Sikstofverdieping

Er is een nauwe relatie tussen de huidige stikstofcrisis en de zure regen die de milieubeweging in de jaren tachtig bewoog tot het maken van de hiernaast afgebeelde actie-posters. Om de huidige ‘stikstof-crisis’ te kunnen begrijpen is het waarschijnlijk verhelderend te kunnen zien hoe deze voorloper van de crisis überhaupt ontstond en waarom de zure regen thematiek langzaam verdween van de voorpagina’s.
Een belangrijk verschil met de ‘zure regen-crisis’ is natuurlijk dat nu juist de zgn. ‘droge depositie ‘ van stikstof als belangrijkste probleem wordt gezien. Het gevaar van stikstof wordt nu gezien als bedreiging voor de Nederlandse natuur die vermest en verzuurd raakt door teveel stikstof in de lucht, die kan worden opgenomen door planten en dan juist door die planten die we het minst graag zien zoals braam, brandnetel en saaie grassen.
Dit alles is vastgesteld in jaren van onderzoek, waarbij bleek dat de verschillende habitats zich alleen konden ontwikkelen als  bepaalde kritische waarden stikstof in de buitenlucht niet worden overschreden.
De kritische depositie waarden (KDW) zijn eigenlijk nog een erfenis van de ‘zure regen’. Maar deze bleken ook perfect geschikt om in de huidige (zich eigenlijk alleen in Nederland afspelende) stikstofcrisis, weer te worden opgepoetst om als toetsingswaarde een belangrijke rol te spelen. Ook om de omvang van het probleem in kaart te kunnen brengen. Maar hierover bestaat ook wel twijfel.
Zijn de oude KDW’s hiervoor eigenlijk wel geschikt? Ook al omdat er blijkbaar nog oude toetsingsproeven (met een afdak boven de vegetatie om de ‘zure regen’ af te kunnen vangen) werden gedaan om deze te bepalen.
Daarnaast, en wat natuurlijk veel belangrijker is; klopt de hoogte van deze waarden überhaupt wel, wanneer recente natuurontwikkelingsprojecten prima resultaten laten zien, terwijl dat volgens de KDW’s eigenlijk onmogelijk zou zijn.
Maar dat is meer iets voor de onderliggende pagina: “Stikstof summary For Policymakers” (zie link). Normaal gesproken bij het IPCC een gekleurde samenvatting van onderzoeksresultaten, maar hier de ontwikkelingsgang van een juridisch spoor. Waarom policymakers niet inzetten op die gebieden waar ze ook echt verstand van hebben?

De zure regen crisis

De verwikkelingen aan beide kanten van de Atlantische oceaan over 'zure regen'

En toch is ammoniak schadelijk (Ceterum censeo Carthaginem esse delendam )

Het was dan misschien niet zozeer de verzurende werking, maar er waren nog veel andere zaken waarom ammoniak een bedreiging was voor de natuur

De verschillende habitats

Een (veel) uitgebreider omschrijving van de verschillende habitats die gevoelig zijn voor stikstof; en de oorzaken van deze gevoeligheid; of soms de relativiteit van de KDW-en

Door de bomen geen bos meer zien?

De 'arme' bossen; over wat er allemaal mis is met de bossen en waarom de hypothese stikstofdepositie misschien niet de beste oplossing is voor alle problemen

De zure regen crisis

Het onderwerp verzuring staat dankzij de stikstofcrisis weer volop in de belangstelling.
Voor een goed begrip van de verschillen tussen de huidige problematiek en die van de jaren tachtig, lijkt het van belang om de gang van zaken rondom de zure-regen problematiek na te gaan, alsook de redenen voor de relatieve stilte die daarop volgde. 

Stop de zure regen

“Wie in de regen loopt, solliciteert in feite naar een toupetje” en “als het zo door gaat, brandt de regen gaten in je kleren”, volgens de Noord-Hollandse provincieambtenaar Arend Vermeulen eind jaren zeventig van de vorige eeuw. Hij deed onderzoek naar het verband tussen zwaveldioxide en zure regen.
Uit Scandinavië waren in 1967 (Svante Odén) de eerste berichten de wereld ingestuurd over verzuurde meren met massa’s dode vissen. Volgens Odén moest de oorzaak van deze verzuring worden gezocht in de grootschalige luchtverontreiniging die op dat moment plaatsvond en die op zijn beurt zorgde voor ‘zure regen’.
Nu waren berichten over zure regen en negatieve effecten voor het milieu al langer punt van zorg geweest, maar nieuw was wel dat bij de berichten van Odén gebruik was gemaakt van het grootschalig Europees meetnet naar de samenstelling van neerslag, wat in 1956 in werking was getreden. Erger was nog dat Odén uit de resultaten van dit meetnet af kon leiden dat de zuurgraad (pH) van dit regenwater steeds lager (=zuurder) werd.
Het was op dat moment niet moeilijk om de hoofdschuldige van deze verzuring aan te wijzen. De grote energiecentrales stookten op grote schaal zwavelhoudende steen- en bruinkool, die zorgden voor een flinke zwaveldioxide uitstoot.
Bekend was dat zwaveldioxide in een vochtige lucht vrij gemakkelijk kon reageren met stikstofoxiden en ozon, wat leidt tot de vorming van zwaveltrioxide. Deze zwaveltrioxide reageert heftig met water  wat leidt tot de vorming van zwavelzuur. 
Dat luchtverontreiniging kon leiden tot schade aan bomen, bossen en vegetatie was al lang bekend.
Dat de luchtverontreiniging, die leidde tot de verzuring van de Scandinavische meren, kon worden veroorzaakt door luchtverontreiniging van de industrie van Londen, de Nederlandse Randstad en het Duitse Ruhrgebied, zoals uit het nieuwe onderzoek bleek, was ook nieuw, maar inderdaad theoretisch heel goed voorstelbaar.
Omdat er (niet helemaal uit de lucht gegrepen) twijfels waren over de kwaliteit van de meetgegevens van het grootschalige meetnet, waarvan Odén zijn gegevens betrok, besloot de voorloper van de Europese Gemeenschap tot een nieuw en veel uitgebreider onderzoek naar de zure regen (het OECD-onderzoek) in 1972.
Door Noorwegen werd in datzelfde jaar ook nog een aanvullend onderzoek uitgevoerd. Een onderzoek naar de effecten van luchtverontreiniging was nog nooit vertoond. Pas vier jaar later konden alle onderzoeksgegevens worden gepresenteerd op het eerste internationale symposium (1976) naar de invloed van verzuring op bossen, in Columbus, Ohio.
In de Noorse bijdrage op dit symposium wordt o.a. gewezen op het feit dat al vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw verzuring een groot probleem was voor de Scandinavische meren, wat heeft geleid tot een algeheel verdwijnen van de visstand in verzuurde meren. Geconcludeerd wordt dan ook: 
“Fish are eliminated from lakes and rivers because of gradual increases in acidity that cause interference with reproduction and spawning. Sudden drops in pH, especially during snowmelt cause severe physiological stress and often death in fish. The tolerance of fish to both long-term and short-term changes in acidity is species dependent.
Acid precipitation has affected large areas of Norway. These adverse effects are occurring over greater geographical areas with both increasing frequency and severity. The source of the pollutants is industrial Europe, and since the prognosis is for a continued increase in fossil-fuel combustion, the situation will continue to deteriorate.
The short-term effects of the increasing acidity of freshwater ecosystems involve interference at every trophic level. The long-term impacts may be quite drastic indeed.”
Drie jaar later sloeg de mediagenieke Duitse bodemkundige Bernhard Ulrich groot alarm over “das Waldsterben”. In een cover-story van ‘Der Spiegel’ (november 1981) zorgde hij voor landelijke opwinding over dit thema. Onder meer vertelde Ulrich hierin dat hij verwachtte dat de eerste Duitse bossen over niet meer dan vijf jaar zouden gaan afsterven: “Die ersten großen Wälder werden schon in den nächsten fünf Jahren sterben. Sie sind nicht mehr zu retten.”. Gedurende de jaren tachtig werd Ulrich, volgens Wikipedia: “de meest prominente en meest gezochte wetenschapper over de ‘zure regen-problematiek’.”
Volgens Ulrich dreigden duizenden hectares bos in Europa te verdwijnen. De Duitse media sloegen hierop alarm: “Saurer Regen über Deutschland. Der Wald stirbt”, volgens der SPIEGEL. “Über allen Wipfeln ist Gift”, schreef de “Stern”. Terwijl de “Zeit” als commentaar gaf: “Am Ausmaß des Waldsterbens könnte heute nicht einmal der ungläubige Thomas zweifeln.”
De optredende grootschalige schadesymptomen in bossen werden omschreven als ‘neuartig’. Hiermee werd aangegeven dat de schadebeelden afweken van die van vroeger en dat er bovendien geen verklaring voorhanden was. De boodschap was dat het waargenomen ‘Waldsterben’ voortvloeide uit door de mens veroorzaakte luchtverontreiniging.
De boomsterfte was vooral zichtbaar in de “Zwarte Driehoek”, het grensgebied van Duitsland, Polen en Tsjechoslowakije. Die regio leek één groot bomenkerkhof. Ulrich, nooit bang om flink uit te pakken liet weten: ‘Wir stehen vor einem ökologisch Hiroshima’.
De stikstof-fixatie van de Nederlandse onderzoekers
De zure regen-discussie in Nederland begon vrij laat. Het was pas nadat in West Duitsland een aantal alarmerende artikelen in grote tijdschriften waren verschenen, dat ook in Nederland vragen gesteld werden over hoe de situatie er nu eigenlijk in ons land uitzag. Over de eerste stappen die Nederland zette in het zure regen debat geeft Buijsman, voormalig medewerker van het Planbureau voor de leefomgeving, een paar aardige doorkijkjes:
“In 1979 verscheen het SO2 Beleidskaderplan. Dit plan was het eerste voorbeeld van beleidsvoornemens op het terrein van de luchtverontreiniging op nationaal niveau. Het ging echter vooral over de luchtkwaliteit, hoewel de milieueffecten van zure regen en de rol van zwaveldioxide daarin ook terloops werden aangestipt: ‘Ook de adsorptie van SO2 aan het aardoppervlak draagt bij aan deze verzuring. Het betreft hier complexe verschijnselen die in verschillende landen worden bestudeerd. Kwalitatief zijn de verschijnselen te beschrijven, de getalsmatig uitwerking hiervan is nog moeilijk’ (…)
Lange tijd was de overheersende opinie in Nederland dat de emissie van zwaveldioxide wel maar die van stikstofoxiden niet van invloed was [op het ontstaan van zure regen. Dat veranderde begin jaren tachtig]. In mei 1982 vond in Maastricht het NOx-symposium plaats; een groots opgezet Amerikaans-Nederlands symposium in de statige zalen van het oude Gouvernement. Maar ook hier was de zure regen in de lezingen nog steeds geen serieus onderwerp. (…)In de marge van het symposium werd daarentegen door de wetenschappers wel al heel wat afgepraat over zure depositie – en niet zo zeer over zure regen – en ook over de rol van ammoniak daarin.
Ook waren ten tijde van dit symposium de eerste resultaten van de berekening van de ammoniakemissie in Nederland al bekend (Buijsman, 1983).
Het standpunt van een aantal Nederlandse wetenschappers dat, gezien de omvang van de ammoniakemissies in Nederland, ammoniak een grote bijdrage zou kunnen leveren aan de zure depositie in Nederland werkte echter ‘vooral bij de Amerikaanse collega’s danig op de lachspieren’.” 
En eerlijk is eerlijk; het verhaal is ook een beetje moeilijk te volgen. Wanneer de wetenschappelijke wereld er net uit is dat ammoniak er, als base, juist voor zorgt dat de zuurgraad van de regen nog enigszins binnen de perken blijft (zie o.a. Lovelock, 1979), dan kan deze omkering van de logica door de Nederlanders  op zijn minst wat ‘verrassend’ heten.
Maar, zo vertelt Buijsman verder: “Ruim een jaar later was de situatie echter drastisch veranderd. Een publicatie van een aantal Nederlandse onderzoekers in Nature had in Nederland een schokgolf veroorzaakt (Van Breemen et al., 1982). Wat al langer werd vermoed, konden de onderzoekers bevestigen: ammoniak droeg in Nederland bij aan de verzuring.”
Het artikel van Van Breemen (1982) (voluit: Breemen, N. van, P.A. Burrough, E.J. Velthorst, H.F. van Dobben, T. de Wit, T.B. Ridder & H.F.R. Reijnders (1982) ‘Soil acidification from atmospheric ammonium sulphate in forest canopy throughfall’, Nature 299: 548-550) wordt in vrijwel alle Nederlandse publicaties over de verzuringsproblematiek als game-changer beschouwd. Het artikel zelf is momenteel alleen nog verkrijgbaar achter een betaalmuur, maar het mag een prestatie van formaat heten dat een artikel van drie bladzijden blijkbaar (volgens de Nederlandse onderzoekers) zo’n opzien baarde.
De andere kant van de oceaan
De studies in Europa zorgden ook voor een verhoogde Canadese bezorgdheid over zure regen. Een aantal onderzoeken, halverwege de jaren zeventig, had laten zien dat Canadese meren ook werden verzuurd, in het platteland ten noorden van Toronto, honderden kilometers verwijderd van de bekende smelterij Inco. Meteorologisch onderzoek liet echter zien dat de zuurgraad van neerslag, die in het oosten van Canada viel, niet alleen te wijten was aan binnenlandse bronnen als de Sudbury-smelterij.
Geconcludeerd werd dat (net als in Europa) het transport van verontreinigende stoffen over lange afstand een belangrijk onderdeel was van het verzuringsprobleem in Canada. Berekend werd dat tenminste 50 procent van de Canadese verzuring afkomstig was vanuit de Verenigde Staten.
De gecombineerde boodschap van deze onderzoeken was duidelijk: Canada had een ernstig en wijdverbreid milieuprobleem, dat zowel binnenlands, als ook internationaal was.
Problematisch omdat werd becijferd dat de schade aan natuur en commerciële bosbouw aanzienlijk was, maar misschien vooral omdat er ook een aanzienlijk verschil was in acceptatie van de verzuringsproblematiek tussen Canada en de Verenigde Staten. Daar waar in Canada een groot deel van de bevolking bekend was met de verzuringsproblematiek, was dit zeker niet het geval in de Verenigde Staten.
Zure regen verscheen eind jaren zeventig op de Canadees – Amerikaanse politieke agenda. Maar geheel onverwacht werd het een van de meest netelige onderwerpen in de betrekkingen tussen beide landen in de jaren die zouden volgen. De Canadese milieuminister LeBlanc was de eerste die het onderwerp benoemde, tijdens zijn speech aan de Air Pollution Control Association (1977): “Despite all cooperation that exists between Canada and the United States, I believe that we have both been negligent in this area. What we have allowed to happen, innocently enough, perhaps is a massive international exchange of air pollutants, and neither party to this exchange is free of guilt.”
Het ging volgens hem om een “environmental timebomb”.
De diplomatieke bom barste evenwel pas toen de Amerikaanse regering bezwaren gingen maken tegen de milieuverontreiniging die twee Canadese energie centrales zouden veroorzaken op Amerikaans grondgebied. De onrust die hierop ontstond leidde ertoe dat op 5 augustus 1980 een Memorandum door de regeringen van Amerika en Canada zou worden ondertekend, met daarin de niet mis te verstande boodschap dat beide landen zouden zorgen voor een: “common determination to combat transboundary air pollution.”
Tegelijkertijd werd het National Acid Precipitation Assessment Program (NAPAP)  door het Congres geïnitieerd. Een nationaal onderzoeksprogramma naar de “zure regen-problematiek” wat zich in de komende jaren zou ontwikkelen als het duurste milieu-onderzoek ooit. Het omvatte onder meer een mandaat voor een tien-jaren plan voor onderzoek en monitoring van zure neerslag.
– Deze erkenning van het probleem van de luchtverontreiniging heeft ongetwijfeld ook het zelfbewustzijn van de Europese onderzoekers gesterkt en de media attent gemaakt op het bestaan van het probleem, wat dus weer leidde tot de hierboven beschreven Duitse ophef in november 1981.-
De opvolger van ondertekenaar van het memorandum, president Carter, was Ronald Reagan, die minder overtuigd bleek van de noodzaak tot verreikende (en kostbare) stappen aangaande de zure regen. Terwijl de Canadese frustratie inmiddels hoog opliep was de nieuwe regering onder president Reagan van mening dat veel meer onderzoek nodig was, voordat een bepaalde effectieve strategie zou kunnen worden gekozen. In de eerste ontmoeting tussen president Reagan en de toen nieuw gekozen Minister president van Canada, Brian Mulroney, maart 1985, werd de zaak van de zure regen top-prioriteit van de bilaterale agenda.
Besloten werd om twee speciale gezanten (de Canadees William Davis en Amerikaan Drew Lewis) aan te wijzen, om het probleem te onderzoeken. Het door hen op te stellen rapport zou bij de volgende jaarlijkse ontmoeting worden besproken.
Het onderzoek van de speciale gezanten sprak vervolgens klare taal. Geconcludeerd werd dat zure regen inderdaad een serieus milieuprobleem was en stelde voor om een 5 miljard kostend programma door te voeren, om te komen tot effectieve aanpak van het probleem.
Het onderzoek werd goedgekeurd door zowel Mulroney als Reagan tijdens het overleg in 1986, waarbij de wens werd uitgesproken om op korte termijn te komen tot een bilateraal luchtverontreinigings-protocol.
Januari 1987 werd door Reagan een budget voorstel gedaan aan het Congres, om de lucht tussen Canada en de Verenigde Staten definitief te klaren, maar het Congres vond dit allemaal duidelijk te ver gaan. Onder luid Canadees protest verdween het voorstel in een diepe lade.
Had het Congres voorkennis gehad? In september 1987 werd (eindelijk) het interim onderzoeksverslag van het  NAPAP onderzoeksprogramma afgerond. Het programma koste in totaal 537 miljoen dollar en bood inderdaad verrassende nieuwe inzichten. In 1990 werd het onderzoek gepubliceerd en kon de buitenwereld zich er een mening over vormen.

