeer afhankelijk is van beheer (verruiging moet worden tegengegaan, een maatregel waarin staatsbosbeheer, om eerder genoemde redenen, niet uitblinkt) en standplaats en waarin de rol van stikstof nog wordt gekenmerkt door de door veronderstelde rol in de verzuring van het lokale grondwater.
Blauwgraslanden zijn soortenrijke hooilanden op voedselarme, basenhoudende bodems die ’s winters plasdras staan en ’s zomers oppervlakkig uitdrogen. Blauwgraslanden vragen hooilandbeheer, toevoer van basenrijk water, tegengaan van verruiging en zo nu en dan opbrengen van organisch materiaal om verzuring tegen te gaan.
Het habitattype komt optimaal voor op voedselarme, matig zure tot neutrale bodems. Buffering vindt plaats door aanvoer van basen met grond- en/of oppervlaktewater. In de winter staat het grondwater aan of op maaiveld, in de zomer zakt de grondwaterstand enkele decimeters of meer weg.
In het landschapstype meren en moerassen kwamen aan het begin van de 20e eeuw nog de grootste oppervlakten blauwgrasland voor. Door gebrekkige bemaling stonden veel polders in de winter langdurig onder water, waardoor aanvoer van basen optrad. Door de verbeterde bemaling is deze aanvoer verdwenen. In boezemlanden en zomerpolders treden nog wel winterinundaties op. Hier komen plaatselijk nog goed ontwikkelde blauwgraslanden voor. De bodem van deze (voorheen) overstroomde standplaatsen bestaat uit kleiïg veen of klei-op-veen. Kwel naar maaiveld speelt in deze systemen geen belangrijke rol, doordat de kweldruk –indien aanwezig- in dit vlakke landschap laag is en de weerstand van de deklaag hoog.
Zowel in de beekdalen als op de hogere zandgronden wordt het habitattype sterk bedreigd door verlaging van grondwaterstanden, die tot gevolg hebben dat onvoldoende bufferstoffen doordringen tot in de wortelzone. In de beekdalen kan ook overstroming met eutroof en slibrijk water leiden tot achteruitgang van het blauwgrasland.
Het type is zeer gevoelig voor stikstofdepositie en verlangt dus een goede luchtkwaliteit.
Het habitattype is in de periode 1975 – 2000 aangetroffen in meer dan vijftig uurhokken, maar in de meeste gebieden neemt het habitattype slechts een kleine oppervlakte in. De oppervlakte aan goed ontwikkeld blauwgrasland bedraagt in totaal naar schatting 100 ha, waarvan ongeveer 50 ha goed zijn ontwikkeld.
Dit habitattype betreft soortenrijke graslanden op neutrale tot zwak zure, voedselarme bodems met wisselende grondwaterstanden, die meestal al vele decennia lang extensief beheerd (gehooid) worden.
Blauwgrasland verlangt dus hooilandbeheer waardoor grote hoeveelheden organisch materiaal per jaar worden afgevoerd, terwijl ook organisch materiaal moet worden toegevoerd om verzuring tegen te gaan. Internationaal wordt overigens als kritische grenswaarde aangehouden de range van 15-25 kg stikstof per ha/ jaar; toevallig komt dat dus overeen met de gemiddelde landelijke stikstofdepositie…
Waarom het type zo gevoelig is voor stikstofdepositie wordt niet nader toegelicht. Het ontstaan van blauwgraslanden heeft zijn oorsprong in extensieve landbouw die op marginale gronden (met een veel te hoge grondwaterstand) werd toegepast (hooilandbeheer).
Het is dan ook meer dan waarschijnlijk dat de teloorgang van het blauwgrasland samen hangt met de teloorgang van het hooiland. Hooi wordt de laatste decennia natuurlijk op grote schaal vervangen door kuilvoer. Hooilanden waren vaak graslanden waren die te vochtig waren om als weiland te gebruiken. In streken met extensieve landbouw werden deze gronden wel gemaaid werden maar niet bemest. Zo ontstonden voedselarme schraalgraslanden die zich kenmerkten door een bijzondere plantengroei.
De opkomst van kunstmest maakte daarna (net zoals bij de heidevelden het geval was) een einde aan deze vorm van beheersmatige verschraling. Het is dan ook niet zo dat deze blauwgraslanden ‘van nature’ ontstonden, maar (ook) direct zijn terug te voeren op een specifiek beheer.

Oude eikenbossen

Het gaat hier om een nieuwe, verkorte naam voor het habitattype ‘Oude zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met Quercus robur (H9190)’.
Ook dit betreft een nogal zeldzaam habitattype in Nederland met een areaal van 100-1000 ha.
“Het habitattype komt voor op kalkarme, zeer voedselarme, vochtige tot droge zandgronden, vaak met een duidelijk podzolprofiel. Het zijn stuif- en dekzanden die door de wind zijn afgezet of in het verre verleden door gletsjerijs opgestuwde en verspoelde zanden. De bodem wordt enkel gevoed door regenwater, waardoor uitspoeling van mineralen naar de diepere ondergrond optreedt.
De ondergroei is door de arme bodem doorgaans soortenarm en bestaat vooral uit zuurminnende dwergstruiken, grassen, mossen en paddenstoelen. Daaronder zijn een aantal typische soorten die vooral op oude boslocaties groeien.
De Oude eikenbossen zijn in het algemeen ontstaan in het heide- en stuifzandlandschap en hebben nu vaak de vorm van strubbenbossen. Zij onderscheiden zich daarmee van de bossen op de wat rijkere zandgronden (habitattype H9120), die overigens ook oud zijn en een boomlaag van eiken kunnen hebben.
Oude zuurminnende eikenbossen zijn van oorsprong algemeen en wijdverspreid in het pleistocene deel van ons land. Ze hebben echter sterk te lijden gehad door stikstofverrijking uit de lucht waardoor nitrofiele soorten toenemen; ook hebben veel van dergelijke bossen het veld moeten ruimen voor landbouwgrond en de aanplant van naaldhout. Door het achterwege blijven van beheersmaatregelen (hakhout) neemt de laatste decennia de rol van de Beuk (Fagus sylvatica) binnen deze eikenbossen geleidelijk toe. Het Fago-Quercetum gaat hierbij geleidelijk over in een echt beukenbos (Deschampsio-Fagetum) dat we niet meer tot habitattype 9190 rekenen.”
Meer toelichtende teksten zijn echter te vinden in het blad ‘de levende natuur’ (maart 2009):
Door successie zullen ook deze bossen geleidelijk worden gekoloniseerd door Beuk, maar aanzienlijk minder snel dan de oude eikenbossen op stuwwalmateriaal. Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina) is vaak al een groot probleem. Vooral op landduinen en randwallen vormt Amerikaanse vogelkers een bedreiging, onder andere voor Zevenster en Groot gaffeltandmos. Zowel dominantie van Beuk als Amerikaanse vogelkers kan worden voorkomen door tijdig in te grijpen.
De huidige Oude eikenbossen hebben zich voor een belangrijk deel spontaan ontwikkeld in de (stuifzand)heide en doen dit nog steeds.
Het zijn in feite de meest natuurlijke eikenbossen van Nederland. Het beheer van Oude eikenbossen is dan ook het meest kansrijk als ze als onderdeel van het heide en stuifzandlandschap worden gezien. Hakhoutbeheer is hier geen optie. Het vereist een relatief hoge bodemvruchtbaarheid en lage graasdruk en speelde op de zeer voedsel- en leemarme bodems van habitattype Oude eikenbossen ook vroeger nauwelijks een rol.
Begrazing des te meer. De aanwezigheid van open vegetaties in combinatie met een hoge graasdruk blijft de belangrijkste natuurlijke voorwaarde voor het behoud en herstel van dit habitattype.
In Beuken-Eikenbossen met Hulst treedt nauwelijks spontane verjonging van eik op.
Wanneer hier zou worden ingezet op behoud van door eik (met name Wintereik), gedomineerd bos, is dit op termijn alleen mogelijk door kunstmatige verjonging (bijplanten) van eik en tegelijkertijd het bestrijden van Beuk. Dit is het minst bewerkelijk in terreindelen die (nog) niet worden gekoloniseerd door Beuk. Bij een meer natuurlijke ontwikkeling zal er naar verwachting een bosmozaïek met Beuk en Hulst ontstaan. De Noord-Veluwse boombossen, zoals bosreservaat Pijpebrandje in het Speulderbos, geven een indruk hoe ongestoorde beukenbossen op de hogere zandgronden eruit komen te zien: hoog, donker bos, afgewisseld met groepen aftakelende dikke beuken, verjongingseenheden en door begrazing opengehouden ruimten met mantels van Hulst. En vooral veel dood hout. Dergelijke bossen kunnen worden gezien als een nieuwe historische laag op het oude boslandschap”
We kunnen dus concluderen dat het ‘oude eikenbos’ zich, als successie, heeft op ontwikkeld op de door (beheersmatige) verschraling ontstane heidelandschappen. Bij het wegvallen van dit beheer ontstaat een schraal bos, wat in stand gehouden zou kunnen worden door begrazing, maar wat (door successie) natuurlijkerwijs zou worden vervangen door een ander bostype, met Beuk en Hulst.
In hoeverre een lagere stikstofdepositie zou kunnen zorgen voor behoud van dit type bos is dan ook geen uitgemaakte zaak. Het blijft immers een kunstmatig type bos, wat zich onder meer natuurlijke omstandigheden nooit zou zijn ontstaan in Nederland, of het zou in ieder geval nooit een ‘oud bos’ zijn geworden, dat is immers alleen te danken aan het (onbewuste) beheer wat bij deze bossen is gevoerd (eerst heidevorming, daarna begrazing).
Er kan dus ook bij dit habitat-type worden vastgesteld dat niet de stikstofdepositie, maar het beheer van het gebied de belangrijkste voorwaarde is voor het al dan niet kunnen ontstaan en ook voortbestaan van dit type bos.

7. Door de bomen geen bos meer zien?

Maar het probleem zit dieper volgens de auteurs van het Kennisnetwerk ‘Ontwikkeling en Beheer Natuurkwaliteit’ (OBN). Het OBN is een onafhankelijk en innovatief platform waarin beheer, beleid en wetenschap op het gebied van natuurherstel en – beheer samenwerken; ontwikkelt en verspreidt kennis met als doel het structureel herstel en beheer van natuurkwaliteit. Het OBN Kennisnetwerk wordt gefinancierd door BIJ12 (een uitvoeringsorganisatie voor de twaalf provincies, bevoegd gezag van de Wet natuurbescherming) en het ministerie van Economische Zaken.
In de brochure “Arme bossen verdienen beter”( door Burg, A. van den, Bijlsma, R.J. & Bobbink R., 2015) wordt de zorgwekkende situatie van de bossen als gevolg van de stikstofdepositie nog eens helder onder het voetlicht gebracht:
“Bossen van het droog zandlandschap van Noordwest- Europa staan bekend als ‘arme bossen’. Het landschap waarin ze voorkomen was tot in de 20ste eeuw overwegend een heidelandschap. Op de voedselarme heide- en stuifzandbodems zijn vanaf 1900 vooral naaldbossen geplant. Inmiddels zijn in deze voormalige plantages volop kenmerken aanwezig van oudere, meer natuurlijke bossen, zoals dikke levende en dode bomen, natuurlijke verjonging van inheemse loofbomen en een gevarieerd lichtklimaat. […]
Oud bos is zeldzaam. Van het totale areaal bos (2286 km²) is er 2910 ha wat zich kwalificeert als Oude eikenbossen (waarvan 1630 ha op de Veluwe). Een ander gevoelig inheems bostype is het Beuken-eikenbos met hulst waarvan in Nederland ongeveer 12.300 ha aanwezig is (5.940 ha op de Veluwe). Van het huidige areaal bos op de Veluwe ligt 30% op een oude bosgroeiplaats en daarvan is 30% wat zich kwalificeert als habitattype. De rest is omgevormd naar naaldbos. […]
De biodiversiteit van onze droge bossen neemt toe naarmate ze ouder worden. De soortenrijkdom wordt pas goed zichtbaar als de bomen de kans krijgen op natuurlijke wijze af te takelen en te sterven. Bomen van de belangrijkste soorten in het droog zandlandschap kunnen enkele eeuwen oud worden. De aftakelings- fase wordt dus nog maar op enkele plekken bereikt in Nederland […]
De bosbodem ontwikkelt zich steeds verder naarmate het bos ouder wordt en oude bosgroeiplaatsen kennen ook een meer diverse bodemfauna in vergelijking met jonge bosbodems. Veel typische bossoorten hebben zich nog maar betrekkelijk kort geleden weten te vestigen. Zo dateert het eerste broedgeval van de zwarte specht van 1913. Dit zijn allemaal positieve ontwikkelingen voor de natuurwaarden van onze bossen.”
Maar dan keert het tij volgens de brochure:
“Recent zien we echter dat sommige diersoorten in bossen op de droge zandgronden het slecht doen. In het oog springend is de achteruitgang van roofvogels, zoals de sperwer en havik, de lage stand van rode bosmieren en van vlinderrupsen, zoals de kleine en grote wintervlinder, die normaal veel op zomereik voorkomen. Ook zijn mycorrhiza-paddenstoelen afgenomen en treedt regelmatig eikensterfte op. Voor bijna geen enkele soort is al precies ontrafelt welk samenspel van oorzaken voor de achteruitgang verantwoordelijk is.
Onderzoek dat voor een deel is uitgevoerd vanuit het OBN-Deskundigenteam Droog Zandlandschap heeft wel laten zien dat de combinatie van stikstofdepositie en nutriëntengebrek debet is aan de negatieve trend van veel soorten en ook negatieve effecten lijkt te hebben op de vitaliteit van de zomereik. Deze problematiek is al eerder beschreven voor heidegebieden en vinden we nu dus ook terug in bossen. Beheerders hebben weinig mogelijkheden om de te hoge stikstofbelasting op te lossen, maar kunnen wel de mineralen- en nutriënten- voorraad in het bos beïnvloeden en andere mitigerende ontwikkelingen aansturen.
Het bos- en heidelandschap van de droge zandgronden worden sterk beïnvloed door antropogene verzuring en vermesting. Stikstofdepositie zorgt voor een onnatuurlijk hoge toevoer van stikstof, wat een belangrijke meststof is voor planten. Dit zien we bijvoorbeeld terug in de toegenomen vergrassing van heide- en bosgebieden. Een lage beschikbaarheid van stikstof is niet alleen een beperkende factor voor de groei van planten, maar ook voor herbivoren die van de planten eten. Je zou dan ook verwachten dat de extra stikstof goed is zowel voor de groei van de bomen als de ontwikkeling van herbivorenpopulaties. Er is echter meer aan de hand…
Stikstof, maar voorheen ook zwavelhoudende luchtverontreiniging, heeft namelijk ook een verzurend effect. Verzuring, oftewel afname van de buffercapaciteit, is een langetermijnproces dat ook van nature plaatsvindt door carbonzuur of organische zuren, maar wat (zeer sterk) versneld kan worden door de toevoer van zure of verzurende stoffen uit de atmosfeer. Afhankelijk van de bodemsamenstelling kan dit complexe proces leiden tot een lagere pH, verhoogde uitspoeling van kationen (vooral calcium, magnesium of kalium), verhoogde concentraties aan toxische metalen (vooral van aluminium, bij zeer lage pH ook ijzer) en veranderingen in de verhouding tussen nitraat en ammonium in de bodem door geremde nitrificatie. Daarnaast wordt de afbraaksnelheid van organisch materiaal in de strooisellaag geremd onder zure omstandigheden, waardoor de kringloop van voedingsstoffen via het gevallen blad wordt vertraagd. Tenslotte wordt de ontwikkeling van het wortelstelsel geremd door aluminiumtoxiciteit wanneer er als gevolg van voortschrijdende verzuring ook (zeer) veel aluminium vrijkomt in het bodemvocht.