Andere inzichten over verzuring

De kwestie van de verzuring bleek, volgens het NAPAP veel ingewikkelder in elkaar te steken dan vooraf was voorzien. Uit de onderzoeken, die in het kader van dit programma waren uitgevoerd, bleek dat de zuurgraad van een meer, minstens zo afhankelijk was van de lokale bodemgesteldheid én de vegetatie die hierop groeide, dan van de zuurgraad van de neerslag, welke afwatert op dit meer.
Van veel meren die in de jaren tachtig zodanig ernstig verzuurden dat hierin geen vis meer kon leven, bleek dat in het verre verleden, voordat boskap de verzurende vegetatie van hun omgeving had gedecimeerd, ook geen vissen hadden geleefd. Natuurbescherming had tot wederopleving van de bossen geleid, maar daarmee ook van de verzurende invloed die de bossen hadden op het leven in de meren. De natuur had gezorgd voor verzuring. En dat was nu juist niet de boodschap waarop Canada en de milieubeweging zaten te wachten.
Maart 1988 gaf Mulroney in een speech in New York te kennen dat hij deze studie enkel zag als Amerikaanse vertragingstactiek: “We are told in the face of overwhelming scientific evidence to the contrary, that the issue of acid rain needs more study. All of this is to avoid action. America must do its part. Friendship has inescapable costs.”
De publicatie van het NAPAP rapport in 1990, zorgde dan ook voor veel tumult. Gesteld werd dat de zure regen geen invloed had gehad op de bossen, noch de op landbouwgewassen van Canada of de VS. Ook was er geen gevaar voor menselijke gezondheid door zure regen. Geconcludeerd werd dat zure regen op slechts enkele meren een negatieve invloed had gehad, maar dit zou eenvoudig kunnen worden opgelost door bekalking van deze meren. Kortom, zure regen was vervelend, maar zeker geen ramp, of ecologische tijdbom.
Een aantal landen, waaronder Nederland, weigerden botweg de resultaten van het duurste milieuonderzoek ooit, serieus te nemen. In de Nationale milieuverkenning 2 uit 1991, waarin de Nederlandse overheidsstrategie ten aanzien van de belangrijkste milieu speerpunten werd uiteengezet, werd hierover het volgende opgemerkt:
“De algemene teneur van de NAPAP-resultaten is dat er weinig of geen schade aan het Amerikaanse milieu wordt toegebracht door verzurende stoffen. Van Canadese zijde is hier verontwaardigd gereageerd. Ook in wetenschappelijke kring is met verbazing gereageerd tijdens de internationale review van het onderzoek. Belangrijke punten van kritiek waren:
– Het onderzoek is te veel gericht op zwaveldioxide. Stikstof (met name ammoniak) heeft zeer weinig aandacht gekregen;
– Er is niet gekeken naar de effecten van stressverhoging op ecosystemen door verzuring;
– Er is alleen gekeken naar zichtbare schade en reductie van productiviteit en niet naar veranderingen in en effecten op ecosystemen;
– Er is weinig aandacht besteed aan processen in de bodem en veranderingen in de nutriëntenhuishouding als gevolg van zure depositie;
– Onderzoek naar de effecten van de zure depositie op de stikstofcyclus ontbrak.”
De studie werd vervolgens op één lijn gezet met het véél bescheidener Noorse overheidsonderzoek naar zure regen, het HAPRO onderzoek, waarin de negatieve milieueffecten van zure regen nog wel nadrukkelijk aan de orde werden gesteld.
Wat er wél in het NAPAP stond en waarom men tot de conclusie kwam dat het allemaal wel meeviel met de schade door zure regen, wordt vervolgens niet toegelicht in onze Nationale Milieuverkenning.
Echter, ook in West Duitsland begonnen sceptische artikelen te verschijnen ten aanzien van de claims die Ulrich aan het begin van de jaren tachtig over ‘het Waldsterben’ had gedaan. De Duitse bossen begonnen zich te herstellen van de schade die in het begin van de jaren tachtig zichtbaar was geweest, wat natuurlijk niet paste binnen de ‘Waldsterben-hypothese’. Het afsterven van coniferen, wat had geleid tot de ‘zure regen-paniek’, kon bovendien ook worden verklaard door het optreden van de recent ontdekte ziekteverwekker Phytophthora cinnamomi.
Een aantal onderzoeksresultaten paste bovendien helemaal niet in de zure regen-hypothese. Zo werd gevonden dat de vitaliteit van de bossen op de zure podzol-gronden veel beter was dan die van de goed gebufferde kalkrijke gronden, wat natuurlijk helemaal niet kon worden verklaard door de theorie van Ullrich. Ook werd experimenteel vastgesteld dat bekalking van zure gronden eerder negatief uitwerkte op de vitaliteit van ‘rode spar’- coniferen (Picea rubens). Die volgens de Amerikaanse NAPAP onderzoeken nu juist de belangrijkste slachtoffers waren van de ‘zure regen’.
Wat kon ‘het waldsterben’ dan verklaren?
Bosch et al. (1986) zijn uiteindelijk het spoor bijster: “„Immer wieder werden neue Theorien über die Ursachen und Teilursachen des Waldsterbens publiziert. Die Komplexität des Waldökosystems, das synergistische Zusammenwirken einzelner Faktoren, die Vermischung und Überlagerung primärer Schadwirkungen mit Sekundäreffekten lassen auf der einen Seite eine Fülle von möglichen Hypothesen zu, erschweren aber auf der anderen Seite die wissenschaftliche Überprüfung der einzelnen Behauptungen.“
De verzuchting van drie onderzoekers van de Freiburger Forstlichen Versuchs- und Forschungsanstalt kwam nadat zij vruchteloos de hypothese hadden beproefd of de straling van kernenerge-centrales verantwoordelijk zou kunnen zijn voor het afsterven van de bossen.
Scäfer (20112) borduurt hierop voort: “Tatsächlich schlugen Wissenschaftler und Laien zahlreiche Hypothesen vor, die das Waldsterben erklären sollten. Der Großteil der wissenschaftlichen Bemühungen konzentrierte sich auf die Wirkung der Luftschadstoffe SO2, von Stickstoffoxiden und Photooxidantien wie Ozon, wobei auch innerhalb dieses Mainstrems verschiedene Wirkungspfade postuliert werden konnten, etwa über den Luftpfad oder über den Bodenpfad. Daneben brachten Wissenschaftler aber auch weitere Schadstoffe wie Triäthylblei oder Dinitrophenole ins Gespräch. Auch die Auswirkungen von Radar, Mikrowellen und radioaktiver Strahlung oder von Flugzeugabgasen wurden diskutiert. Andere Wissenschaftler beschäftigten sich mit biotischen Faktoren wie Pilzen, Bakterien, Viren und Mykoplasmen. Wieder andere thematisierten die Rolle der Witterung, den Nährstoffmangel des Bodens oder waldbauliche Fehler.”
Aan dit indrukwekkende lijstje ontbreekt natuurlijk de ammoniak-theorie van Van Breemen; de crux van de grote omslag in het denken over ammoniak (volgens Buijsman) was dat het basische ammonium door de zuurgraad van het regenwater wordt omgezet in ammonium, wat vervolgens door bodemorganismen weer wordt omgezet in nitraat (nitrificatie). Bij deze omzettingen komen waterstof-ionen vrij (H+). 
Nu was voordien aangenomen dat de nitrificerende bacteriën alleen bij hogere pH’s (tussen 7 en 8) hun werk deden, maar Van Breemen maakte aannemelijk dat dit niet het geval was. Met een grote omweg was ammoniak dus wel degelijk verzurend, aldus Van Breemen.
Met recht kan dus ook de vraag gesteld worden (en de vraag is door de Nederlandse onderzoekers ook regelmatig gesteld) waarom het internationale onderzoek deze Nederlandse bevindingen, op een enkele uitzondering na, grotendeels verwaarloosde.
Deze vraag wordt overigens wel beantwoord door Kandler in zijn weerlegging van de zure regen hypothese (1990):
“Nitrogen input by the deposition of NOx and ammonia are frequently claimed to cause better growth, but they are said to cause the deterioration of the soils and death of forests in the long term (e.g. Nihlgard, 1985; Hofmann, Heinsdorf and Krauss, 1990). However, with the exception of studies in the close vicinity of stables for mass production of farm animals, few reliable data on the actual effects of nitrogen deposition in forests are available.
An increase in the nitrogen content of spruce needles and in topsoil, a typical effect of nitrogen fertilization, was observed in pollution gradients close to agricultural point sources of ammonia (Hofmann, Heinsdorf and Krauss, 1990). Yet, no increase in the nitrogen content of needles and topsoils and no enhanced growth have been shown in the vicinity of point sources of NOx, such as power plants or large towns. Actually, in large forest areas of central Europe, where there are annual deposition rates of 10 to 20 kg of nitrogen per hectare, the nutritional status of conifer forests has been found to be still suboptimal (Zöttl, 1990).” 
De Nederlandse onderzoekers zijn inderdaad wel erg snel voorbij gegaan aan het feit dat in Hackfort, waar Nico van Breemen tot zijn opzienbarende ontdekking kwam, de stikstofdepositie wel erg hoog was: “In Hackfort is in bos een zure depositie van 64 kg stikstof (N) per ha per jaar gemeten. Dit betekent dat het bos tegenwoordig meer stikstof ontvangt dan het cultuurland omstreeks 1950 uit kunstmest kreeg.”(de Poel, 1992) 
Ook het gegeven dat experimenteel onderzoek steeds uitwees dat de belangrijkste nitrificerende bacteriën inderdaad in belangrijke mate verstek laten gaan bij hogere zuurgraden (lagere pH dan 4) heeft nauwelijks geleid tot nader onderzoek naar welke micro-organismen dan verantwoordelijk zouden kunnen zijn voor de bevindingen van Van Breemen.
Dat eigenlijk geen enkel land ammoniak als oorzaak voor de zure depositie serieus nam (zo ook in het Noordse HAPRO-onderzoek wat in het NMV2 nog welwillend wordt beschreven), wordt de Nederlandse politici niet verteld. Deze waren immers zeer tevreden over hun eigen inspanningen.
In mei 1984 was er een eerste belangrijk debat tussen de Kamercommissie voor Milieu en de ministers Winsemius (Milieu) en Braks (Landbouw) over de zure regen. Geheel in lijn met de internationale ontwikkelingen volgden drastische stappen. De uitstoot van zwaveldioxide in Nederland kon 70 % minder. Stikstofoxide moest met 30% terug en ten aanzien van de ammoniakuitstoot moest in 2000 een reductie van 50% gehaald worden.
In 1985 volgde een grootscheepse campagne onder het motto; “Stop zure regen”. TV-spotjes, paginagrote advertenties in de dagbladen en ook straataffiches moesten het publiek bewust maken van de gevaren van zure regen. De ludieke vondst van Minister Braks van landbouw: “Tot de schijt ons doodt”, werd een soort van leidmotief van deze campagne. 
En er kwam goed nieuws. Onderzoek in de jaren negentig uitgevoerd naar de groei van de bossen, door middel van een vergelijk van boomringen, liet zien dat er inderdaad een forse groeireductie was geweest in de droge jaren zeventig van de vorige eeuw, terwijl de groei juist herstelde in “de zure jaren tachtig”.
Dit veranderde het perspectief van bos-onderzoek aanmerkelijk. In plaats van de vraag: “Waarom sterven de bossen?” werd nu de vraag gesteld: “Waarom groeien de bossen in de tweede helft van de twintigste eeuw harder dan in de eerste helft?” (Kandler, 1990)
Dit alles kon volgens Kandler maar één ding betekenen, samengevat in de titel van zijn artikel: “The air pollution/forest decline connection: The “Waldsterben” theory refuted”: “Waldsterben may be understood as a problem of awareness: forest conditions that were believed to be “normal” in earlier times suddenly became a symbol of the growing fear of the destructive potential of human activities on the environment. However, holistic concepts such as the Waldsterben hypothesis are of little help in solving problems. Rather they raise emotions and lead to premature conclusions.
To gain a real understanding of the multitude of decline phenomena in our forests, we must continue to analyze symptom by symptom, species by species and site by site, according to the classical principles of phytopathology and forest science in general.”
De Nederlandse politici trokken hele andere conclusies. De werderopleving van de bossen in de jaren negentig, werd al vrij snel aan hun eigen beleidsinspanningen toegeschreven. De succesvolle (internationale) aanpak van de zwaveluitstoot door de zware industrie van Oost-Europa werd hiervoor grotendeels verantwoordelijk gehouden. Oud minister Winsemius laat dan ook optekenen dat in vergelijk met de klimaatcrisis: “Bij de aanpak van zure regen een relatief klein schroefje aangedraaid [moest] worden”.
Ook Ulrich zelf meende dat zijn oorspronkelijke theorie, in het licht van al dit onderzoek niet langer houdbaar was. In 1995 kwam zijn opmerkelijke bekentenis:
“The null hypothesis (no effects of air pollutants on forest ecosystems) can be considered to be falsified. Forest ecosystems are in transition. The current state of knowledge is not sufficient to define precisely the final state that will be reached, given continuously changing environmental conditions and human impacts. The hypothesis, however, of large-scale forest dieback in the near future is not backed by data and can be discarded.”
In het licht van zoveel onzekerheden kwam het “Waldsterben-debat” in Duitsland halverwege de jaren 1990 sputterend tot stilstand. En zelfs in Nederland kwam er wat  twijfel op. Buijsman (2010), hoofdauteur van het PBL, maar ook niet te verlegen om zijn eigen visie naar voren te brengen, schrijft onder eigen titel:
“Zure regen is een milieuprobleem dat zijn oorzaak vindt in zure bestanddelen in de atmosfeer die van antropogene herkomst zijn. Deze bestanddelen, zwaveldioxide en stikstofoxiden, kunnen in de atmosfeer omgezet worden in zwavelzuur respectievelijk salpeterzuur. Komen deze zuren in de neerslag terecht, dan hebben we zure regen.
Zo simpel en begrijpelijk werd het probleem in de jaren zeventig en tachtig uitgelegd. Daar werd dan voor de duidelijkheid meestal een referentie naast gelegd: de zuurgraad of pH-waarde van natuurlijk regenwater. Zo kon iedereen onmiddellijk de ernst van het probleem inzien. Het was dan ook lange tijd gebruikelijk om te goochelen met pH-schalen om zodoende het probleem inzichtelijk te maken. De zuurgraad van de neerslag leek dus een mooie indicator om de ernst van een milieuprobleem mee aan te geven: hoe zuurder (of hoe lager de pH-waarde), hoe ernstiger het probleem (…)
Aan alle kanten werd hier, bewust of onbewust, een loopje met de waarheid genomen. Bewust, omdat het anders allemaal te moeilijk was om uit te leggen.
Maar misschien ook onbewust, uit gemakzucht of luiheid. Al in 1938 publiceerde een Duitse onderzoeker namelijk in een artikel de resultaten van regenwateronderzoek waaruit bleek dat voor min of meer natuurlijke regen een pH-waarde van 4 niet ongebruikelijk was (Ernst, 1958). Men zou kunnen beweren dat het om een publicatie ging in een tijdschrift, Der Balneologe, dat zeker niet door iedereen werd gelezen.