Kortom, de bomen hebben relatief veel stikstof tot hun beschikking, maar juist weinig kationen als kalium, magnesium en calcium. Maar ook micronutriënten kunnen uitgespoeld zijn, zoals mangaan. Dit zijn voor de bomen ongebruikelijke standplaatscondities, waaraan bijvoorbeeld de zomereik zich slechts ten dele lijkt te kunnen aanpassen […]
“Het droge zandlandschap omvat bossen op vooral droge, van nature voedselarme en zure standplaatsen in glaciale gebieden (stuwwallen en keileemopduikingen), dekzand- en stuifzandgebieden. Dit zandgebied strekt zich uit van de Kempen tot in de Noord-Duitse laagvlakte. De relatief vruchtbare (lemige) delen van dit landschap en de overgangen naar vochtige laagtes en beekdalen zijn grotendeels al vroeg gekoloniseerd en ontgonnen tot landbouwgrond met karakteristieke plaggenbodems. Het niet-ontgonnen (woeste) heide- en stuifzandlandschap is in de 20ste eeuw ingeplant met naaldbos. Wat nu als natuurterreinen resteert, is het minst productieve deel van het landschap, in scherp contrast met de aangrenzende hoog-productieve landbouw.
De bodems van het droog zandlandschap worden niet verjongd of vernieuwd met kalk- of basenrijk materiaal dat van elders wordt aangevoerd zoals in het rivieren- en kustgebied. De wortelzone wordt niet regelmatig aangevuld met basische kationen vanuit het grondwater en er zijn geen gradiënten en dynamiek als gevolg van overstromingen, grondwaterstromen en -fluctuaties. Het is in abiotische zin het meest statische en daardoor ten aanzien van ecologisch herstel het meest problematische landschap. Verzuring, verwering van mineralen en uitspoeling van nutriënten zijn inherent aan dit landschap.”
Dit klinkt als een aardige samenvatting over het Veluwse landschap met als enige opmerking dat het “woeste heide- en stuiflandschap” niet zou zijn ontgonnen, waarmee toch stellig de indruk wordt gewekt dat hier sprake zou zijn van uniek woest natuurlijk natuurlandschap in Nederland.
Dat is niet zo. De woeste landschappen zijn ontstaan uit een intensief verschralend landschapsbeheer wat op den duur de gronden zodanig heeft uitgemergeld dat het voor ieder landgebruik ongeschikt was geworden en daarom maar werd ingeplant met grove densoorten, waarmee ook werd voorkomen dat het stuiflandschap de complete Veluwe zou overwoekeren.
De problemen van “de arme bossen” zijn dus de volgende:
  1. Diersoorten doen het slecht, met name roofvogels, rode bosmieren en vlinderrupsen;
  2. Afname van de Mycorrhizasoorten
  3. Eikensterfte
Maar is het dan ook zo dat stikstof verantwoordelijk zou moeten zijn voor deze problemen van de “arme bossen”? In het onderstaande wil ik puntsgewijs ingaan op deze vraag.
Ad a) Diersoorten doen het slecht, met name roofvogels, rode bosmieren en vlinderrupsen
Volgens de brochure hangen deze problemen samen met de hoge stikstofdepositie omdat stikstof ook een verzurend effect heeft. De lage pH zorgt vervolgens voor:
  1. Uitspoeling nuttige mineralen;
  2. Hogere concentratie zware metalen en aantasting van het wortelstelsel door met name vrijgemaakt aluminium;
  3. Lagere omzettingen van strooisellagen en dus een vertraging van de mineralenkringloop;
Het is een gemakkelijke oplossing, maar dat in arme zandgronden problemen ontstaan met betrekking tot mineralenvoorziening, wat vervolgens funeste gevolgen heeft voor de voedselketen, hoeft natuurlijk niet te wijten te zijn aan stikstofdepositie. Dat de problemen blijkbaar van recente oorsprong zijn, wijst misschien zelfs op andere oorzaken omdat de stikstofdepositie, zoals hierboven al behandeld, de laatste jaren flink is afgenomen.
De nutriëntenbalans van de arme zandgronden komt de laatste jaren steeds vaker in het nieuws en met name het calciumgebrek, wat ook zorgt voor steeds dunnere eieren, lijkt een probleem te zijn.
Vrij algemeen wordt aangenomen dat de verzuring van de gronden hiervoor verantwoordelijk is en dat dit wordt veroorzaakt door de depositie van verzurende stikstof. Maar is dat ook zo?
Het zou voor de huidige generatie natuurbeheerders- en liefhebbers goed zijn om de klassieke natuur-literatuur er nog eens op na te slaan. In 1935 zu in de Verkade-reeks het boek “Eik en beuk” verschijnen van de hand van Jac. P. Thijsse. Om onduidelijke redenen verscheen dit boek echter niet, maar werd het vervangen door “Hans de Torenkraai” van H.E. Kuylman.
De Heimans en Thijssestichting vond het echter de moeite waard om dit boek alsnog (in 1995) te publiceren en hierin is onder meer de volgende passage te vinden:
“Het afgevallen blad vergaat heel langzaam, onder sommige omstandigheden in jaren niet en dan komt er natuurlijk een dikke laag van traag schimmelend blad en dat is heel slecht want daardoor kunnen de beukenwortels dan geen lucht genoeg krijgen… Wormen, schimmels, bacteriën vreten en vernielen de afgevallen bladeren en waar zij ontbreken ziet het er met de bosgrond slecht uit. Dikwijls gaat op dat halfvergane blad dan nog een bladmos groeien, het witmos… Soms, waar ze talrijk zijn, vloeien ze ineen en vormen dan een grote moslaag, die blijft groeien en zich naar alle kanten uitbreidt en dan over het bladerendak nog een soort van veenlaag vormt…
Als de beuken eenmaal gemengd zijn met wat ander hout, met berken, hazelaars, dan komt er wat meer leven in de brouwerij. We krijgen dan eerder een goed verzorgde bodem en als dat eenmaal de goede kant opgaat dan wordt het hoe langer hoe beter en kunnen er zowaar nog wat aardige planten groeien in het beukenwoud…”
Tachtig jaar later laat ook Landschapsecoloog H. Smeenge het verschil zien wat de specifieke vegetatie teweeg brengt in de verschillende bossen, als hij het verschil tussen het Gasterse Holt en het Schipborger Holt in het noorden van Drenthe laat zien.
“Het Gasterse Holt staat uitbundig in bloei. De bosanemoon, de bosmuur: het zijn bijzondere soorten die typisch zijn voor oude, rijke bossen”, aldus Smeenge. Een paar kilometer verderop in het Schipborger Holt is het minder florissant gesteld met de soortenrijkdom.
Het Gasterse Holt (drassig elzen- of berkenbos met veel hazelaar en op de natste plaatsen grauwe wilg) is een weelderige ondergroei te vinden. De boombladeren die in het Gasterse Holt op de grond vallen, worden direct door wormen en ander bodemleven afgebroken. De voedingstoffen worden zo in de bodem opgenomen en komen geleidelijk voor de planten ter beschikking.
In het Schipborger Holt is de bodem een stuk zuurder. “Dit bos is jarenlang geplaagd. En als er al sprake was van bosherstel, dan werden er eiken en beuken geplant. Bomen die juist een zuur strooisel produceren. Daardoor is de soortenrijkdom achteruit gegaan.”
Dat eiken– en beukenblad in feite eenzelfde rol vervullen als ongemaaid gras voor de onvoldoende beheerde natuurgebieden (en dus zorgt voor de verzuring voor een gebied) kan natuurlijk niet worden ‘bewezen’ aan de hand van twee in elkaars nabijheid gelegen natuurgebieden, waar natuurlijk niet alleen de begroeiing, maar ook hoogteligging en bodemsoort van elkaar zullen verschillen, maar het geeft natuurlijk wel een indicatie.
Maar ook bij gelijke standplaatsen is waargenomen dat de bodem onder bomen met blad dat minder lignine bevat al snel een halve pH minder zuur is dan een bodem onder beukenbos.
De zuurgraad van de bosbodem wordt duidelijk beïnvloed door de begroeiing en het bodemleven van een bosbodem. Van vers gevallen eikenblad is bekend dat de pH rond de 4,3-4,7 ligt. Normaal gesproken wordt eikenblad, door het aanwezige bodemleven, echter afgebroken tot een relatief neutrale humus. Problemen ontstaan echter als het bodemleven niet op orde is.
Dit idee lijkt zich nu ook commercieel te bewijzen. ‘De Bosgroepen’ zijn onafhankelijke coöperatieve verenigingen van en voor eigenaren van bos- en natuurterreinen. waaraan meer dan 1500 leden zijn aangesloten. Dit zijn particulieren, stichtingen, landgoederen, abdijen, zorginstellingen, natuurbeschermingsorganisaties, waterleidingmaatschappijen en overheden, zoals waterschappen en gemeenten. Samen hebben deze leden ruim 400.000 hectare bos en natuur.”
Maar het idee van een gezonde bosbodem, veroorzaakt door een verstandige boomkeuze, is hier al stevig geworteld:
“Oorspronkelijk waren er in Nederland gemengde bossen, met daarin de linde en eik dominant aanwezig. Maar ook soorten als de iep, de zoete kers en de hazelaar waren rijk vertegenwoordigd.
Door menselijk gebruik is de bodemsamenstelling door de jaren heen echter ernstig verstoord. Mensen stuurden de bossamenstelling naar meer eik en beuk, vanwege de gebruikswaarden van deze houtsoorten en de eikels en beukennootjes die als voedselbron dienden voor de zwijnen. Daarna volgde overexploitatie doordat er meer geoogst werd dan er bijgroeide. Dit veranderde de bossen uiteindelijk tot heiden en stuifzand. Bosherstel kwam er met het massaal planten van naaldbomen (productiebossen) die op hun beurt te maken kregen met depositie van zwavel en stikstof…
Het gemiddelde Nederlandse bos bestaat nu veelal uit soorten die de bodem sterk verzuren. Naaldbomen, zoals de lariks en de grove den. Maar ook de eik en de beuk doen een flinke zure duit in het zakje. Via ons reguliere beheer en de projecten die we realiseren in opdracht van de provincie Noord-Brabant en de Europese Unie, beschikken we inmiddels over een flinke dosis kennis over de bosbodem. We werken veel samen met kennisinstellingen zoals Wageningen University & Research, Hogeschool van Hall Larenstein, HAS Hogeschool, de Katholieke Universiteit Leuven en partners zoals B-ware en stichting Bargerveen. Zo hebben we een goed beeld ontwikkeld van wat er nodig en mogelijk is om de bosbodem op arme zandgronden te helpen.
Onderzoek laat namelijk zien dat het toevoegen van rijk-strooiselsoorten het verschil kan maken. Daar waar rijk-strooiselsoorten de afgelopen decennia zijn aangeplant, zien we duidelijk een minder dikke strooisellaag en juist meer organisch materiaal in de bovengrond. Dat maakt een betere vochtvoorziening en een adequate opslag van voedingsstoffen mogelijk. En dat is precies wat we willen! Achterover zitten is wat ons betreft dus geen optie, want we kunnen als beheerders en eigenaren absoluut iets doen om de bosbodems op arme zandgronden en daarmee de kwaliteit en weerbaarheid van onze bossen te verbeteren.”
Verzuring door stikstof
Tegenover deze toch relatief harde data, zien we nauwelijks bruikbare onderzoeken die de gevreesde ‘verzurende werking’ van stikstof aantonen.
Er is een grondleggende studie van de hand van W. de Vries (“Verzuring: oorzaken, effecten, kritische belastingen en monitoring van de gevolgen van ingezet beleid”, Alterra-rapport 1699), thans hoogleraar op het gebied van de milieusysteemanalyse in Wageningen. Hij bezet hier de leerstoel “Integrale stikstofeffectanalyse”, en hij is dus bij uitstek de man wie de overheid zou kunnen adviseren ten aanzien van de ammoniak-problematiek en discussie die toen al meer dan twintig jaar speelde. Zijn lijvige studie uit 2008 naar verzuring, in opdracht van het Ministerie van VROM, zou dan ook de plaats bij uitstek moeten zijn om argumenten te vinden om de huidige inzichten ten aanzien van de stikstof-verzuring te rechtvaardigen.
Hoofdstuk 2 gaat over de oorzaken van de verzuring (inclusief ontkalking) van bodems. Volgens De Vries gaat het dan om:
  • Natuurlijke verzuring door het niet gesloten zijn van de koolstofkringloop
  • Verzuring door bosgroei en afvoer van hout
  • Verzuring door zure depositie door verstoring van de zwavel en stikstofkringloop.
Maar inhoudelijk blijkt de studie een tegenvaller: “Voor zure depositie wordt een inschatting gegeven van de bijdrage in de tachtiger jaren, waarover verschillende publicaties zijn en van de huidige bijdrage op basis van de afgenomen rol van stikstof en zwaveldepositie in de verzuring.”
Voor de inschatting van het verzurings-gevaar wordt vervolgens gesteld:
“In de tachtiger jaren schatten Van Alst en Diederen (1982) de gemiddelde potentiële verzuring door atmosferische depositie op 5.8 kmol/ha/jr, met een bijdrage van 45% door SO2 en 55% door NOx en NH3… In de milieubalans van 2003 (RIVM, 2003)  is aangegeven dat de landelijk gemiddelde zure depositie in 2001 op de natuur 3000 mol/ha/jr bedroeg, waarbij de bijdrage van stikstof dominant is, namelijk 2150 mol/ha/jr. Dit komt dus neer op een bijdrage van ca 28% voor SO2 en 72% door NOx en NH3… dit leidt tot een actuele verzuring van gemiddeld ca 1.4 kmol/ha/jr.”
Op basis van een vergelijk met de overige twee posten (de spontane omzetting van CO2 naar carbonzuur en verzuring door houtkap (“stikstofhoudende ionen kunnen hierbij buiten beschouwing blijven om dat deze van nature niet in de bodem voorkomen” (?)) komt De Vries nu uit op de volgende conclusies:
“Uit de resultaten blijkt dat in de tachtiger jaren de potentiele verzuring van de bodem onder natuur voor ca. 80-90% veroorzaakt werd door zure depositie. Momenteel is dat nog ca. 65-80%.”
Dit mag toch teleurstellend genoemd worden. Een verwijzing naar een nu 38 jaar oude studie (ten tijde van het rapport van De Vries ook al meer dan 25 jaar oud), geschreven in de midden van de zure-regen panieksituatie, is blijkbaar het fundament van onze huidige natuurwetenschappelijke (en bestuurlijke) kennis op dit gebied. In de jaren tachtig werd “zure regen” gezien als feit. Onderzoek was er op gericht om dit ook aan te tonen, omdat anders geen goed onderzoek was gedaan.
Dat De Vries het noodzakelijk vond om een onderzoek wat in deze tijd werd gedaan, van toen al meer dan 25 jaar oud, te gebruiken als ‘bewijs’ voor het bestaan van stikstof-verzuring, is eigenlijk onbegrijpelijk.
De studie van De Vries benoemt zelfs niet het gegeven dat strooisel, door de uitspoeling van humuszuren, melkzuuromzettingen van glucose in gras, of lignine-of looizuurophoping in beukenblad, een ‘natuurlijke’ oorzaak voor verzuring zou kunnen zijn.
Professor W. de Vries had dus in 2008 blijkbaar geen idee hoe verzuring kon optreden als het niet door verzurende depostitie kon komen.
In deze zin kunnen we het alleen maar met de commissie Remkes eens zijn: “Het beste dat de wetenschap te bieden heeft, is voortschrijdend inzicht.”
Hoe stikstofdepositie echter hoofdverantwoordelijk zou kunnen zijn voor de verzuring in bossen en waar dit (bijvoorbeeld) het geval zou zijn, kan dus op dit moment eigenlijk niet worden beantwoord.
Ad b)     Afname van de Mycorrhizasoorten
In de Nederlandse studies wordt geschreven alsof zonder meer vaststaat dat stikstof (in welke vorm dan ook) verantwoordelijk is, voor vrijwel alle negatieve effecten die een ecosysteem parten kunnen spelen. Iets wat voor een belangrijk deel op het conto kan worden geschreven van ‘wetenschappelijke improvisatie’.