Dat kan toch echter niet gezegd worden van het boek van de Duitser Junge: “Air chemistry and radioactivity” (Junge, 1963) dat in die tijd (en nog lang daarna) als het standaardwerk op het terrein van de atmosferische chemie werd beschouwd. De auteur toonde aan dat de pH-waarde van natuurlijk regenwater binnen een groot traject kon vallen. De gebruikelijke benadering was vaak om alleen rekening te houden met atmosferisch koolstofdioxide. Koolstofdioxide lost een beetje in regenwater op. Als we een evenwichtstoestand veronderstellen kan met zuurconstantes eenvoudig de pH-waarde van het regenwater worden berekend. Dat betekent een pH-waarde van 5,6.
Junge wees er echter op dat in de atmosfeer ook van nature ammoniak en zwaveldioxide kunnen voorkomen. En ook deze stoffen hebben invloed op de pH-waarde van regenwater.
Andere onderzoekers deden het later nog eens dunnetjes over in een artikel in 1982 waarin ze berekenden dat de pH-waarde van natuurlijke neerslag, afhankelijk van de omstandigheden, ergens in het pH-traject 4-8 kon liggen (Charlson & Rodhe, 1982).” 
Met zoveel onzekerheden was geen theorie meer overeind te houden. 
De Duitse controverse leidde in ieder geval ook nog tot een effectieve Europese aanpak van de industriële verontreiniging. Zo zou de schade die lokaal optrad in de bossen van de Ertsgebergte en die van de Harz, te herleiden zijn tot de SO2 emissies van slechts een tweetal mijnen (Eger vallei en Bitterfeld). Met het saneren van deze twee mijnwerken en een resolute aanpak van de zwavel en ook stikstof dioxide emissies van het Rurgebied werd de Duitse lucht in ieder geval een stuk schoner. Ook dit zal, zeker plaatselijk, een rol gespeeld hebben bij het herleven van de Duitse bossen.
 Maar er blijft natuurlijk wel een belangrijke vraag liggen. Waarom is men niet aan de slag gegaan met het wetenschappelijke materiaal wat was verzameld over de zure regen, toen de maatschappelijke aandacht een nieuwe focus kreeg (klimaatverandering)? 

Verlichtend onderzoek

Het wetenschappelijke materiaal wat voor de grote omslag had gezorgd bleef dus onderbelicht. De vele miljoenen die destijds aan wetenschappelijk onderzoek naar de zure regenproblematiek werden besteed hadden beter verdiend. Vooral ook omdat ontwikkelingen binnen de planten-sociologie voor een breder publiek beschikbaar kwamen. 
Het belang van soorten voor de aard van een ecosysteem wordt breed gedeeld. Er zijn overbekende voorbeelden van soorten die bepalend zijn voor een bepaald ecosysteem, zoals het veenmos voor de ontwikkeling van veengebieden, wat in zijn ontwikkeling het leven van andere planten zo goed als onmogelijk maakt, of dat van de (langzaam groeiende) heideplant die stikstof immobiliseert door deze vast te leggen in moeilijk beschikbare organische verbindingen, om daarmee de groeikansen van het concurrerende pijpestrootje ernstig te reduceren (wat ook de reden is van de noodzaak om heidevelden regelmatig te plaggen, het gaat uiteraard mis als er door de jaren heen teveel stikstof in de bodem wordt vastgelegd).
Ook andere organismen dan planten spelen een rol bij het beïnvloeden van de omgeving. Paré en Berier vonden in hun studie naar de beschikbaarheid van fosfaat in Esdoorn-opstanden dat het een belangrijk verschil maakte of er voldoende dieren waren om de bodem regelmatig door te spitten. Bij een meer uniformere verdeling van fosfaat kon het beschikbare fosfaat gemakkelijk binden met ijzer en aluminium tot een voor de bomen niet opneembare vorm. Wanneer de organische stof niet in contact kwam met de minerale bodem, vond er een veel hogere doorstroming van fosfaat plaats. Een hoge aardworm-populatie was hierdoor funest voor de groeisnelheid van de Esdoorn.
De voor de zure regen-discussie zo belangrijke ontdekking dat bossen de zuurgraad van de bodem veranderen is in een aantal artikelen uitgebreid aan de orde gesteld. In het artikel van Finzi, Canham en Van Breemen (dé ontdekker van de ammoniak-verzuring van Nederland) uit 1998 kon de conclusie worden getrokken dat de bodem pH onder boom opstanden daalde on de volgorde: Suiker esdoorn (Acer saccharum), Amerikaanse es (Fraxinus americana), Rode esdoorn (Acer rubrum), Amerikaanse beuk (Fagus grandifolia), Amerikaanse eik (Quercus rubra), Canadese hemlockspar (Tsuga canadensis).
Reich et al. (2005) vonden in een meerjarig (30 jaar) experiment een duidelijke correlatie tussen het calcium gehalte van het bladstrooisel van een specifieke boomsoort en de langjarige pH-ontwikkeling van de ondergrond van de verschillende boomsoorten. Sommige boomsoorten zorgden op de langere termijn voor verzuring, maar andere soorten zorgden ook voor stijging van de pH van de bodem:
“Tree species rich in calcium were associated with increased native earthworm abundance and diversity, as well as increased soil pH, exchangeable calcium, per cent base saturation and forest floor turnover rate.”
C. Giardina gaat in zijn onderzoek (1998) in op de vraag waarom bomen bodems beïnvloeden: “some authors have suggested that species characteristic of high nutrient sites should produce high quality litter that fosters high rates of nutrient recycling and species from low nutrient sites should produce recalcitrant litter that retards nutrient recycling (cf. Hobbie 1992; van Breemen 1995).”
Op basis van al dit onderzoek mag de conclusie worden getrokken dat boomsoorten die het goed doen op ‘arme grond’, actief zorgen voor verzuring en daarmee:
a) voorzien in hun eigen behoeften en die van het ecosysteem waarvan zij deel uitmaken. In arme gronden zijn de beschikbare kationen goed gebufferd vastgelegd in complexe chemische verbindingen (organisch of anorganisch). Uitscheiding van zuren door de wortels van bomen is dan de manier om deze voedingstoffen vrij te maken. Calcium spoelt dan uit, maar komt daarmee ook beschikbaar voor eigen gebruik.
De van nature aanwezige beuken in de bossen van mosselkalkgebergte van midden-Duitsland hebben uiteraard problemen om aan fosfaten te geraken die goed worden gebonden door het in het kalkgsteente aanwezige calcium, maar zorgen door de verzurende werking van het bladstrooisel ook voor een rijke floristische ondergroei. Deze ontbreekt volledig als beuken de bossen van de zandgronden van Nederland gaan domineren (waar zij oorspronkelijk niet ‘thuishoren’) en hier zorgen voor verzuring.
Verbetering van de conditie van deze ‘verzuurders’, door overvloedige ‘bemesting’ met stikstof, zal de activiteit van deze bomen verhogen, wat zal leiden tot extra uitstoot van zuren en dus (een geringe) extra-verzuring van de bodem.
b) voorkomen dat ‘goede groeiers’ met veel calcium in het blad, uiteindelijk zullen zorgen voor uitputting van de gronden waarop zij van nature voorkomen. Een soortgelijke strategie wordt overigens toegepast door bomen met veel lignine in het blad (zoals beuken), wat ook zorgt voor verzuring.
Daarnaast bleek achteraf dat veel van de verzuring die in het tijdperk van de ‘zure regen-hype’ werd toegeschreven aan de effecten van zure regen, gelet op de hoeveelheid zuur die door de neerslag wordt meegevoerd, afgezet tegen de hoeveelheid organische zuren, die van nature al in een bos aanwezig is, nooit zijn veroorzaakt door deze zure depositie.