Ook fenomenen die internationaal verspreid zijn zoals Eikensterfte en de achteruitgang van de populatie rode mieren, maar waarvoor nog geen afdoende verklaring bekend is, worden in Nederland zonder meer toegeschreven aan de funeste achtergronddepositie van stikstof, echter ook zonder maar een aanzet van wetenschappelijke onderbouwing.
Er zijn hierop maar in een enkel geval uitzonderingen te benoemen, maar daar waar deze wel gegeven wordt, valt er nogal wat op af te dingen. Een fraai voorbeeld hiervan is de WUR-studie: “Functionele diversiteit mycorrhizaschimmels onder druk door stikstofdepositie”(Ozinga, 2015)
Allereerst een kleine samenvatting van de studie:
“De ectomycorrhizaschimmels spelen een belangrijke rol bij onder andere de nutriëntenkringloop, de vastlegging van koolstof en de natuurlijke regeneratie van bomen. Hoge stikstofgehaltes in de bodem leiden echter tot een sterke afname van de abundantie en diversiteit aan mycorrhizaschimmels en dit kan doorwerken in het hele ecosysteem…
In Nederland komen veel bedreigde soorten nu alleen nog maar voor in de schrale randen langs oude bospaden, lanen en wegbermen met oudere bomen. De overeenkomst tussen deze standplaatsen is de geringe ophoping van strooisel en de vaak hogere basenverzadiging van de bodem…
De hoge stikstofbeschikbaarheid leidt in plantensoorten met ligninerijk strooisel (den, eik, beuk en Bochtige Smele) tot de vorming van polyfenolstikstofcomplexen. Zodra deze stoffen in de bodem vrijkomen uit het strooisel hebben ze een sterk remmende werking op de groei van veel mycorrhizaschimmels.
Strooiselextracten van Bochtige Smele uit Nederland bleken een sterker remmend effect te hebben dan strooiselextracten afkomstig uit gebieden met een lage stikstofdepositie in Zweden. Dit impliceert dat het niet zozeer het strooisel zelf is dat het negatieve effect veroorzaakt, maar vooral de interactie met stikstof.”
Het zou een aardig bewijs kunnen zijn, maar dan had men natuurlijk wel een stapje verder moeten gaan. Was de polyfenolstikstofcomplexen-hoeveelheid in de Zweedse Bochtige Smele inderdaad lager dan die van de Nederlandse soortgenoten?
In hoezo past Bochtige Smele in het rijtje van gekende verzuurders als Den, Beuk en Eik?
Het gras Bochtige Smele groeit op voedselarme grond en het is dan ook niet duidelijk hoe heeft men geconstateerd dat de Nederlandse variant inderdaad veel meer stikstof te verwerken heeft gekregen dan de Zweedse soortgenoten. Bovendien, waarom is gekozen voor Bochtige Smele die maar zelden voor dikke ophoping van strooiselpakketten zorgt.
Het zou dan ook aardig zijn om te weten waarom juist Bochtige Smele in het rijtje is geplaatst met “Den, Beuk en Eik”. Het zal toch niet zo zijn dat een Alterra-onderzoeker op vakantie in Zweden het wel een aardig idee vond om eens wat Zweedse plukjes Bochtige Smele mee naar huis te nemen om daar wat onderzoekjes mee te doen…. Waarom zou in een dergelijk onderzoek niet voor een veel meer voor de hand liggende soort als beukenblad gekozen?
Wat is de rol van polyfenolstikstofcomplexen überhaupt nu (ondanks de blijkbaar alarmerende hoeveelheid stikstofdepositie) is gebleken dat het aantal mycorrhizaschimmels zich, anders dan jarenlang werd aangenomen, al jaren aan het herstellen is, volgens het CBS.
De eerdere alarmerende berichten waren blijkbaar te wijten aan een verkeerde manier van tellen (!):
“Nadat diverse maatregelen om de stikstofdepositie terug te dingen zijn getroffen, bleek dit in eerste instantie weinig effect te hebben: “Het Centraal Bureau voor de Statistiek meldde in 2015 zelfs nog dat de bospaddenstoelen in de periode 1994 tot 2013 achteruit bleven gaan. Maar onlangs kwam het CBS plots met veel beter nieuws, over precies dezelfde periode: de verspreiding van stikstofgevoelige bospaddenstoelen bleek juist elk jaar met vijf procent toegenomen. Hoe kan dat?
Thom Kuyper, hoogleraar bodembiologie bij Wageningen University, heeft de verklaring. Hij bekeek samen met het CBS de beschikbare gegevens over paddenstoelen opnieuw. Wat bleek, de vermeende achteruitgang van de paddenstoelen kwam door een verkeerde manier van tellen. “Als je steeds in dezelfde proefvlakken paddenstoelen telt, kan het zijn dat een bepaalde soort uit dat vlak verdwijnt, bijvoorbeeld doordat een boom ouder wordt, maar dat die soort elders opduikt. Maar je registreert alleen dat ‘ie verdwijnt.” (https://downtoearthmagazine.nl/goed-nieuws-over-het-milieu-de-bospaddenstoelen-komen-terug/)
Ad c)     Eikensterfte
In de OBN studie uit 2013 wordt stellig de indruk gewekt dat de eikensterfte een (door de Nederlandse onderzoekers) opgelost probleem is:
“In een quick-scan in 2013 gaf tachtig procent van de beheerders van eikenbossen aan dat er sprake was van eikensterfte en een derde deel van hen betitelde de sterfte als ernstig, dat wil zeggen een sterftepercentage tussen de twintig en zestig procent. De meeste meldingen kwamen uit het oosten en zuiden van het land…
Oriënterend onderzoek heeft laten zien dat verminderd vitale en afstervende eiken nu vooral op zure (of verzuurde) gronden staan. Op deze gronden lijkt door verzuring de buffercapaciteit van de bodem zover te zijn afgenomen, dat de bomen gebrek krijgen aan Ca, K en Mg en onder andere verlaagde chlorofyl-concentraties in bladeren hebben. Dit kan ook weer leiden tot een verminderde resistentie tegen stressoren, zoals droogte en schimmelaantasting. Het is nog onduidelijk hoe het web van oorzaak-gevolg interacties er precies uitziet. De problematiek van hoge stikstof- en lage nutriëntengehalten die centraal staat in deze brochure sluit aan bij de bodem- en plantchemische bevindingen in het eikensterfte-onderzoek en speelt dus waarschijnlijk ook een rol.”
In het onderzoek ‘Eikensterfte in Nederland, Onderzoek naar omvang en achtergronden’ (A. Oosterbaan et al. 2001) worden echter ten aanzien van de eikensterfte nog hele andere conclusies getrokken:
“Uit de inventarisatie van de sterfte in 122 opstanden (waarvan 10 wintereik en de rest zomereik) blijkt dat de gemiddelde totale sterfte (oude en recente sterfte samen) meevalt: in 60% van de opstanden bedraagt de totale sterfte 0-4% van het stamtal. Maar in bijna een kwart van de opstanden van zomereik werd een sterfte van wel 10-20% en incidenteel zelfs van 50% vastgesteld. De meeste gevonden dode bomen zijn echter al langer dan ca. 2 jaar dood. De sterfte van de afgelopen ca. 2 jaar is in 72% van de opstanden weinig (0-1 %) en in slechts 4% van de opstanden veel (> 4 %). Dit beeld is minder verontrustend dan algemeen gedacht wordt.
Wel is het zo dat sterfte zich concentreert in gebieden met specifieke eigenschappen en derhalve in zo’n gebied sprake kan zijn van een situatie dat de sterfte de ontwikkeling van de eikenopstanden bepaald…
de sterfte vertoont een duidelijk verband met factoren die te maken hebben met de waterhuishouding. De hoge sterftecijfers worden vrijwel zonder uitzondering gevonden op bodemprofielen waar de boomwortels constant ín de invloedsfeer staan van het grondwater (grondwaterprofielen). De gemiddelde sterftepercentages zijn het hoogst op gronden met een sterk fluctuerende grondwaterstand (Gt III en V) en op gronden met een storende laag (bijv. keileem).