Waarom ammoniak tóch schadelijk is

De nieuwe ‘stikstofcrisis’ in Nederland kan misschien ook worden gezien als de intellectuele wraak van de Nederlandse wetenschappers. Aan de hand van een vrij aannemelijk schema kan worden gezien dat de hoge concentraties stikstof in de atmosfeer wel degelijk kunnen zorgen voor een significante toename van ammonium (een zuur)  in de nabijheid van ‘verzurende vegetatie’.
De de in de atmosfeer aanwezige base ammoniak kan dus worden opgenomen door de plant, wordt daar geïmmobiliseerd door oplossing van de stof in water, waar het overgaat in de stof ammonium, die vervolgens als grondstof voor aminozuren wordt gebruikt. Een overmaat ammoniak zorgt dan voor een overmaat ammonium, waar de plant zo snel mogelijk vanaf moet, omdat de stof in de plant als gif werkt. De doorvalproeven in coniferenbossen hebben laten zien dat coniferen er in ieder geval geen moeite mee hebben om het het in water opgeloste ammonium (een zuur) te lozen.
En inderdaad had men door een aanpassing van de vegetatie hier iets aan kunnen doen, maar dat is dus duidelijk niet gebeurd.
Maar het is niet in eerste instantie de verzuring als gevolg van ammoniak die tot de nieuwe crisis had geleid. Feit is dat ammoniak, door zijn rol in de ‘zure regenproblematiek’ en ook door de grote investeringen die in Nederland (met name door de agrarische sector) waren gedaan om emissie van de stof tegen te gaan, in het middelpunt van belangstelling bleef staan.
Het is duidelijk dat de overheid hierbij op twee gedachtes bleef hinken. Dit wordt duidelijk uitgewerkt in het rapport “Ammoniak: de feiten” uit 1995, opgesteld in aanvulling op de eindrapportage van het verzuringsonderzoek in het kader van het Additioneel Programma Verzuringsonderzoek (APV) (derde en laatste fase). Dat het hier een eindrapport betreft laat al wel zien dat de beleidsmakers eigenlijk al wisten dat  het niet zo’n vaart liep met de verzuringsproblematiek.
Dit wordt wel nogal omzichtig geformuleerd: 
“Hoewel de potentieel verzurende depositie bijna voor de helft uit ammoniak bestaat, is de feitelijke bijdrage aan de verzuring nog beperkt. Uit onderzoek blijkt dat bossen en heideterreinen op dit moment nog  80% van de stikstof kunnen vasthouden. Dit neemt niet weg dat er ondertussen toch nitraat kan uitspoelen. Bij een toekomstige stikstofverzadiging van de bodem zal de bijdrage van stikstof, en dus die van ammoniak aan de bodemverzuring toenemen. Stikstofverbindingen zijn momenteel verantwoordelijk voor ongeveer eenderde van de actuele bodemverzuring: hiervan is 75% afkomstig van ammoniak. De andere twee derde wordt veroorzaakt door de depositie van zwavelverbindingen.”
Ik hoop dat u het begrijpt. Deze samenvatting hangt immers aan elkaar van losse zinnen eigenlijk zonder enig verband neergeschreven. De feitelijke bijdrage aan de (volgens de toen meest recente wetenschappelijke inzichten: op dat moment niet bestaande) verzuring, is beperkt, en van die verzuring is toch eenderde afkomstig van stikstof en daarvan is weer 75% afkomstig van ammoniak (totaal dus 25%?). Maar bij een toekomstige stikstofverzadiging van de bodem (?) zal de bijdrage van ammoniak aan de verzuring toenemen? (dit is geschreven terwijl de rest van de wereld de verzuringshypothese al had laten varen)
Maar er was nu ook een ander indirect effect volgens “de feiten”:
“Een overmaat aan stikstof leidt tot eutrofiëring. In veel ecosystemen is stikstof de beperkende factor. Als stikstof wordt toegediend, dan vertaalt dat in eerste instantie in forse groei van de bovengrondse plantedelen. Deze worden hierdoor wel gevoeliger voor aantasting door insecten en schimmelziekten. Het wortelstelsel blijft in verhouding klein waardoor de plant (boom) gevoeliger wordt voor droogte en vorst. Bovendien zijn bomen door dit kleine wortelstelsel minder goed bestand tegen storm.
Na de stimulans van bovengrondse groei leidt een overmaat aan stikstof tot een tekort aan andere voedingsstoffen en water. En dat tekort verergert, doordat de verzuring leidt tot uitspoeling en belemmering van opname van voldoende voedingsstoffen uit de bodem.”
De focus komt vanaf nu dus veel meer te liggen op vermesting (eutrofiëring) van de natuur. De voorheen aangewezen natuurgebieden met de titel “Verzuringsgevoelig gebied”, werden beschermd door de wet tegen stikstofdepositie. Maar deze gebieden werden nu uitgebreid met zgn. “Schraallanden”, natuurgebieden die niet op “voor verzuring gevoelige gronden”  hoefden te liggen, maar waarvan de natuur verondersteld werd gevoelig te zijn voor de effecten van de bemestende waarde van stikstof.
De ontspanning op het terrein van de verzuring komt nu ook tot uiting in de regelgeving van Nederland. Al in 1987 werd de eerste ecologische richtlijn (de Richtlijn ammoniak en veehouderij) van kracht (al snel opgevolgd door de tweede ecologische richtlijn van 1991, die weer werd opgevolgd door de Interimwet ammoniak en veehouderij, die uiteindelijk in de definitieve vorm werd gegoten in de vorm van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav). In de tussenliggende tijd werd de vergunningverlening door jurisprudentie regelmatig onmogelijk gemaakt (en het is best mogelijk dat ik nog wat stappen ben vergeten).
Maar om de door de jaren heen gerezen onzekerheden een einde te maken wordt in de nieuwe Wet bepaald dat alleen op de wijze die de Wav voorschrijft, de gevolgen van ammoniakemissie uit stallen op “zeer kwetsbare gebieden” getoetst mogen worden. De toetsingscriteria in de Wav zijn eigenlijk redelijk beperkt. Alleen agrarische bedrijven die op een afstand van  minder dan 500 meter (later 250 meter) “zeer kwetsbare gebieden” lagen konden nog met beperkingen te maken krijgen.
Maar de Wav uit 2002 ging nog uit van “voor verzuring gevoelige gebieden”. Een foutje bleek later, met grote gevolgen…
Rond het jaar 2000 zijn de, met de toepasselijke naam, natura 2000 gebieden aangewezen. Een verplichting voortvloeiend uit de Europese vogel en habitatrichtlijn. Maar “ter uitvoering van de Vogel- en Habitatrichtlijn” stelt de Natuurbeschermingswet 1998 een vergunning van de  provincie verplicht voor activiteiten in of nabij een Natura 2000 gebied, als er kans is op negatieve effecten op dat gebied door die activiteit.
Door de wijziging van de Wet natuurbescherming worden nu dus opeens  Natura 2000-gebieden beschermd tegen “schadelijke projecten”.
Omdat de aanwijzing van deze gebieden  “op geheel andere gronden plaatsvindt”  dan die van de voor verzuring gevoelige gebieden, wordt de Wav ineens een vrij betekenisloos document. De Natura 2000-gebieden vallen immers goeddeels samen met de “zeer kwetsbare gebieden” van de Wav, en hoe moet nu worden aangetoond dat er geen kans is op negatieve effecten op dat gebied door een activiteit?
Vanaf  2004 (2 jaar na de vaststelling van de Wav) vernietigde de Raad van State vergunningen voor (ook marginale) bedrijfsuitbreidingen, omdat “niet kon worden uitgesloten dat de ammoniakemissie significante gevolgen kon hebben voor het nabijgelegen Natura 2000-gebied”. Omdat de (berekende) achtergronddepositie van ammoniak in Nederland vrijwel overal hoger lag dan de kritische depositiewaarden van de natuurgebieden, bleek iedere toename van ammoniak op een natuurgebied reden om de aanvraag te weigeren.
Dus ook met de mogelijke ‘vergissing’ ten aanzien van de verzuringshypothese, bleef ammoniak dus de belangrijkste aandachts-stof voor de Nederlandse regelgeving.
Op 22 mei 2007 werd door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het “Toetsingskader ammoniak rondom Natura 2000 gebieden” aangeboden aan de Voorzitter van de Tweede Kamer. Het toetsingskader was vastgesteld in overleg tussen het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, het Interprovinciaal Overleg en de Land- en Tuinbouworganisatie Nederland. Dit toetsingskader was bedoeld voor relatief geringe uitbreidingen van agrarische bedrijven weer mogelijk te maken, maar vond in de ogen van de Raad van State geen genade. Al op 24 september 2008 (casus ECLI:NL:RVS:2008:BF2165) werd aangegeven dat deze mogelijkheid voor uitbreidingen niet zou worden geaccepteerd.
Deze weigering werd het beginpunt voor een lange zoektocht naar een mogelijk compromis, wat werd gevonden in de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS), die vanaf juni 2015 werd ingezet met als doel de vastgelopen vergunningverlening in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 weer vlot te trekken. De PAS moest er voor zorgen dat er in en rond de Natura 2000-gebieden weer ruimte zou komen voor economische ontwikkeling, terwijl tegelijkertijd zeker zou worden  gesteld dat de natuurkwaliteit in die gebieden behouden blijft of waar nodig beter zou worden. Toch werd deze mogelijkheid tot ontwikkeling duur gekocht. Stikstofdepositie moest vanaf nu worden berekend met het “Aerius-rekenmodel” wat in combinatie met de zeer lage minimale depositiegrens (0,05 mol/ha, ofwel 850 milligram per hectare) betekende dat een flinke uitbreiding van een bedrijf, in de ogen van de Wetgevers, significante consequenties kon hebben voor zo ongeveer alle natuurgebieden in Nederland (en daarbuiten).
Echter, gealarmeerd door de stijgende ammoniakconcentraties in Nederland zou de Raad van State uiteindelijk in 2019 ook deze regeling vernietigen (alleen het rekenmodel Aerius mocht blijven).
Een belangrijk probleem hierbij was echter dat de verspreiding van ammoniak nog steeds heel moeilijk te voorspellen was. De concentraties in de buitenlucht bleven afwijken van de prognoses en de gerealiseerde emissie-winsten konden nog steeds niet worden teruggevonden in de verzamelde data op de luchtmeetstations. Een situatie die voerde tot de introductie van het ‘ammoniak-gat’.
Maar hoe erg was het nu eigenlijk helemaal? Om daar een oordeel over te kunnen vormen zijn er twee aspecten die nader bezien moeten worden. Allereerst moet de vraag worden beantwoord: hoe groot is de depositie van ammoniak nu eigenlijk, gelet op de nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen op dit gebied, zoals de bespiegelingen over het gewascompensatiepunt en dus de opvulling van ‘het ammoniakgat’, waarover al het nodige is gezegd (zie link) en ten tweede; hoe gevoelig is de natuur nu werkelijk voor de ‘bemestende werking’ van ammoniak, die uit de lucht komt vallen.

Kritische depositiewaarden

Om inzicht te krijgen in hoeverre de natuurlijke habitats worden bedreigd door stikstof is in uitgebreide onderzoeken bepaald hoeveel stikstof een specifiek habitat kan verwerken zonder dat de kwaliteit van het gebied achteruit gaat. Hiervoor zijn de zgn. “kritische depositiewaarden” (KDW) per habitat bepaald. De KDW is de grens waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie.
Op basis hiervan is een weinig rooskleurig beeld ontstaan van de situatie in Nederland: “Bijna de helft van de natuurgebieden met een overschrijding, krijgt jaarlijks meer dan 10 kg stikstof per hectare (kg N/ha) meer dan de kritische waarde, hetgeen vaak een overschrijding met een factor 2-3 betekent.” (Compendium voor de Leefomgeving (2018)).
Dit gegeven is ook overgenomen door TNO, factsheet emissies en depositie van stikstof in Nederland, (2019), waar het TNO in opdracht van de tweede kamer een inventarisatie va de problematiek heeft gemaakt (https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2019Z18875&did=2019D39248)
In het bovenstaande hebben we kunnen zien dat het met deze overschrijding nog wel eens mee zou kunnen vallen. Maar wat is nu eigenlijk deze kritische depositiewaarde (KDW)?
Een veel gehanteerde definitie is: “de grens waarboven het risico niet kan worden uitgesloten dat de kwaliteit van het habitattype significant wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van de atmosferische stikstofdepositie.”
In het rapport “Overzicht van de kritische depositiewaarden van stikstof op habitatgebieden en Natura 2000 gebieden” wordt dit als volgt toegelicht: “Wanneer de atmosferische depositie hoger is dan het kritische niveau van het habitattype bestaat er een duidelijk risico op een significant negatief effect, namelijk dat het instandhoudingsdoel in termen van biodiversiteit niet duurzaam kan worden gerealiseerd.”
Voor de kenners: dit is natuurlijk een juridische definitie, aangepast aan artikel 6, tweede lid van de (Europese) habitatrichtlijn: “De lidstaten treffen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen, voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben.”
Wat is een significant effect? Dat is simpel geworden, met dank aan de wetenschappers/ juristen die met de KDW-en bezig zijn geweest. Een overschrijding van een KDW is dus in ieder geval strijdig met artikel 6 van de Habitatrichtlijn. En omdat de KDW zo laag zijn dat deze bij de huidige achtergrondniveaus al bijna allen worden overschreden, is iedere toename van stikstofemissie niet mogelijk. Het bepalen van deze KDW-normen is dan ook een zaak van het grootste belang, waarvan je zou verwachten dat deze in samenspraak met de verschillende belangengroeperingen, in een langjarig (internationaal) proces zouden zijn vast gesteld.
Dat is dus niet het geval. De Nederlandse stikstof-wetenschappers hebben het zelf gedaan. En er zijn inderdaad vraagtekens te zetten bij de wijze waarop dit is gebeurd.
Een en ander is toegelicht in het rapport: “Effecten van ammoniak op de Nederlandse natuur. het achtergrondrapport” (2008) door J. Kros, B.J. de Haan,  R. Bobbink, J.A. van Jaarsveld J.G.M. Roelofs en W. de Vries. Een sleutelparagraaf hierbij lijkt te vinden  onder 4.2.1. “Empirische kritische N-belasting”.  Hierin wordt allereerst weer de internationale relevantie beklemtoond door te stellen: 
“Resultaten van experimenten onder gecontroleerde omstandigheden en van veldsituaties, zowel in ruimte als in tijd, zijn gebruikt om de belasting waarbij ecosystemen veranderen, vast te stellen (Bobbink et al., 1996a; Bobbink et al., 2003). Deze empirische kritische niveaus zijn vastgesteld onder internationale groepen werkend onder de paraplu van de UN/ECE en WHO. De niveaus worden gebruikt in de EU-richtlijn voor de bescherming van boomgroei en grondwater.”
Vervolgens wordt ingegaan op de methode: 
“Deze experimenten waarop de empirische kritische N-belasting is gebaseerd, zijn uitgevoerd in zogenaamde mesocosmos-experimenten in gebieden waar de huidige N-depositie al te hoog is. Dit betreft een uitgegraven deel (ca. 1 m2 ) van het ecosysteem (bodem met vegetatie) dat in een kas of onder een afdak wordt ondergebracht. Bij deze experimenten is de kritische belasting de hoogste toevoeging van N die niet tot ongunstige fysiologische veranderingen (op het individuele niveau) of verlies in biodiversiteit (op het ecosysteemniveau) leidt. Meestal is de waarde van empirische kritische N-belasting opgesteld naar aanleiding van de uitkomsten van veldexperimenten waarbij 2 jaar of meer N-verbindingen zijn toegediend aan proefvelden in niet-aangetaste vegetaties. Daarnaast is gebruik gemaakt van resultaten van in situ manipulatie experimenten zoals zijn uitgevoerd in een Grovedennenbos nabij Ysselsteyn in De Peel (zie o.a. Boxman et al., 1995; Boxman et al., 1998). Op deze locatie wordt een verminderde aanvoer van stikstof nagebootst door de natuurlijke neerslag op te vangen middels een dak onder de boomkronen. In plaats van de natuurlijke neerslag met daarin de hoge concentraties aan stikstof (en zwavel), is onder het dak met behulp van sproeiers schone neerslag verspreid, met daarin dezelfde voedingstoffen behalve N (en S). “
Een experiment van twee jaar? Welk beheer is toegepast gedurende deze twee jaar? Is 1 m2 niet een beetje zuinig om tot een, voor de hele maatschappij relevant, resultaat te komen? En leuk dat de natte depositie blijkbaar wordt opgevangen, maar wat zegt dat? Het grote probleem was toch de droge depositie?
Er zijn echter nog wel meer discutabele uitgangspunten ten aanzien van de wijze waarop de KDW-en blijkbaar zijn vastgesteld.  

De zure regen erfenis

In het PBL-rapport ‘Zure regen, een analyse van 30 jaar verzuringsproblematiek in Nederland’ (2010) wordt de opkomst van de KDW als volgt geïntroduceerd:
“In de jaren tachtig werd het niet als een optie gezien om te wachten op een afgerond wetenschappelijk onderzoek naar de oorzaak-gevolgrelaties tussen depositie en schade aan natuurlijke ecosystemen. Het voorzorgsbeginsel speelde in het beleid dan ook een belangrijke rol: men wilde de noodzakelijke omvang van emissiereducties vaststellen en drong er bij onze buurlanden, inclusief het Verenigd Koninkrijk, op aan om hetzelfde te doen (Keizer 2009).
Wel werd tegelijk met het inzetten van emissiereducties binnen de LRTAP-conventie een omvangrijk internationaal wetenschappelijk netwerk opgezet om de risico’s en effecten van verzuring beter in beeld te brengen. Dit leidde tot de ontwikkeling van het begrip kritisch depositieniveau ofwel critical loads (…)
Al in 1983, namelijk in het Indicatief Meerjaren Programma 1984-1988 (VROM 1983), werden kritische depositieniveaus voor gevoelige bodems in Nederland afgeleid uit Canadees en Zweeds onderzoek. Later kwamen daar specifiek Nederlandse onderzoeksresultaten voor beschikbaar dankzij de eerste fase (1988) van het Additioneel Programma Verzuringsonderzoek (APV). In tabel 2.2 zijn de kritische niveaus voor stikstof en zuur uit het APV, tweede fase weergegeven (Heij & Schneider 1991). Bij vergelijking van informatie uit 1991 en 2003 valt op dat in meer dan tien jaar tijd de kritische niveaus niet veel zijn veranderd. Uitzondering daarbij is de kritische depositie van zuur voor aluminiumuitspoeling naar het ondiepe grondwater:  “Volgens de huidige inzichten ligt de kritische niveau hiervoor veel hoger dan vroeger gedacht.” 
Het zal duidelijk zijn dat door deze wetenschappelijk vastgestelde KDW-waarden, gecombineerd met de (destijds)  berekende zure depositie, bij menig rechtgeaarde politicus en rechter de schrik om het hart sloeg.
Het is goed om te zien dat de wetenschappers eigenlijk niet veel wisten van de situatie in het buitenland. De intensivering van de landbouw in de Po-vlakte en de Ebro vallei in Spanje, was blijkbaar volledig voorbij gegaan aan de Nederlandse rekenaars. Ook de situatie achter het voormalige ‘ijzeren gordijn’ was blijkbaar niet helemaal helder.
Overbelasting?
Hoe dan ook; dit alles heeft ertoe geleid dat voor de meeste habitat-typen in Nederland kritische depositiewaarden zijn vastgesteld en dat heeft dus blijkbaar geleid tot de eerder genoemde conclusies:
“Bijna de helft van de natuurgebieden met een overschrijding krijgt jaarlijks meer dan 10 kg stikstof per hectare (kg N/ha) natuur meer dan de kritische waarde, hetgeen vaak een overschrijding met een factor 2-3 betekent.” Voor de helft van de Nederlandse habitats is er, als je alles mag geloven, dus weinig hoop meer.
Maar deze uitspraak is, met dank aan Google, eigenlijk vrij eenvoudig te controleren.
In het “Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000” (H.F. van Dobben, R. Bobbink, D. Bal en A. van Hinsberg, 2012) zien we de volgende tabel opgenomen:
Het RIVM weet dat de jaarlijkse neerslag van reactief stikstof (NOx en NH3) in 1991 nog 2793 mol/ha per jaar (= 39,1 kg) was en dat is volgens de laatste metingen of liever: berekeningen, van het RIVM, terug gelopen naar ongeveer 1600 mol/ha (= 22,4) kg stikstof per ha, met een jaarlijkse afwijking van 10%.
Grofweg kunnen we zeggen dat bij de huidige stikstof belasting alleen de “zeer gevoelige “ habitats zonder meer een overbelasting van de KDW, bij een gemiddelde Nederlandse depositie, zullen hebben.
In de studie: “Overzicht van de kritische depositiewaarden van stikstof op habitatgebieden en Natura 2000 gebieden”, zijn de gevoelige habitatgebieden per gebiedstype onderverdeeld. Het gaat hier over: 1) zee/duingebied; 2) stuifzand en heidegronden; 3) weidegronden; 4)hoogveen/moeras en 5) Bos.
Geconstateerd kan worden voor groep 1, dat slechts 9 van de 35 habitatgebieden vallen in de categorie “zeer gevoelig”. Voor groep 2 is dat 11 van de 18, Voor groep 3 zijn dat 6 van de 21 habitats, het hoogveen en moeras (groep 4) zijn dat 7 van de 12 gebieden, bos heeft maar één “zeer gevoelig” habitat van de opgenomen 10 gevoelige habitattypen. Dat betekent dat 34 van de 96 geselecteerde gevoelige habitattypen problemen zouden hebben met het huidige niveau van stikstofdepositie.