Op dit soort gronden heeft extreme neerslag zoals in 1993, 1994 en 1998 tot extreem hoge grondwaterstanden in het groeiseizoen geleid, waardoor wortelsterfte opgetreden kan zijn. Hierdoor worden de bomen droogtegevoeliger, waardoor droogteperioden zoals in 1996 meer dan normale schade kan veroorzaken.”
Een update van het onderzoek van het groen kennisnet, op 15 december 2018, geeft de volgende constateringen:
“Naast de droogte en aantasting door insecten speelt ook het effect van verzurende meststoffen een rol. Door stikstofdepositie spoelen basische kationen uit de bodem waardoor de toplaag verzuurt. Een boom kan daardoor minder calcium en kalium opnemen waardoor die wegkwijnt. Daarnaast speelt die verzuring een belangrijke rol bij de verstoring van de schimmelhuishouding. Mycorrhizaschimmels die samenleven met eiken, staan dan onder druk.
Toch is verzuring niet de hoofdoorzaak voor eikensterfte. Stikstofdepositie en verzuring zou vooral een Nederlands probleem zijn, terwijl eikensterfte ook voorkomt in het buitenland en op uitgesproken basische gronden. In Nederland komt eikensterfte voor op Brabantse zandgronden met een pH-KCl van 3 tot 4, maar ook in de Noordoostpolder met een pH tussen de 6 en 7.”
De relatie met stikstof is met andere woorden zo duidelijk nog niet…

8. Het pre- advies van de De Advocaat-Generaal

Volgens informatie van het Europees Milieuagentschap had in 2010 73 % van alle Natura 2000-gebieden van de Unie te maken met een overbelasting van stikstofdepositie. Daarom zou de uitkomst van de onderhavige procedure ook voor andere lidstaten van belang kunnen zijn. De uitspraak (Engels)  kan in zijn geheel worden gevonden onder http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=204409&pageIndex=0&doclang=EN&mode=req&dir=&occ=first&part=1&cid=779068) 
Kern van de uitspraak kan worden gevonden in de overwegingen onder 71 t/m 102:
  1. Het Hof heeft vastgesteld dat de bevoegde nationale instantie bij de beoordeling volgens artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn rekening moet houden met de in het project vastgestelde beschermingsmaatregelen waarmee wordt beoogd de eventuele schadelijke gevolgen die rechtstreeks uit dit project voortvloeien, te voorkomen of te verminderen, teneinde ervoor te zorgen dat het betrokken project de natuurlijke kenmerken van dat gebied niet aantast.(31)
  2. Daarentegen kunnen de beschermingsmaatregelen die in een project worden opgenomen om de schadelijke gevolgen van dit project voor een Natura 2000-gebied te compenseren, bij de door artikel 6, lid 3, opgelegde beoordeling van de gevolgen van dit project niet in aanmerking worden genomen.(32)
  3. Maatregelen die er niet toe strekken, de significante negatieve gevolgen die voor dit habitattype rechtstreeks uit een project voortvloeien, te voorkomen of te verminderen, maar beogen deze gevolgen nadien te compenseren, zijn namelijk geen beschermingsmaatregelen die garanderen dat het project de natuurlijke kenmerken van dit gebied niet zal aantasten in de zin van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn.(33)
  4. Dit onderscheid tussen schade beperkende maatregelen die in het kader van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn kunnen worden genomen, en compenserende maatregelen, waarvoor dat niet geldt, stemt overeen met het in artikel 191, lid 2, VWEU neergelegde beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden.(34) Deze doelstelling ligt, evenals het voorzorgsbeginsel, ten grondslag aan het milieubeleid van de Unie en daarmee ook aan de habitatrichtlijn. In artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn komt dat bijzonder duidelijk tot uitdrukking, aangezien de beoordeling erop is gericht, schadelijke gevolgen van het te onderzoeken plan of project te inventariseren en te voorkomen. Het betrokken project wordt dus als mogelijke bron van milieuaantastingen onderzocht.
  5. Artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn voorziet echter niet in de mogelijkheid de door een plan of project aan beschermingszones veroorzaakte schade te compenseren.(35) Dat zou ook duidelijk niet verenigbaar zijn met het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden.
  6. Daarnaast wijst het Hof terecht op de moeilijkheid om de effecten van in de toekomst te realiseren compenserende maatregelen met de nodige zekerheid te beoordelen(36) alsook op het risico van omzeiling van artikel 6, lid 4, van de habitatrichtlijn, dat uitdrukkelijk voorziet in compenserende maatregelen in de vorm van maatregelen om de samenhang van Natura 2000 te waarborgen, die echter met andere verplichtingen worden gecombineerd.(37)
  7. Denemarken stelt terecht dat de beoordeling van de gevolgen voor een gebied volledig moet zijn. Alleen al om die reden moeten daarin vanzelfsprekend ook alle factoren worden betrokken die niet direct aan het project zijn gerelateerd, maar die de impact van het project op de beschermingszone kunnen beïnvloeden. Niet voor niets heeft artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn betrekking op plannen en projecten die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor een beschermingszone.
  8. In geval van toepassing van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn bestaat er echter een wezenlijk verschil tussen maatregelen die op de onderzochte bron van de aantasting zijn gericht, en andere maatregelen. Wanneer door beperking van de schade de door het onderzochte project veroorzaakte aantasting wegvalt of niet meer significant is, kunnen de bevoegde instanties volgens artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn toestemming geven voor het project. Andere maatregelen, die geen effect hebben op de onderzochte bron, laten de door het project veroorzaakte aantasting echter voortbestaan. De positieve gevolgen van deze andere maatregelen mogen vooral niet zomaar als compensatie voor de aantasting door het onderzochte project in aanmerking worden genomen.
  9. Dergelijke maatregelen kunnen een project in de zin van artikel 6, lid 3, alleen mogelijk maken wanneer zij de totale belasting van de beschermingszone dan wel de gevoeligheid van het gebied voor aantasting in zoverre verminderen dat de gevolgen van het onderzochte project de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet aantasten. Wanneer de nadelige gevolgen als geheel afnemen, maar de natuurlijke kenmerken van de betreffende beschermingszones desondanks nog steeds worden aangetast, staat artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn in elk geval geen extra soortgelijke aantastingen toe.
  10. Het voorbeeld van de stikstofdepositie illustreert dit: het volstaat niet de stikstofdepositie met een bepaalde hoeveelheid, bijvoorbeeld 1 kg N/ha/jr, te verminderen om extra depositie in dezelfde omvang te mogen toestaan, indien de beschermde habitat als geheel nog steeds te zwaar met stikstof wordt belast. Extra depositie kan alleen worden toegestaan wanneer de totale belasting, met inbegrip van de nieuwe depositie, zo gering is dat zij de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet aantast.
  11. Overigens zij eraan herinnerd dat de lidstaten ook al los van de toestemming voor een nieuw project volgens artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn verplicht zijn, de noodzakelijke maatregelen te treffen om bestaande aantastingen van beschermingszones, zoals overbelasting met stikstofdepositie, weg te nemen.(38)
  12. In de prejudiciële verzoeken genoemde „bronmaatregelen”
  13. Uit de verzoeken om een prejudiciële beslissing blijkt dat de vijfde vraag in zaak C 293/17 en de derde vraag in zaak C 294/17 betrekking hebben op bronmaatregelen, zoals maatregelen die de stikstofemissies uit stallen van andere bedrijven verminderen. Dergelijke voorschriften moeten in de regel bij veranderingen of uitbreidingen van agrarische bedrijven in acht worden genomen.
  14. De beoordeling volgens artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn in de hoofdgedingen heeft echter geen betrekking op deze bronnen, maar op andere bronnen. Vermindering van de emissie uit deze andere stikstofbronnen voorkomt noch reduceert de depositie die door het betrokken onderzochte bedrijf wordt veroorzaakt. Een dergelijke emissievermindering kan dus bij de verlening van een vergunning aan een agrarisch bedrijf overeenkomstig artikel 6, lid 3, niet gelden als compensatie voor de stikstofemissie van dat bedrijf, zelfs niet voor een deel.
  15. Alleen wanneer met zulke op andere bronnen gerichte maatregelen de stikstofdepositie in de betrokken beschermingszone zo ver onder de voor de betreffende habitats vastgestelde waarden zakt dat voldoende ruimte voor extra stikstofdepositie ontstaat, dus dat de totale belasting beantwoordt aan de norm zoals die hierboven is uiteengezet(39), kan deze extra depositie volgens artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn worden toegestaan.
  16. Maatregelen in de beschermingszones
  17. De door de Raad van State in de zevende vraag in zaak C 293/17 en in de vijfde vraag in zaak C 294/17 genoemde maatregelen in de beschermingszones kunnen evenmin als geïntegreerde schade beperkende beschermingsmaatregelen worden aangemerkt.
  18. De Raad van State verklaart dat volgens zijn nationale rechtspraak herstelmaatregelen in de beschermingszones die specifiek met het oog op de uitvoering van een plan of project en naast het bestaande beheer worden getroffen, als schade beperkende maatregelen moeten worden beschouwd wanneer zij gericht zijn op het voorkomen of verminderen van de gevolgen ter plaatse voor beschermde habitats die negatieve gevolgen van het plan of project zouden ondervinden als de maatregel niet zou worden getroffen. Ook daarbij gaat het volgens de Raad van State om de verzachting van rechtstreekse gevolgen van het project.(40)
  19. De maatregelen in de beschermingszones hebben echter evenmin invloed op de bron van de te onderzoeken stikstofdepositie, maar alleen op de plaats waar de depositie zich voordoet. Daarnaast kan de depositie als gevolg van het onderzochte project met deze maatregelen niet worden voorkomen, maar in het gunstigste geval achteraf worden weggewerkt. In de regel beïnvloeden die maatregelen echter niet specifiek de stikstofdepositie als gevolg van het betrokken project, maar zonder onderscheid deposities uit heel verschillende bronnen.
  20. Anders dan de Raad van State meent, leidt het arrest Moorburg niet tot een andere uitkomst. Daarin onderzocht het Hof of een vistrap in de beoordeling kan worden betrokken om vast te stellen dat de dood van vissen als gevolg van de koeling van een krachtcentrale de natuurlijke kenmerken van gebieden niet aantast.(41) Deze hypothese berust op het idee dat door het visverlies bij de centrale weliswaar minder vissen de beschermingszones bereiken om zich daar voort te planten, maar dat dit nadeel door de vistrap in elk geval wordt gecompenseerd, omdat door deze maatregel meer vissen de gebieden kunnen bereiken.
  21. Het Hof heeft in die zaak geen uitspraak gedaan over de vraag of deze compensatie als schade beperkende maatregel kan worden beschouwd, maar heeft alleen vastgesteld dat de voordelen van de vistrap ten tijde van het verlenen van de vergunning aan de centrale nog niet aanwezig waren en ook nog niet konden worden aangetoond. Alleen al op grond daarvan kon het Hof tot het oordeel komen dat bij de verlening van de vergunning artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn was geschonden, zonder definitief uitspraak te moeten doen op de vraag of een dergelijke maatregel überhaupt bij de toepassing van deze bepaling in aanmerking mag worden genomen.
  22. Nederland voert evenwel aan dat op grond van dergelijke maatregelen meer stikstof in de beschermingszones kan worden gedeponeerd zonder dat de beschermde habitats worden aangetast. Maatregelen met een dergelijk effect lijken inderdaad te bestaan. De literatuur noemt in dat verband frequent maaien met verwijdering van het snijdsel, afbranden van de vegetatie, vernatting van veengebieden en verwijdering van grond met een hoge stikstofbelasting.(42) De gekozen maatregelen – inclusief de eventuele nadelen ervan(43) – moeten door de nationale rechterlijke instanties in het concrete geval worden beoordeeld.
  23. Voor het geval dat daaruit zou blijken dat door dergelijke maatregelen daadwerkelijk ruimte voor extra stikstofdepositie ontstaat, dus dat de maximale belastbaarheid daardoor dermate wordt verhoogd dat de totale belasting daaronder blijft, die ruimte voor nieuwe plannen en projecten beschikbaar kunnen worden gesteld.
  24. Toekomstige ontwikkelingen
  25. Een gemeenschappelijk kenmerk van alle tot nu toe besproken niet-projectgebonden maatregelen is dat de effecten ervan nog niet vaststaan, maar vaak pas in de toekomst worden verwacht. De Raad van State wenst derhalve met de vragen 5a en 7a in zaak C 293/17 en de vragen 3a en 5a in zaak C 294/17 te vernemen, in hoeverre dit temporele aspect voor de beoordeling van deze maatregelen van belang is, en of toekomstige ontwikkelingen in aanmerking kunnen worden genomen wanneer de maatregelen worden gemonitord en eventueel worden bijgestuurd. Met de zesde vraag in zaak C 293/17 en de vierde vraag in zaak C 294/14 wordt dezelfde problematiek aan de orde gesteld met betrekking tot de inaanmerkingneming van de verwachte algemene daling van de stikstofemissie.
  26. Bijgevolg moet worden verduidelijkt of het mogelijk is toestemming te verlenen voor een project op grond van de overweging dat maatregelen bij de bron en in de betrokken gebieden die in het kader van het PAS worden uitgevoerd, alsook de daling van stikstofemissies om andere redenen in de toekomst ruimte vrijmaken voor extra stikstofdepositie, hoewel daarover nog geen zekerheid bestaat.
  27. Op het tijdstip waarop toestemming voor een project wordt verleend, mag echter wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel meer bestaan dat er geen schadelijke gevolgen zijn voor de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied.(44) Het zal uiteraard zeer moeilijk zijn om in het geval van toekomstige maatregelen en ontwikkelingen aan dit criterium te voldoen, zowel wat de doeltreffendheid van de maatregelen betreft als ter zake van de zekerheid dat de maatregelen en ontwikkelingen überhaupt plaatsvinden.
  28. Ook vanwege deze onvermijdelijke onzekerheid heeft het Hof geweigerd de positieve gevolgen van nieuwe habitats die nog moeten worden gecreëerd, bij de beoordeling volgens artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn te betrekken.(45) Ook het monitoren van de maatregelen en de mogelijkheid om deze bij te sturen volstonden volgens het Hof niet.(46)
  29. Voor het PAS moet hetzelfde gelden.
  30. Op het eerste gezicht lijkt deze conclusie in tegenspraak te zijn met het prognosticerende karakter van de beoordeling van de gevolgen voor een gebied volgens artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn.(47) De beoordeling van de toekomstige gevolgen van een plan of project kan echter noodzakelijkerwijs slechts leiden tot een prognose. Het is daarentegen niet nodig zich op de onzekerheid van prognoses te beroepen wanneer men los van het project maatregelen neemt om de voorwaarden te creëren die ervoor moeten zorgen dat de nadelige gevolgen van het project de natuurlijke kenmerken van de betrokken beschermingszones niet aantasten.
  31. Tussenconclusie
  32. Derhalve dient op de vragen 5 tot en met 7a in zaak C 293/17 en de vragen 3 tot en met 5a in zaak C 294/17 te worden geantwoord dat
–        maatregelen ter vermindering van stikstofdepositie uit andere bronnen,
–        herstelmaatregelen ter versterking van stikstofgevoelige habitattypen in de betrokken gebieden en
–        de autonome daling van stikstofemissies
extra stikstofdepositie in beschermingszones alleen dan met artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn in overeenstemming kunnen brengen wanneer op het tijdstip waarop toestemming wordt verleend, al definitief vaststaat dat de totale belasting van het gebied door stikstofdepositie onder de grenswaarde blijft vanaf welke sprake is van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied. Voor het toestaan van extra stikstofdepositie volstaat het echter niet dat de totale depositie weliswaar afneemt, maar de betrokken oppervlakten desondanks nog steeds met te veel stikstof worden belast. Loutere prognoses met betrekking tot de toekomstige gevolgen van de genoemde maatregelen en de verwachte daling van stikstofemissies mogen bij de verlening van toestemming voor extra stikstofdepositie niet in aanmerking worden genomen.”