De twijfels omtrent kritische depositie waarden (KDW-en)

In het artikel “Revisie en update van kritische N-depositiewaarden voor Europese natuur” door R. Bobbink et al., gepubliceerd in “De levende natuur, november, 2010) zijn hierover de volgende inzichten naar voren gebracht:
“In eerste instantie is het begrip KDW ontwikkeld en toegepast voor de verzurende werking van atmosferische depositie, met name van zwavelverbindingen. Dit heeft geleid tot het lokaliseren van gevoelige gebieden in Europa (o.a. Scandinavië, delen van Duitsland, Nederland en Engeland) en het vaststellen van plaatsen waar de toevoer van verzurende verbindingen het meest de KDW overschrijdt…
Momenteel worden KDW-en ook gebruikt ter ondersteuning van het Europese natuur- en biodiversiteitsbeleid. Stikstofverbindingen (stikstofoxiden/nitraat en ammoniak/ammonium) zijn een (zeer) belangrijk onderdeel van luchtverontreiniging, zeker in Nederland. De afname van de hoge Europese emissies van geoxideerd en gereduceerd stikstof sinds eind jaren tachtig van de vorige eeuw (Schoepp et al., 2003) is onvoldoende om depositierisico’s van stikstof in veel gebieden te voorkomen (Galloway et al.,2008; Bobbink et al., 2010).
Omdat de gevolgen van N-depositie zeer complex zijn, zijn sinds eind jaren 1980 voor stikstof afzonderlijke kritische depositiewaarden ontwikkeld.
‘Waarneembare’ veranderingen bij te hoge, langdurige N-toevoer zijn veranderingen in plantontwikkeling, in soortensamenstelling of –dominantie en in (planten)diversiteit (foto 1). Ook veranderingen in het functioneren van het ecosysteem zoals verhoogde mineralisatie, uitspoeling van nitraat en verzuring (uitspoeling basische kationen en verhoogde concentraties van Al3+) kunnen gaan optreden.
In Europees verband worden op regionale schaal twee methoden gebruikt om KDW´n voor N vast te stellen (o.a. Hettelingh et al., 2007; 2008):
  • de ‘steady-state’ massabalans (SSMB). Belangrijke procesparameters in de vegetatie en in de bodem in dit simpele N-model zijn respectievelijk de netto-opname van stikstof door de vegetatie, stikstofimmobilisatie, denitrificatie en stikstofuitspoeling;
  • de zogenaamde ‘empirische’ methode, vooral toegepast voor natuurlijke en halfnatuurlijke ecosystemen met hoge biodiversiteit, omdat de complexe gevolgen van N-depositie niet eenduidig kunnen worden beschreven met SSMB-modellen.
Hoe dan ook; dit alles heeft ertoe geleid dat voor de meeste habitat-typen in Nederland kritische depositiewaarden zijn vastgesteld en dat heeft dus blijkbaar geleid tot de eerder genoemde conclusies: “Bijna de helft van de natuurgebieden met een overschrijding krijgt jaarlijks meer dan 10 kg stikstof per hectare (kg N/ha) natuur meer dan de kritische waarde, hetgeen vaak een overschrijding met een factor 2-3 betekent.” Voor de helft van de Nederlandse habitats is er, als je alles mag geloven, dus weinig hoop meer.
De helft, en dat is best veel. Maar dat is vooral veel als we hierbij het gegeven betrekken dat de stikstofdepositie in Nederland de afgelopen jaren al flink is afgenomen. Is die bijna 50% inderdaad te herleiden uit de wetenschappelijke inzichten?

Objectieve wetenschappers?

Empirische KDW-en zijn gebaseerd op significante uitkomsten van experimenten in het veld of in mini-ecosystemen waarin de toevoer van N-verbindingen is verhoogd (of soms verlaagd!). Hierbij is het essentieel dat in het experiment minimaal een behandeling is opgenomen waarin alleen de toevoer van N varieert, dus zonder gift van andere nutrienten of een andere behandeling. Een belangrijke voorwaarde is verder dat het experiment niet te kort (≥2 jaar, liefst 4-5 jaar of langer) heeft geduurd en dat de behandelingen met N (≤ 100 kg N ha-1 jr-1) niet te extreem zijn vergeleken met N-deposities in Europa.”
Toch past hier al een kleine kritische kanttekening; Een stikstofbehandeling met 100 kg stikstof per ha/per jaar is niet te extreem vergeleken met de N-deposities in Europa? De “extreme stikstofdepositie” in Nederland is gemiddeld 22,4 kg stokstof per ha/per jaar en waarschijnlijk veel lager, zoals hier (zie link) te vinden is… Een ruime verviervoudiging van deze depositie is niet extreem? De ondergrens van stikstofbemesting op een melkveebedrijf (voor een productie grasland) in de veenregio in 2017 is 73 kg stikstof per hectare (bron: Agrimatie, Wageningen universiteit). Hoezo niet te extreem?
Bovendien is er natuurlijk de vraag wat dan nu precies de “significante uitkomsten” zijn van “experimenten in het veld of in mini-ecosystemen waarin de toevoer van N-verbindingen is verhoogd (of soms verlaagd!)”
Het artikel staat hier uitgebreid bij stil in een vorm die ik eigenlijk alleen maar ken als litanie (hierbij in aanmerking genomen dat een van de auteurs betrokken was bij de opstelling van het belangrijke Alterra-rapport “Effecten van ammoniak op de Nederlandse natuur”(2008)):
“Waargenomen verandering bij overschrijding van KDW:
Toename van dominantie van grasachtigen
Toename van soorten van latere successiestadia, toename van de productie
Toename van biomassa, toename van N uitspoeling
Toename van hoog opgroeiende grasachtigen, afname van laaggroeiende kruiden,
Toename van N-uitspoeling, bodemverzuring, verlies van typische (korst)mossen
Toename van de productie van de vegetatie, meer N-uitspoeling, versnelde successie
Toename van de biomassa van hoog opgroeiende grasachtigen
Verandering in soortensamenstelling van de waterplanten, toename van de productiviteit van algen,
verschuiving van de voedsellimitatie van phytoplankton van N gelimiteerd naar P gelimiteerd
Toename in biomassa en versnelde successie
Toename van de productiviteit van algen, verschuiving van voedsellimitatie van phytoplankton van N naar P
Toename van vaatplanten, veranderende groei en soortensamenstelling van mossen,
toename van N in veen en veenwater
Toename van zeggesoorten en vaatplanten, negatieve effecten op mossen
Toename van hoog opgroeiende grasachtigen, afname van mossen
Toename van hoog opgroeiende grassen, afname van diversiteit, versnelde mineralisatie, N-uitspoeling
Toename van grassen, afname van kensoorten, afname van de totale soortenrijkdom, bodemverzuring
Afname van (korst)mossen, toename in biomassa, versnelde successie
Toename van hoogopgroeiende grassen, afname van de diversiteit
Toename van hoog opgroeiende grasachtigen, afname van de diversiteit, afname van mossen
Overgang van heide- naar grasdominantie
Overgang van heide- naar grasdominantie, afname van korstmossen, verandering in chemie van de vegetatie, toegenomen gevoeligheid voor stress en plagen
Veranderingen in de ondergroei en mycorrhiza’s, nutrientenonbalans, veranderingen in bodemfauna
Minder mycorrhiza’s, verlies van epifytische korstmossen en mossen, veranderingen in de ondergroei
Verandering in de ondergroei
Verandering in de ondergroei en mycorrhiza’s, toename van vrije algen
Verandering in bodemprocessen, nutrientenonbalans, verandering van mycorrhiza en ondergroei
Verandering in bodemprocessen, nutrientenonbalans, verandering van mycorrhiza en ondergroei”
Dit zijn toch teksten die enigszins doen twijfelen aan de onpartijdigheid van de wetenschappers in kwestie.
Maar terug op de inhoud van de stikstof-litanie. We zien qua effecten op de natuur dus eigenlijk:
– Toename van grasachtigen, ten koste van andere planten en (dus) hogere biomassa-productie.
– Effecten op mossen, korstmossen en mycorrhiza’s (maar zijn die goed geteld?).
– De ondergroei van bossen verandert.
– Verzuring.
– De soortensamenstelling van de waterplanten verandert ook, er is toename van de productiviteit van algen (maar hoe nu vastgesteld kan worden dat dit laatste wordt veroorzaakt door stikstofdepositie en niet door de al aanwezige hoeveelheid stikstof en fosfaat in het oppervlakte- en grondwater, is mij niet duidelijk).
– Toename van planten van latere successiestadia.
Dat had dus best korter gekund. Afname van biodiversiteit is de grote gemene deler, maar hierbij zijn natuurlijk ook vraagtekens te stellen ten aanzien van de gekozen methode.
Daarnaast worden een aantal effecten benoemd waarvan sowieso niet helemaal duidelijk is hoe erg dat nu helemaal is. Met de afname van de mycorrhiza’s bleek het nogal mee te vallen (zie link) en ook kun je je afvragen hoe erg het is dat een toename is van soorten van latere successiestadia? Is het (eerder) bereiken van een hoger successiestadium ook slecht? Zo slecht dat de meest draconische maatregelen getroffen moeten worden om dit te voorkomen?
De successie van soortenrijk grasveld, naar bijvoorbeeld struweellandschap, moet dat te allen tijde worden voorkomen? En als het moet worden voorkomen; moet dat dan door beperking van de stikstofdepositie, of mag het ook gewoon door beheer worden bereikt?
Een vraag die een uitgebreid antwoord verdient.

De zware overbelasting

Als we dus de factsheet emissies en depositie van stikstof in Nederland, 2019 van het gerenommeerde TNO dus mogen geloven, is er een overschot van 10 kg (= 714,3 mol ammoniak) per hectare op helft van de gevoelige natuur van Nederland. Als we TNO/CLO volgen geldt het volgende:
Een waarde van 10 kg meer dan de kritische waarde betekent dat we het hier hebben over gevoelige natuur die bij een gemiddelde depositie van dus (1600*14 gram =) 22,4 kg per ha per jaar, 10 kg overbelast is. We hebben het dan dus over natuurgebieden die een kritische depositiewaarde hebben van maximaal 12,4 kg stikstof (= 886 mol) per hectare per jaar. Dan hebben we het dus over een kleine selectie van de eerder genoemde 34 “zeer gevoelige” habitattypen.
Maar dat zijn dus er eigenlijk niet eens zoveel als we de lijst van kritische waarden er op naslaan (zie link, de Belgische site reageert snel en is (uiteraard) gebaseerd op de Nederlandse onderzoeken). Volgens de recente Alterra onderzoeken hebben alleen de volgende habitattypen een KDW die hieraan voldoet:
– veenmosrietlanden ( 700 mol; bestaand areaal: 100-1000 ha);
– hoogveen (400 mol; bestaand areaal 1-10 ha);
– heischrale graslanden (830 mol, bestaand areaal 10-100 ha);
– zure en zwakgebufferde vennen (410 mol; bestaand areaal 200-2000 ha);
– zandverstuivingen (740 mol; bestaand areaal 1500 ha) en
– grijze, heischrale duinen (770 mol; smalle randjes langs vochtige duinvalleien, onderdeel van het areaal heischrale graslanden, waarvan voor de totale oppervlakte van de goed ontwikkelde vorm wordt gestreefd naar 50 hectare).
Alle areaal-waarden zijn direct overgenomen van de database synbiosys van Alterra (https://www.synbiosys.alterra.nl/).
Maar hieruit kunnen we eigenlijk vaststellen dat dit dus eigenlijk alleen de relatief zeer zeldzame natuurgebieden (totaal maximaal 4660 ha in heel Nederland) betreft, dit terwijl het totale areaal Natura 2000 gebieden in Nederland 1,75 miljoen hectares bedraagt. We hebben het dan over een percentage van 0,26! Dit maakt dat de bewering van de Nederlandse kennisinstituten bij uitstek, het Compendium (en die van het TNO) wel erg ver weg van de (gemakkelijk te verifiëren) feitelijke situatie is. – Hierbij is overigens dus wel uitgegaan van de door RIVM berekende waarden van stikstofdepositie, níet de veel lagere waarden die op basis van de bovenstaande berekeningen kunnen worden aangehouden. –
Maar “de helft van de gevoelige natuur van Nederland” wordt dan ook nogal bijzonder berekend.
Dit kan worden geïllustreerd aan de hand van de situatie zoals deze bijvoorbeeld bij de (hot-spot) Veluwe aanwezig is. Dit natuurgebied telt ruim 91.200 hectare. Verreweg het grootste deel hiervan is productiebos met lage natuurwaarden. Maar in de Veluwe liggen ook 14 ha heideveentjes (het Mosterdveen) Maar daarom kan ineens de Veluwe meedoen met de genoemde rekensom van het Compendium. De KDW voor de Veluwe is hierdoor (volgens bijlage 3 van het “internationaal gereviewde” rapport “Overzicht van de kritische depositiewaarden van stikstof op habitatgebieden en Natura 2000 gebieden”, thans overgenomen door de Aerius-rekenmodule): 400 mol/ha/jr (5 kg).

Het valt dus mee?

Natuurgebieden zijn echter, anders dan Remkes meent, zelfs volgens de huidige wetenschappelijke inzichten, niet alleen afhankelijk van stikstofbelasting voor wat betreft hun voortbestaan. De almaar voortstuwende informatiestroom, zoals deze op gang is gekomen na 29 mei 2019, doet anders vermoeden, maar beheer en ook de voor de betrokken onderzoekers blijkbaar onbekende ‘natuurlijke-variabelen’ als fosfaatbelasting, bodemleven, grondwaterstand, stabiliteit van beheer, om maar eens wat te noemen, zijn vaak van veel groter belang voor het overleven van een habitat dan de stikstofdepositie. Maar zelfs wanneer naar de ‘kritische depositiewaarden voor stikstof’ wordt gekeken met in het achterhoofd de huidige gemiddelde depositie van 1600 mol/ha/jaar, dan blijkt dat een verassend groot aantal natuurgebieden mogelijk helemaal geen last heeft van de huidige stikstofbelasting.
Eigenlijk zouden alleen de volgende natuurdoeltypen zouden, volgens de Alterra rapportage 1654: “Overzicht van de kritische depositiewaarden toegepast op habitattypen en Natura 2000-gebieden”, wel last kunnen hebben van de huidige stikstofniveau’s:
  1. Duinen; (9 van de 35 gevonden “gevoelige habitats”)
  2. zandverstuivingen en heide; (11 van de 18 gevoelige habitats)
  3. zwakgebufferde en zure vennen;
  4. Hoogvenen en trilvenen;
  5. Stroomdalgraslanden
  6. Kalkmoerassen;
  7. Zinkweiden;
  8. heideschrale en blauwgraslanden; en
  9. oude eikenbossen.
Bij deze opsomming ontbreken overigens inderdaad de beukenbossen, die in het rapport een kritische waarde van 1400 mol/ha/jr toebedeeld krijgen. Maar aan de problematiek van het (arme) bos lijkt dermate complex dat het voor het kunnen overzien van de problematiek handiger is om dit afzonderlijk te bespreken.-
Deze habitats blijken (op grond van hun KDW) zodanig gevoelig voor stikstof dat deze in theorie wel zouden kunnen worden bedreigd door de huidige gemiddelde belasting van 1600 mol stikstof/ ha/jaar. Gelet op de toch wat gekleurde basis-informatie die hierboven is besproken lijkt het de moeite om toch ook eens kritisch te kijken naar deze ‘bedreigde gebieden’.

De gevoelige habitats

Er zijn dus eigenlijk maar een negental natuurdoeltypen die best last zouden kunnen hebben van de huidige (berekende) stikstofniveaus als we kijken naar de Kritische Depositie Waarden die bij de betreffende habitats horen. In het onderstaande wil ik wat uitgebreider stilstaan bij de betreffende habitats en proberen te verduidelijken waarom ik denk dat de aantasting van deze gebieden door stikstof niet zo’n vaart loopt.

Duinen

Het duinlandschap kent een groot aantal stikstofgevoelige habitats, waarvan de kritische depositiewaarden variëren van 770 mol/ha/jr (heideschrale grijze duinen) tot vochtige duinbossen met een kritische depositiewaarde van 2040 mol/ha/jr.
Het voert te ver om op habitatniveau de bepaling van de KDW-en te bespreken, maar het is misschien toch goed om de in het oog springende habitat-KDW-en nader te bezien. Zeker wanneer het habitat in de Nedetlandse omstandigheden het helemaal niet zo slecht doet als op basis van de KDW voor het betreffende habitat verwacht zou kunnen worden.
Zo is opvallend in de reeks voor duingebieden dat de stikstofgevoeligheid die Alterra toekent aan “Embryonale duinen” in de range “zeer gevoelig” (1400 mol/ha/jr) is te vinden. Dit habitat-type zou eigenlijk bij uitstek ongevoelig moeten zijn, omdat dat stikstof in veel gevallen nauwelijks invloed kan hebben op de groei en ontwikkeling van een dergelijk bepaald habitat. De standplaatsfactoren maken immers dat in deze specifieke omgeving, alleen die soorten kunnen overleven die zich op dit habitat hebben gespecialiseerd.
Op een jonge kale duin groeit immers niets (ook niet bij stikstofdeposities die een veelvoud zouden zijn van de huidige waarden), behalve de bij duinen zelf behorende, specifieke pioniervegetatie.
Helmgras zal onder elke stikstofbemesting het Engelse raaigras verdringen op de jonge duinen, simpelweg omdat helmgras is aangepast aan de bijzondere omstandigheden van de stuivende duinen terwijl de andere typen vegetatie, ook de soorten die het goed doen op stikstofbemesting, dat niet zijn.
Uiteraard zal dit op een beschut proefveldje (waar de ‘gevoeligheid van stikstof’ op “empirische wijze” wordt getest) niet blijken, maar dat heeft veel meer met de aard van de proefneming te maken dan met bedreiging van het habitat door stikstof.
De meterslange wortels van helmgras zoeken in de diepte de zoetwaterlens die zich enkele meters onder de duintop, maar boven het zoute water in de zandbodem bevindt. De plant beschermt zich tegen zout water door een symbiotische relatie met een speciale schimmel op zijn wortels, die de water- en zouttoevoer naar de plant regelt. De plant is een xerofyt. Wanneer de omgeving droog is, rolt het blad zich op waardoor het oppervlak waarover verdamping plaatsvindt, kleiner is.
Het is overigens niet het eerste gras dat zich op het strand kan vestigen, dat is biestarwegras. Helm volgt na biestarwegras als jonge duintjes zo hoog geworden zijn dat zich uit invallend regenwater een zoetwaterlens in het duin vormt. Maar we hebben het hier dus over specialisten, totaal ongevoelig voor concurrentie die het beter doet op een hoge stikstofbelasting.
De pioniervegetatie van een jonge duin zal uiteindelijk worden opgevolgd door opeenvolgende successie-reeksen. Maar dit is een natuurlijk proces. Het is de spontane ontwikkeling van een nieuw landschap.
Wanneer een duingebied geschikt is geworden voor ‘normale vegetatie’ is het echter ook afhankelijk geworden van het beheer, wat uitmaakt wat uiteindelijk het vegetatie-type zal zijn dat op dit gebied domineert.
Gebieden waar de beheerders (in de meeste gevallen boeren) te arm waren om te zorgen voor afdoende bemesting, zijn tegenwoordig zeldzaam geworden en worden alleen al om die reden bijzonder en ‘natuurlijk’ gevonden. Het is echter altijd het verschralende beheer wat aan die gebieden de specifieke (zeldzame) natuurwaarden heeft gegeven. Wanneer om de een of andere reden (welvaartstijging, beschikbare kunstmest) dit beheer niet meer wordt gevoerd, zullen de bijbehorende ‘natuurwaarden’ (natuurlijk) ook verdwijnen.
  • Dat de huidige stikstofdepositie in Nederland überhaupt weinig invloed op de duinlandschappen kan hebben, blijkt overigens ook al uit de kaart waarin de landelijke deposities van stikstof worden weergegeven.
    De (zeer) overheersende windrichting is in Nederland zuidwestelijk, dus we hebben hier te maken met deposities die over de Noordzee worden aangedragen en die daarom een veel lager stikstofgehalte moet hebben, dan de lucht in de rest van ons land.-
De teruggang van de ecologische kwaliteit van het duinengebied zou dan ineens ook vergelijkbare oorzaken kunnen hebben als die welke Hermy (red.), namens het Belgische Instituut voor Natuurbehoud, (1989) optekent voor de Belgische duinen:
“De praktijk van het duinenbeheer in Vlaanderen werd, uiteraard, gekopieerd van dat in Nederland, dat op zijn beurt geïnspireerd was op het beheer van de binnenland-ecosystemen, dat op zijn beurt terugging op de oude agrarische praktijken. Het stoelde op de principes van constantie in tijd en verscheidenheid in ruimte; het was in essentie op het behoud van soorten gericht; en men deed dit door in te grijpen in de levensgemeenschap (of de vegetatie) als geheel, die men in hoofdzaak via verschraling probeerde in stand te houden. Dus werden vochtige stukken gemaaid, net als men dat met hooilanden deed, of er werd al eens geplagd, zoals op de vochtige heiden; op de droge duinen liet men de begrazing aan de konijnen over; hier en daar verdiepte men een bomputje. En, tenminste waar dit het behoud of de uitbreiding van soorten betrof, waren de resultaten doorgaans bevredigend, soms zelfs spectaculair.
Geleidelijk waren er echter, ook in het binnenland, steeds meer negatieve geluiden te horen: deze beheersvormen waren zeer tijdrovend, te duur en dus maar toepasbaar op een veel te kleine oppervlakte. Daarenboven werkten ze, hoe langer men ze toepaste, structureel nivellerend (…) En, hoe dan ook, toename van de humus via de wortels, uitspoeling van de bodem, en verzuring hield men er niet mee tegen. Fenomenen zoals de, ondanks alle goede zorgen, toch onherroepelijk vergrassende heide brachten ondertussen steeds diepere twijfel en frustratie.
De kritiek kreeg dan ook een steeds meer fundamentele dimensie: dit beheer was veel te conservatief ingesteld, veel te bemoeizek. Steeds luider klonk het verlangen naar meer natuurlijkheid (niet maaien maar grazen; ongestoorde bosontwikkeling, ook grootschalig). En in de harten van de, met name Nederlandse, duinbeheerders ontwaakte onbedwingbaar de hunkering naar weidse ongetemde stuifduinen… (de zgn. “Witte duinen”)
De onzekerheid omtrent de juistheid van het beheer, de twijfel zelfs of “beschermen” en “behouden” wel nastrevenswaardige houdingen zijn, hangen samen met het gevoel, de gang van zaken eigenlijk veel minder goed te begrijpen, te beheersen, dan men zich had voorgesteld…
Op alle fronten lijkt het te gaan om een radicaal éénrichtingsverkeer, dat bovendien helemaal niet soepel en geleidelijk, maar juist met onvoorstelbaar brutale sprongen verloopt… deze gang van zaken lijkt universeel, van Schotland tot helemaal in Zuid-Spanje. Telkens waren er natuurlijke invloeden en menselijke ingrepen in het spel – veranderingen van klimaat, roofbouw op vegetatie, introductie van systeemvreemde dieren voor veeteelt of jacht, die maakten dat de geschiedenis van het kustlandschap niets anders is dan een opeenstapeling van katastrofen, gevolgd door perioden van relatieve relaxatie en herstellende, maar steeds tijdelijke stabiliteit…
Het schitterende, fijnschalige, arcadische duinlandschap, met de meest diverse biotopen – droge en vochtige, uitgerijpte en pioniers-, stuifzanden, helm- en mosduinen, grasland, struweel en bos in perfecte harmonie geschikt in het groots geheel van de jaren ’60, voorwaar de belichaming van het natuurbehoudsideaal, blijkt uiteindelijk niets meer te vertegenwoordigen dan een even efemere als instabiele fase: niets meer dan een kortstondig tussenstadium op de weg van compleet leeggehaalde negentiendeeeuwse woeste grond, naar een landschap, geheel volgegroeid met bos. Het was het stadium dat zich even, in het klimaat van de jaren ’70, min of meer leek te consolideren, maar dat nu, hoe dan ook, voorbij is.”
Speciaal de ‘zeer stikstofgevoelige’ heideschrale duinen krijgen speciale aandacht in de Belgische site ecopedia.be:
“Het ontstaan van heischraal grasland is nauw gelinkt aan dat van heide. Heischraal grasland komt meestal voor op de net iets intensiever beïnvloede standplaatsen: betreden padranden, gemaaide heide, afgebrande heide, brandgangen in de heide etc. Hierdoor krijgen grassen het overwicht op dwergstruiken. Daarnaast profiteren een hele reeks kruiden van de minder hoge vegetatie om ook een plaatsje te veroveren. In dit schema ontstaat heide dus uit bos en heischraal grasland uit heide.” “Veel droog heischraal grasland gedijt marginaal of fragmentarisch bij een niets doen-beheer, aangevuld met onregelmatige konijnenbegrazing en extensieve betreding.” Het heideschrale grasland is een cultuurvegetatie en kan op den duur niet voortbestaan zonder jaarlijks beheer!
In https://www.ecopedia.be/natuurtypes/natuurtype-heischrale-graslanden worden een groot aantal voorbeelden van succesvol beheer van heideschrale graslanden aangehaald, die erop zijn gebaseerd dat in augustus in ieder geval het in de grassen aanwezige overmaat aan glucose niet kan worden omgezet in melkzuur in het voor verzuring zo kwetsbare vegetatietype.
De verzuringsproblematiek, die door de Wageningse onderzoekers zonder meer altijd wordt teruggevoerd op stikstofdeposities, komt hierdoor toch in een iets ander daglicht te staan. Verzuring door boterzuurbacteriën is nu eenmaal het natuurlijke resultaat van afbraak van de glucose in grassen onder zuurstofarme omstandigheden. Het conserveren van gras door het inkuilen hiervan onder luchtdicht plastic is immers volledig hierop gebaseerd.
Verzuring in een onvoldoende adequaat (maar wel goedkoopste vorm van) graslandbeheer is dus een natuurlijk proces wat maakt dat de “niets doen-variant” bij ‘natuurlijke graslanden’ (o.a. door verzuring) gedoemd is om te mislukken.
Op basis van het bovenstaande kan in ieder geval worden geconcludeerd dat de kennis van het optimale beheer van de gebieden, maar ook de (beschikbaarheid van gelden voor de bekostiging van de) uitvoering hiervan, een belangrijke factor is voor de teloorgang van ecologische waarden van de duinen. Ook wanneer duingebieden worden aangewezen als beschermd natura2000 gebied.
Voor de duingebieden kan in ieder geval moeilijk staande worden gehouden dat slechts twee zaken noodzakelijk voor de ecologische ontwikkeling van het gebied (standplaatsfactoren en terugdringen van stikstof) zoals de commissie Remkes meent.