Maar andere belangrijke overwegingen zijn te vinden in overwegingen 103 t/m 110 ten aanzien van de drempelwaarde voor ammoniakdepositie:
“103.     Zoals al is gezegd, is een beoordeling van de gevolgen niet nodig wanneer op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat een plan of project afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen heeft voor beschermingszones.(49) Het is echter niet toegestaan, bepaalde categorieën projecten daaraan te onttrekken op basis van criteria die niet kunnen waarborgen dat deze projecten geen significante gevolgen kunnen hebben voor beschermingszones.(50) Maatstaf voor deze beoordeling kan, zoals bij het geven van toestemming voor een beoordeeld plan of project, alleen het ontbreken van redelijke wetenschappelijke twijfel zijn.
  1. De vaststelling van drempel- of grenswaarden voor de noodzaak van het verlenen van een vergunning die op haar beurt een voorwaarde is voor het uitvoeren van een passende beoordeling, is dus alleen verenigbaar met artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn, wanneer op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat stikstofdepositie onder deze waarden afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor beschermingszones.(51)
  2. Projecten die minder dan de drempelwaarde van 0,05 mol N/ha/jr of de grenswaarde van 0,05 tot 1 mol N/ha/jr aan de stikstofdepositie in beschermingszones bijdragen, worden door het PAS uitgezonderd van de vergunningplicht. Het is denkbaar dat deze waarden voldoende wetenschappelijk zijn gefundeerd om elke redelijke wetenschappelijke twijfel weg te nemen dat extra stikstofdepositie in deze omvang geen significante gevolgen kan hebben voor beschermingszones.
  3. Daarvoor pleit op het eerste gezicht dat deze waarden slechts een fractie zijn van de „critical loads” van habitattypen die bijzonder gevoelig zijn voor stikstof: 0,017 % en 0,23 % van de belastbaarheidsgrens van 6 kg N/ha/jr voor oligotrofe stilstaande wateren in het laag- en heuvelland met vegetatie behorend tot de klasse Littorelletalia uniflorae (Natura 2000 code 3110) en 0,01 % en 0,2 % van de belastbaarheidsgrens van 7 kg N/ha/jr voor actieve hoogvenen (Natura 2000 code 7110). Voor de meeste andere habitattypen liggen de „critical loads” voor een deel aanmerkelijk hoger.(52)
  4. Daarnaast voorziet artikel 2, lid 3, van het Nederlandse Besluit grenswaarden programmatische aanpak zelfs in een automatische verlaging van de grenswaarde van 0,05 à 1 mol N/ha/jr naar 0,05 mol N/ha/jr, wanneer voor betrokken stikstofgevoelige oppervlakten nog slechts 5 % van de depositieruimte beschikbaar is. Deze regeling voorkomt het risico van cumulatie van stikstofdepositie uit een groot aantal op zichzelf gezien onbeduidende bronnen, de zogenoemde „dood door 1000 sneden”.(53)
  5. Het Duitse Bundesverwaltungsgericht is echter duidelijk minder streng bij het vaststellen van een de-minimumdrempel voor stikstofdepositie. Onder vakgeleerden zou er namelijk consensus over bestaan dat in het geval van een zeer hoge belasting van de betrokken habitats een extra belasting van niet meer dan 3 % van de „critical load” onmogelijk kan leiden tot significante veranderingen in de feitelijke staat of tot een significante beperking van het herstel van een gunstige staat.(54) Of deze vaststelling van de Duitse rechtspraak alles bij elkaar genomen verenigbaar is met artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn, hoeft hier niet te worden uitgemaakt. De uitspraak vormt echter eveneens een aanwijzing dat in elk geval de duidelijk lagere Nederlandse drempel- en grenswaarden wetenschappelijk gefundeerd kunnen zijn. (dit is overigens een verkeerde vertaling; de uit het Engels vertaalde zin luidt: “It is nevertheless a further indication that in any case the much lower Netherlands threshold values and limit values can be scientifically justified.”)
  6. Los van deze aanwijzingen dient de bevoegde nationale rechter te beoordelen of voor de Nederlandse drempel- en grenswaarden inderdaad met voldoende zekerheid kan worden aangetoond dat de nadelige gevolgen niet significant zijn.
  7. Bijgevolg dient op de eerste vraag in zaak C‑294/17 te worden geantwoord dat artikel 6, leden 2 en 3, van de habitatrichtlijn niet in de weg staat aan een wettelijke regeling die ertoe strekt, projecten en andere handelingen die stikstofdepositie veroorzaken die een drempel- of grenswaarde niet overschrijdt, van de vergunningplicht uit te zonderen en zonder individuele vergunning toe te staan, wanneer op grond van objectieve gegevens vanuit wetenschappelijk oogpunt geen redelijke twijfel bestaat dat deze stikstofdepositie geen significante gevolgen zal hebben voor de betrokken beschermingszone.”
In het licht van het bovenstaande zijn de conclusies van de commissie Remkes in haar rapport “Niet alles kan” ook te hard:
“Juristen zijn de maatschappelijke ‘verkeersregelaars’. In een democratisch land dat zo intensief wordt gebruikt, zouden op basis van politieke afwegingen alle belangen zorgvuldig geborgd moeten zijn, in het ontstaan van wet- en regelgeving en in de uitvoeringspraktijk. Het PAS is met goede intenties tot stand gekomen, en was gericht op het herstellen van Natura 2000-gebieden en het bieden van ruimte voor economische ontwikkelingen.
Naast deze goede intenties zijn er vanaf het begin ook grote zorgen geweest, onder andere bij natuurorganisaties, over de vraag of met het PAS het natuurherstel wel voldoende was gewaarborgd, en of de aanpak juridisch houdbaar was in het licht van de verplichtingen uit de Habitatrichtlijn.
Op 17 mei 2017 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie over de verenigbaarheid van het PAS met de Habitatrichtlijn. Met het arrest van het Hof van Justitie van 7 november 2018 werd duidelijk dat het PAS op een aantal – cruciale – punten niet aansloot bij de verplichtingen uit de Habitatrichtlijn. Het Adviescollege heeft de indruk dat de waarschuwing, die uitging van de inhoud van het arrest van het Hof, aanvankelijk geen weerslag heeft gekregen in acties van de overheid. De overheid lijkt zich te hebben laten ‘overvallen’ door het uiteindelijke oordeel van de Raad van State over het PAS. Dat leidde na deze uitspraak van de ene op de andere dag tot een hoge urgentie.
Particuliere initiatiefnemers en overheden verkeren sinds de uitspraak van de Raad van State in grote onzekerheid over hun eigen rechtspositie. Er is onduidelijkheid of vergunningen kunnen worden verkregen, terwijl activiteiten op basis van het PAS reeds worden verricht. Er is discussie over hoe onherroepelijk een onherroepelijke vergunning nu eigenlijk is. Verder is het de vraag wie de ontstane schade moet vergoeden.”
De zaak wordt hier wel erg eenzijdig belicht. De uitgangspunten van de PAS, waarover Kokott inderdaad strenge woorden heeft gesproken, hebben immers weinig of niets uit te staan met de doorgevoerde verlaging van de ‘minimumdrempel voor stikstofdepositie’. Het grootste probleem voor de vergunningverlening.
Dat de ambtenaren van het Ministerie hierdoor totaal verrast waren, mag eigenlijk niet verbazen. Gesuggereerd is wel dat vergunningverlening in het kader van de Wet natuurbescherming nu weer terug is op hetzelfde (dode) spoor van vóór het PAS. Het lijkt mij dat zelfs dat niet juist is, met dank aan Aerius en de extreem lage drempelwaarde. Geconstateerd kan worden dat bedrijven die een afname van stikstof op de dichtstbijzijnde gebieden hebben, nu plots kunnen worden belemmerd door natura 2000-gebieden die op veel grotere afstand (binnen het grondgebied van Nederland en daarbuiten) van het bedrijf zijn gelegen.