Zandverstuivingen en heide

De heiden ontstonden aan het eind van de middeleeuwen. De toegenomen bevolking zorgde voor kappen van bossen, strooiselroof en overbeweiding door schapen en runderen. Hierdoor veranderden hele landstreken rond dorpen en steden in (aanvankelijk boomrijke en grazige) heidevelden.
Die woeste gronden tussen de nederzettingen deden dienst als gemeenschapsgoed waar de bewoners hun schapen overdag lieten grazen, heidemaaisel kwamen halen voor veevoeder en heideplaggen kwamen steken als strooisel voor in de potstallen waar de schapen en koeien ’s nachts verbleven. De stalmest uit de potstal werd ieder jaar naar de akkers gebracht als bemesting. Door die gebruiken werden de voedingsstoffen van de heide verplaatst naar de akkers. De heidegronden waren al schraal en werden door dit landbouwgebruik nog schraler.
De nog aanwezige bomen werden gebruikt voor brandhout en verdwenen. En de exploitatie van de heide zorgde ervoor dat er zich niet opnieuw een bos kon ontwikkelen.De schrale heidebegroeiing maakte de zandige bodem ook nog eens vatbaarder voor uitspoeling van de vruchtbare elementen door de regen.
In oude markeboeken komen bepalingen voor over het zorgvuldig omgaan met de heidevelden. Bij overexploitatie verdween immers de heide en er ontstonden naakte zandgronden waarvan het zand door de wind werd bijeen gewaaid tot stuifduinen. Om zandverstuiving te voorkomen werd geregeld een deel van de gemeentegrond afgesloten en werd het verboden om zavel en zoden te steken, heide te maaien en dieren te weiden op plaatsen waar de vegetatie omzeggens verdwenen was. Om te zandverstuiving naar de akkers te voorkomen werden boomrijen geplant tussen de heide en de akkers die het zand moesten tegenhouden en die daar duinen hebben gevormd.
Deze vorm van landbouw met de karakteristieke esdorpen en herdgangen bleef tot het einde van de 19e eeuw / begin 20ste eeuw bestaan. In 1898 was nog ruim twintig procent van de oppervlakte van Nederland ‘woeste grond’ en die bestond hoofdzakelijk uit heiden. Zandverstuivingen en heidehabitats zijn dus ontstaan als gevolg van menselijk (wan)beheer in de Middeleeuwen tot aan het begin van de twintigste eeuw.
Maar omdat dit beheer geen economische functie meer diende (ook niet voor de nieuwe eigenaar Staatsbosbeheer), werd het specifieke verschralingsbeheer nagelaten, met het voorspelbare gevolg dat de van dit specifieke beheer afhankelijke habitat-typen, heide en stuifzanden, verdwijnen.
Stikstof is dus niet het enige probleem is waarmee het beheer te kampen heeft. Op https://www.digibron.nl/search/detail/012dfb6ab5db727776cdc5d5/zware-metalen-verontreinigen-de-heide kan het volgende worden gelezen:
“Het beeld van de Nederlandse heidevelden is droevig. De meeste worden nog heide genoemd, terwijl er vaak nauwelijks meer struikheide en dopheide voorkomt. Het zijn grasvelden geworden. Gras sterft elk jaar af en groeit in het voorjaar weer aan, waardoor de strooisellaag steeds dikker wordt. De hei krijgt daardoor zelfs geen kans meer om te groeien. Om de heideflora weer te herstellen, worden de laatste jaren veel heidevelden afgeplagd.
Heide gedijt uitsluitend op arme en schrale grond. Eeuwen geleden was dat ook zo, maar ook toen ontstond die situatie niet vanzelf. Er werden in die tijd veel schapen gehouden, voornamelijk om mest voor de landbouw te verkrijgen. De schapen werden elke nacht op stal gezet. Voor strooisel werden heideplaggen gebruikt. Die werden door de dieren tot een bruikbaar mengsel van humus en mest getrapt, om vervolgens als mest op de akkergronden te worden gebruikt. Dit wordt de potstalmethode genoemd. In de potstaltijd werd de hei ook gemaaid voor veevoer en voor het maken van bezems.
Wanneer de struikhei te oud werd voor de schapen, werd ze ook wel plaatselijk afgebrand. Maar vooral het geregeld afplaggen was het behoud van de heide. Dat werd in die tijd uiteraard handmatig gedaan. Dit was de beste methode. Ook in oneffen terreinen werd steeds gelijkmatig de strooisellaag afgestoken Het geregeld met de hand afplaggen verjongde de heide steeds.
Heidevelden bleven door de kleinschalige landbouw en schapenteelt eeuwenlang hun karakter behouden. De op het eigenbelang gerichte verschillende bewerkingen van de heide hadden tot gevolg dat de grond arm en schraal bleef. De vegetatielaag werd van tijd tot tijd verwijderd tot op de kale zandbodem. Die arme grond is de ideale groeiplaats voor de heideflora. Variatie daarin ontstond vooral door het verschil van hoge en lage, droge en vochtige gedeelten.
Het verdwijnen van de heide heeft een aantal oorzaken. Het gebruik van kunstmest, dat omstreeks 1900 begon, was de eerste aanleiding. Door deze moderne manier van bemesten veranderden de kleinschalige landbouwmethoden. De moeizaam te verkrijgen potstalmest werd overbodig. Er werd dus minder heide afgeplagd en gemaaid. Een andere oorzaak was dat de waarde van de wol en het vlees van de schapen door sterke concurrentie vanuit Australië drastisch daalde. De schapenteelt werd minder lonend. De belangrijkste functies van de heide behoorden daardoor al gauw tot het verleden.
Sinds die tijd begon het heidelandschap te verdwijnen. Allereerst door instanties die zich nu inspannen het te behouden. De Heidemij ging de „”waardeloze” heidevelden grootscheeps ontginnen; Staatsbosbeheer begon met het aanleggen van bossen. In 1833 was er in ons land nog ongeveer 600.000 hectare heide; het areaal is daarna snel ingekrompen. Sinds het begin van de vorige eeuw is 90 procent ervan omgezet in landbouwgrond of cultuurbos.
Nu is er in ons land nog ongeveer 40.000 hectare natuurgebied dat heide wordt genoemd. Om die vergraste heidevelden weer aan hun naam te doen beantwoorden, moet dus opnieuw de strooisellaag worden verwijderd.
Handmatig afplaggen kan in de huidige tijd niet meer. Dit zou te tijdrovend en te duur worden. Machinale bewerking gaat niet zo precies en doeltreffend als handmatig afplaggen, maar de machinale methode is de laatste jaren echter zeer verbeterd.
Wikipedia meldt: Intensief plaggen en maaien was vroeger, naast begrazing, een belasting voor de voorspoedige groei van de heide. In oude markeboeken komen bepalingen voor over het zorgvuldig omgaan met de heidevelden. Een niet denkbeeldig gevaar was dat heidegebieden door te intensieve exploitatie in zandstuifvlaktes zouden veranderen.
Wikidepia vervolgt: “Anno 2010 is plaggen een veel gebruikte beheermaatregel, die veelal machinaal gebeurt. Het dient om de heidevegetatie te verjongen. Door het plaggen verdwijnt de strooisellaag en de onnatuurlijk verrijkte of vervuilde bovenste laag van de bodem waardoor de grond armer wordt aan voedingsstoffen. Dit geeft pioniervegetatie en heide de kans om opnieuw tot ontwikkeling te komen. Bij oudere heidevelden kan per plagbeurt 800 kg stikstof per hectare worden verwijderd. Hierdoor is eenmaal per tien jaar plaggen voldoende effectief. Alternatieve of aanvullende beheersmaatregelen zijn begrazing en bemaaiing.”
Heidegebied is een bijzonder type halfnatuurlijk cultuurlandschap dat zonder beheer snel zal vergrassen en verbossen. Ook in bijvoorbeeld groene duingebieden kan door plaggen een meer gevarieerde vegetatie worden verkregen.
Voor de fauna op de heide kan plaggen een bedreiging zijn omdat veel reptielen oude structuurrijke heide prefereren. Adders hebben in een heidegebied vaak een voorkeur voor stukken die vergrast zijn door het pijpenstrootje. Als het plaggen kleinschalig en niet al te vaak gebeurt, is het negatieve effect op de fauna gering. Er zijn echter steeds meer bedenkingen tegen het verwijderen van de zode over grote oppervlakten. Vaak heeft drukbegrazing, maaien en afvoeren of chopperen dan de voorkeur. Die werkwijzen zijn minder verstorend voor flora en fauna.”
Onderzoek wat werd uitgevoerd door  Wallis de Vries et al. (Alternatieven voor plaggen van natte heide – Effecten op middellange termijn., 2019) laat echter voor de middellange termijn (6 jaar) zien:
“plaggen in combinatie met bekalken de beste abiotische uitgangssituatie voor de ontwikkeling van een soortenrijke vochtige heide. Door chopperen werden deze condities behoorlijk benaderd en werd zowel de beschikbaarheid van stikstof naar beneden gebracht als de basenverzadiging verhoogd. Chopperen met bekalking is daarmee een kansrijk alternatief voor plaggen. Drukbegrazing vormt geen geschikte maatregel voor het herstel van de abiotiek in vochtige heide, en heeft mogelijk zelfs juist een licht verruigend effect.”
Er is misschien een nog meer voor de hand liggende reden waarom plaggen helemaal niet zo’n veel toegepaste maatregel is als door Wikipedia wordt gesuggereerd. Plaggen is door de grote omvang van de te bewerken terreinen zeer tijdrovend en duur.
Daarnaast geldt nog dat de tot compost verwerkte plaggenlaag tot voor kort nog enige baten opleverde. Dat wordt echter steeds moeilijker. Nu komt er echter nieuwe narigheid aan de orde. Natuurmonumenten verstuurde eind oktober een persbericht met de kop: “Zware metalen in de hei”. De verontreiniging van de hei met lood en cadmium is zeer ernstig. Ook wordt te veel zink en nikkel aangetroffen. Die concentratie van zware metalen, niet alleen in de hei, maar in alle terreinen, vormt geen direct gevaar voor de volksgezondheid.
Het grote probleem voor de beheerders is, dat de afgeplagde strooisellaag niet meer kan worden verwerkt tot bruikbare compost voor tuindersbedrijven. Dit heeft als gevolg dat het afplaggen van de heide geen baten meer oplevert, dus nog duurder wordt. Er wordt nu gezocht naar methoden om het plagsel alsnog tot compost te verwerken. Alternatieve verwerkingsmethoden zullen de kosten van het afplaggen echter sterk doen stijgen. Zonder extra subsidie van het Rijk komt het heidebeheer daardoor in het gedrang. Want om onze laatste heidevelden te herstellen en te behouden is afplaggen absoluut noodzakelijk.”
Het lijkt er echter op dat Staatsbosbeheer hierop niet zit te wachten. Uit het document “Standaard kostprijs directe werkzaamheden Terreinbeheer voor de gezamenlijke TBO’s vor het jaar 2016”, kan worden afgeleid dat “kleinschalig plaggen, 1000
m3/ha, en tijdelijk depot op 500 meter”, voor “Droge heiden”, weliswaar een dure ingreep is (normbedrag is 5.395,00 euro per ha). Maar de kostprijs per hectare per jaar is daarentegen verrassend laag: 10,79 euro. dat komt omdat de frequentie waarmee wordt geplagd is gezet op 0,020, ofwel eens per 50 jaar en dat ook nog eens op slechts 10% van het te bewerken oppervlakte. De alternatieve bewerking “chopperen en maaisel naar (tijd.)depot brengen”, is evenwel nog goedkoper. De frequentie per jaar is 0,00, kostprijs 0,00 euro per ha/jaar.
De hoogste kostenpost voor droge heide is het verzorgen van de dieren, wat op 80% van het gebied jaarlijks plaats vindt. Voor de vochtige heide is dit zelfs nog wat meer: jaarlijks 100% van het te beheren gebied, met een kostenpost van 114,96 euro, jaarlijks. Maar dit is dan weer juist een maatregel waarvan recent onderzoek, zoals hierboven gezien, heeft vastgesteld dat het juist geen goede maatregel is voor  herstel van de heidevelden en “mogelijk zelfs juist een licht verruigend effect heeft.”
Maar er zijn meerdere argumenten om plaggen achterwege te laten. Wikipedia meldt:  “Voor de fauna op de heide kan plaggen een bedreiging zijn omdat veel reptielen oude structuurrijke heide prefereren. Adders hebben in een heidegebied vaak een voorkeur voor stukken die vergrast zijn door het pijpenstrootje. Als het plaggen kleinschalig en niet al te vaak gebeurt, is het negatieve effect op de fauna gering. Er zijn echter steeds meer bedenkingen tegen het verwijderen van de zode over grote oppervlakten…
Archeologen hebben vaak hun bedenkingen tegen het afplaggen omdat het (pre-)historische sporen kan beschadigen.”
Argumenten voor Staatsbosbeheer te over om inderdaad niet iedere tien jaar te gaan plaggen op de heidevelden. Maar het is hierdoor wel erg kort door de bocht om te beweren dat de heidelandschappen verdwijnen vanwege de stikstofdepositie in Nederland. Op basis van het bovenstaande kunnen immers de volgende conclusies worden getrokken:
  1. De natuurlijke kritische depositie waarde (kdw) geeft een input voor het ‘milieu’van de planten, maar is natuurlijk niet de enige milieufactor die bepaalt welke planten op welke grond groeien. Wanneer de grond kunstmatig wordt verschraald, is het logisch dat na consequent eeuwenlang volgehouden beheer, vegetatietypen tot ontwikkeling komen die normaliter alleen gedijen in een klimaat waar slechts weinig stikstof beschikbaar is; waar zich bijvoorbeeld vanwege barre klimaatomstandigheden zich slechts weinig dieren/ mensen zullen vestigen.
    Dit geldt bijvoorbeeld voor ‘het heideveld’ in Nederland. Dit door menselijk ingrijpen ontstane ecosysteem is echter niet gelijk te stellen met het ‘natuurlijke ecosysteem van die betreffende streek’, wat zou zijn ontstaan op basis van de ‘natuurlijke’ stikstofbelasting van het gebied.
  2. De kdw is een maat van stikstofbelasting via de atmosfeer, maar dit is natuurlijk niet de enige vorm van stikstof die voor de planten beschikbaar is. Via grondwaterstromingen, maar ook via aanwezige bodemreserves kan de plant ook aan de benodigde stikstof komen.
  3. Heidevelden ontwikkelen zich. In het bovenstaande hebben we een aantal redenen gezien waarom Staatsbosbeheer kiest voor de ontwikkeling van ‘oude heidevelden’. (financieel, archeologisch, behoud van ecosysteemwaarden). Een beheer waarbij eens per 50 jaar gedeeltelijk wordt ‘geplagd’, leidt tot het ontstaan van ‘oude heidevelden’.
  4. Wanneer oude heidevelden 800 kg stikstof in de bovenste bodemvoor hebben opgeslagen, is het natuurlijk een illusie om te denken dat de heideveldvegatatie kan worden bijgestuurd door de atmosferische depositie van stikstof (22,5 kg per jaar) en heeft de kdw alleen nog een symbolische waarde.
  5. Heidevelden zijn ongetwijfeld  gevoelig voor stikstofbelasting in welke vorm dan ook. Maar ligt het dan aan de stikstofdepositie of aan het (nalaten van het kostbare) beheer dat een dergelijk specifiek habitat verdwijnt?

Zwakgebufferde en zure vennen

Het habitattype ‘Zure vennen’ omvat natuurlijke poelen en meren met zuur water en veenmodder op de bodem. In ons land betreft het zo goed als uitsluitend door regenwater gevoede heidevennen en vennen in de randzone van hoogveengebieden. In die vennen kan lokaal invloed van grondwater doordringen en van essentieel belang zijn voor de variatie van levensgemeenschappen, maar de regenwaterinvloed is zo groot dat men meestal spreekt van ‘uitsluitend door regenwater gevoed’. Daarbij gaat het zowel om de open waterbegroeiingen als om jonge verlandingsstadia, drijvend of op de oever. Het water van deze poelen en meren is van nature zeer voedselarm en kan door humuszuren bruin gekleurd zijn.
Dorland et al. (2012) hebben de relatie tussen soortenrijkdom en stikstofdepositie nader uitgewerkt voor een aantal habitattypen. Dit habitattype behoort tot de EUNIS klasse D1 ‘Raised and Blanket bogs’.
Dorland et al. (2012) achten het ‘zeer aannemelijk’ dat de kwaliteit van het type achteruit gaat in het traject van 500-1000 mol N/ha/jr, maar: “er is gebleken dat er nog (veel) te weinig data beschikbaar zijn om een goede dosis-effect relatie op te stellen tussen het soortenaantal en stikstofdepositie in hoogvenen.”
Zwakgebufferde vennen kenmerken zich door de aanwezigheid van een groot aantal soorten, waaronder veel pioniersoorten van kale oevers en open water. En toch zijn de meeste van de vennen van dit habitattype niet meer dan enkele tientallen meters lang en breed. De leefgemeenschappen van deze vensystemen – de plassen plus de oeverzones – vertonen een grote variatie binnen een klein oppervlak. Dat komt door allerlei milieuverschillen binnen het systeem en overgangssituaties (gradiënten) in zones en fijnschalige mozaïeken.
Wanneer we een vergelijking maken met de situatie in ons omringende landen, is in ons land naar verhouding een redelijke hoeveelheid behouden gebleven.
Zwakgebufferde vennen komen voor als (heide)vennen en onderlopende slenken in de hogere zandgronden en als min of meer geïsoleerde poelen aan de randen van rivier- en beekdalen. Daarnaast komen de kenmerkende vegetatietypen soms voor in leemputten. In vergelijking met die van de zeer zwak gebufferde vennen (H3110) zijn de kenmerkende plantensoorten van zwakgebufferde vennen minder goed aangepast aan het groeien in koolstofarm water. De concentratie koolzuur in het water is hoger (door kwel, organisch materiaal e.d.), waardoor een groter scala aan ondergedoken planten in staat is voldoende koolstof op te nemen. De buffering wordt verzorgd door kwel van licht aangerijkt lokaal grondwater, toevoer van gebufferd, maar voedselarm oppervlaktewater en/of door verweerbare mineralen in een kleiïge of lemige bodem.
In het verleden kon wellicht ook kleinschalig menselijk gebruik, zoals schapen wassen, voor enige buffering zorgen.
Anders nog dan Van Doorland in 2012 meende, weet Alterra het nu al zeker: “De vennen die tot dit habitattype behoren, zijn zeer gevoelig voor atmosferische depositie, zodat het belangrijk is dat deze in de toekomst fors daalt.”
Maar ook blijkt het volgens Alterra zo te zijn dat: “Voor duurzame instandhouding van de zwakgebufferde condities is in veel gevallen een beperkte aanvoer nodig van gebufferd, schoon grond- water via kwel. Hiervoor is nodig dat het oorspronkelijk hydrologisch systeem in stand blijft of wordt hersteld. Het op gezette tijden verwijderen van de organische bovenlaag (schonen), het tegengaan van verstarring in het beheer van vennen en het gedoseerd inlaten van water zijn ook maatregelen waarmee de gewenste buffercapaciteit kan worden gerealiseerd.
De zwakgebufferde vennen zijn vooral te vinden in Noord-Brabant en aangrenzend Midden-Limburg (de Kempen), de Veluwe, de Achterhoek, Twente en Drenthe/Oost-Friesland.”
Maar goed, het lijkt misschien maar zo, maar hoe bij uitstek stikstofgevoelig kan een vegetatietype zijn, als het zich al meer dan 60 jaar weet te handhaven in de gebieden die juist de meest stikstofrijke delen van Nederland zijn?
Het lijkt niet onlogisch dat zwakgebufferde vennen wellicht het meest afhankelijk zijn van kwelwater en veel minder van stikstofdepositie op de vaak beperkte omvang van deze vennetjes. Maar als kwelwater zo belangrijk is, hoe kan de stikstofdepositie hier een kritische waarde hebben van 410 mol stikstof (=5,74 kg) per hectare, of liever, hoe heeft een dergelijk habitat zich ooit in deze gebieden kunnen ontwikkelen en nog vreemder; zich gedurende decennia kunnen handhaven bij stikstof-achtergrondwaarden die nog veel hoger lagen dan thans het geval is?
Voor zure vennetjes geldt dit natuurlijk niet of minder. Het gaat hier om het beschikbare regenwater en het ligt voor de hand dat natte depositie van stikstof dan een rol speelt. Dit type vegetatie blijkt echter tot de hoogvenen te behoren, die hierna besproken worden.

Hoogvenen en trilvenen

We spreken van actief hoogveen als de kern uitsluitend door regenwater wordt gevoed en door het vasthouden van dat regenwater in het veen een hogere grondwaterspiegel heeft dan zijn omgeving, en er veenvorming optreedt. Hiervoor is het noodzakelijk dat weinig (< 40 mm/jaar) of geen wegzijging naar de ondergrond optreedt en dat ondanks verschillen in neerslag en verdamping de grondwaterstand ten opzichte van het veenoppervlak weinig fluctueert.
“Actief hoogveen komt als hoogveenlandschap (subtype A) alleen nog voor in de kernen van grotere hoogveenrestanten, die verder grotendeels tot Herstellende hoogvenen (H7120) behoren.
Van oorsprong zijn dit uitgestrekte lenshoogvenen geweest die door ontwatering en vervening thans sterk zijn gedegradeerd.
Binnen het hoogveen wordt het grondwaterstandsverloop gereguleerd door de acrotelm, de 0,1 tot 0,5 m dikke laag levend en weinig vergaan afgestorven veenmos die door opname of afgifte van water kan zwellen of krimpen, waardoor de laag van levend veenmos met het waterniveau meebeweegt (mooratmung). Zwelt het veen, dan neemt de horizontale doorlatendheid sterk toe, waardoor de zijdelingse afstroom van veenwater sterk toeneemt. Krimpt het veen, dan neemt de weerstand toe en de zijdelingse afstroom af, waardoor meer water geconserveerd wordt. 
Het veenoppervlak van goed ontwikkeld hoogveen bestaat uit een kleinschalig patroon van bulten en netvormig verbonden poelen en slenken. Als het waterpeil sterk stijgt, gaan deze slenken oppervlakkig afvoeren. Door deze mechanismen zijn de seizoensmatige fluctuaties bij een goed functionerende acrotelm beperkt (1-3 dm t.o.v. veenoppervlak). De aanwezigheid van een goed werkende acrotelm is dus een randvoorwaarde voor het voortbestaan van actief hoogveen.
De door veenmossen gedomineerde hoogveenvegetatie wordt uitsluitend gevoed door regenwater. De beschikbaarheid van voedingsstoffen is er daarom van nature zeer laag. Naar de randen van het hoogveen neemt de laterale doorstroming sterk toe. Hoewel de nutriëntengehalten in het water zeer laag zijn, is de rand door de permanente doorstroming wat minder voedselarm. Waar het hoogveen uitwigt tegen de minerale ondergrond kwelt het hoogveenwater op (lagg-zone). In deze zone treedt vaak ook kwel vanuit de minerale ondergrond op. Afhankelijk van de samenstelling van dit kwelwater (basenarm of basenrijk) kunnen dan matig zure tot neutrale standplaatsen voorkomen. De condities in het overgangsveen zijn eveneens afhankelijk van de toevoer van zuur, voedsel- en mineraalarm water uit het hoogveen en meer gebufferd en mineraalrijker water uit aangrenzende landschapsonderdelen, zoals laagveen.
In hoogveen met onvervuilde neerslag is stikstof beperkend voor de groei van vaatplanten, doordat de veenmossen het grootste deel van de N-depositie opnemen en in de waterverzadigde veenmoslaag ook omzetting in N-gas optreedt, waardoor nauwelijks anorganisch stikstof doordringt in de wortelzone van vaatplanten. Bij een hogere N-depositie kunnen de veenmossen niet meer alle N opnemen en treedt doorslag naar de wortelzone van vaatplanten op.
Pijpenstrootje en berken kunnen dan het hoogveen overwoekeren. Doordat deze vaatplanten bij lagere grondwaterstanden nog steeds verdampen, kan de waterstand dieper wegzakken en verliest de acrotelm (een deel van) zijn hydrologische werking.”
Het is duidelijk dat stikstof van belang is voor de ontwikkeling van de hoogvenen.
Alleen zal ook duidelijk zijn dat dit een heel indirecte beïnvloeding is, die blijkbaar in de praktijk van minder belang is dan de extreem lage ‘kritische depositiewaarde’ bij hoogvenen (400 mol/ha/ jaar (5,6 kg stikstof per jaar)) doet vermoeden.
Het expertisecentrum van het LNV laat immers in 2002 (Ontwikkelingen en herstel van hoogveensystemen, Schouwenaars et al.) nog een heel ander geluid horen:
“De overeenkomsten tussen de hoogveentypen in de verschillende landen duiden op min of meer gelijke randvoorwaarden voor veenvorming. Tegenwoordig zijn deze randvoorwaarden niet meer zo gelijk: vooral in Nederland is de atmosferische depositie van met name stikstof (gemiddeld ca. 40-50 kilo per hectare per jaar!) ongekend hoog. Vooralsnog is er geen bewijs dat deze in Nederland voorkomende hoge atmosferische depositie hoogveenherstel onmogelijk maakt. Wel kan het tot gevolg hebben dat de kenmerkende soorten uit de oorspronkelijk hoogvenen (die hierboven als referentie genoemd zijn) onder de huidige belasting niet kunnen (blijven) voorkomen. Voor hoogvenen geldt dat met name de veenmossen een functionele rol hebben in de hoogveenvorming; die rol zal wellicht ook door veenmossoorten met een hogere tolerantie ten aanzien van atmosferische depositie vervuld kunnen worden.”
De kennis over de ontwikkeling van hoogveen is al duidelijk gegroeid in het Alterra-rapport 2225 “Hoogveen en klimaatverandering in Nederland” (2011). Hier zijn de volgende teksten opgenomen:
“De stand van zaken is dat ook in gebieden waar geen hydrologische herstelmaatregelen zijn uitgevoerd, een kwaliteitsverbetering wordt geconstateerd, waarschijnlijk door de afgenomen zwavel- en stikstofdepositie en door de toegenomen hoeveelheid neerslag. Overal waar het gelukt is om gunstige hydrologische condities te realiseren, verloopt het herstel van veenvormende processen goed. De benodigde stabiele hoge waterstanden worden veelal bereikt door hydrologische compartimentering en maatregelen in de omgeving. Verder is de laatste 10-15 jaar sprake van stabilisatie of zelfs een overwegend positieve trend in de populaties van de kenmerkende hoogveenflora en –fauna. Voor de instandhouding en ontwikkeling van hoogveen zijn het neerslagoverschot, de temperatuur en de positie in het landschap belangrijk. Gunstige ontwikkelingen doen zich voor in gebieden waar het (actieve) hoogveen water uit zijn omgeving ontvangt. Hier kan een vermindering van het neerslagoverschot worden gecompenseerd door toevoer van lokaal grondwater.”
Dat is dus merkwaardig. De veel te hoge stikstofdeposities van de jaren tussen 1995 en 2010 waren ineens geen belemmering meer voor de gunstige ontwikkeling van hoogveen?
Het wordt nog vreemder als in het rapport de volgende tabel in deze studie wordt bijgevoegd:
Dit leest gemakkelijk; bij een optimale waterhuishouding is het dus ook bij stikstofdeposities die hoger zijn dan 20 kg per ha/jaar (= ongeveer 1500 mol per jaar) mogelijk om hoogvenen, actief en herstellend, te behouden en te verbeteren!
De waterhuishouding is dus van cruciaal belang bij de ontwikkeling van hoogveen en dus niet de stikstofdepositie. Het huidige niveau blijkt immers al voldoende te zijn om hoogveenbontwikkeling in den lande te laten herstellen. De vervolgvraag is dan wel; hoe betrouwbaar zijn, en welke absolute waarde hebben de kritische depositiewaarden als benoemd door de Wageningse onderzoekers van Alterra (2008) dan nog in dit verband?
Hierbij speelt dan ook nog een rol dat de onderzoekers van Alterra zich nauwelijks bekommeren om afbraakmechanismen van stikstof, anders dan opname door planten (bemesting). Bij diverse omzettingen kunnen stikstofverbindingen ook worden omgezet in gasvormig stikstof (N2) en lachgas (N2O). Uit onderzoek bij denitrificatiesystemen bij veehouderijen, blijkt dat een groot deel van de afgevangen ammoniak wordt omgezet in lachgas. Dit heeft er zelfs toe geleid dat terugvoer van gassen in de luchtwasser na denitrificatie niet langer is toegestaan. De Technische advies commissie Regeling ammoniak en veehouderij (Tac-Rav) heeft op 21 juni 2016 besloten (pdf, 126 kB) om denitrificatie niet toe te staan vanwege de vorming van lachgas.
Maar lachgas is, evenals het gevormde stikstofgas moeilijk afbreekbaar en heeft als zodanig geen enkele bemestende waarde. Het zorgt wel weer voor andere problemen, waarover, in een ander verband, later meer.
In het grotendeels zuurstofloze hoogveen is denitrificatie echter een factor van belang. Grondwater onder hoogveen bevat bijvoorbeeld in de regel maar erg weinig nitraat. Het RIVM heeft in 2016 bij metingen aan het grondwater bij agrarische bedrijven geconstateerd dat het gemiddelde nitraatgehalte onder veengrond 6,4 mg/liter bedroeg tegen 19 mg/l op kleigrond, 46 mg/l op zandgrond en 54 mg/l op lössgronden. Dit betekent dat ook bij eenzelfde depositie van stikstof, het gehalte stikstof in het door de vegetatie opneembare grondwater, zeer sterk kan afwijken.

Stroomdalgraslanden

In ons land omvat dit type de stroomdalgraslanden: bloemrijke graslanden op zandige oeverwallen en dijkhellingen langs de rivieren. Het is van belang dat het rivierwater jaarlijks de wortelzone van de vegetatie bereikt; periodieke aanvulling voorkomt dat de bodem uitloogt en verzuurt. De gemeenschappen behoren tot het verbond Sedo-Cerastion, waarbinnen twee associaties worden onderscheiden, het Medicagini-Avenetum pubescentis en het Sedo-Thymetum pulegoidis.
De stroomdalgraslanden op kalkarme zandbodems (asssociatie Festuco-Thymetum serpylli), zoals die in ons land voorkomen langs de Dinkel en de Overijsselse Vecht, worden niet tot dit habitattype gerekend. Wel vallen de pionierstroomdalgraslanden binnen de definitie van het type. Deze jonge, dynamische stadia, die vooral worden aangetroffen in natuurontwikkelingsprojecten langs de grote rivieren, hebben een ruderaal karakter en worden gerekend tot de associatie Bromo inermis-Eryngietum campestris (verbond Dauco-Melilotion).
 
Stroomdalgrasland (Sedo-Cerastion) is zeer karakteristiek voor het rivierengebied. Door diverse oorzaken zijn zowel de oppervlakte als de kwaliteit van dit verbond sterk achteruitgegaan (Weeda et al. 1 996, 2005, Schaffers et al. 2008, 2011). Het is een van de verbonden met grote prioriteit bij het natuurherstel langs de grote rivieren (Weeda et al. 1996, Sýkora 1998).
Uit historisch onderzoek blijkt dat droge stroomdalgraslanden vóór 1960 langs alle grote rivieren vrijwel overal voorkwamen, terwijl zij sindsdien uit 83-84% van de kilometerhokken zijn verdwenen. Deze achteruitgang geldt zowel voor de Associatie van Sikkelklaver en Zachte haver (Medicagini-Avenetum pubescentis) als ook voor de Associatie van Vetkruid en T ijm (Sedo-Thymetum pulegioides). Natuurlijk is het dan niet onlogisch dat de funeste invloed van stikstok wordt gewezen en eigenlijk is dit van de negen geselecteerde habitats het type waarvan ik het minst begreep waarom het areaal zo terug is gelopen de afgelopen zestig jaar, als stikstof niet de voor de hand liggende dader zou zijn.
 Het areaal goed ontwikkelde stroomdalgraslanden in Nederland bedraagt nog slechts 10-100 ha.
Er zijn een aantal voor de hand liggende verdachten en eerder meende ik ook dat de achteruitgang van deze graslanden in ons land is toe te schrijven zou zijn aan:  “intensivering van de landbouw, dijkverzwaring, grootschalige zand- en grindwinning, recreatie en stellig ook het aan banden leggen van het waterregime van de rivieren.”
De WUR-studie van Rottier en Sýkora (2016), “Zandafzetting, standplaats, beheer en botanische kwaliteit van Stroomdalgrasland” laat echter zien dat ook de oorzaken van de achteruitgang van stroomdalgrasland weinig afwijkt van die van de andere half-natuurgebieden in Nederland:
“Bij de start van dit onderzoek is er vanuit gegaan dat natuurlijke verzuring zou kunnen zorgen voor een achteruitgang van de bestaande stroomdalgraslanden met een beperkte zand depositie [wat natuurlijk niet vreemd is gelet op de (tijdens de zure regen periode vastgestelde) zeer lage KDW, EJ]. Hoewel verzuring een bedreiging zou kunnen zijn voor deze vegetatie blijkt uit deze studie dat het niet waarschijnlijk is dat verzuring de algemene oorzaak is voor de achteruitgang van stroomdalgraslanden in Nederland. Wij laten zien dat de pH ranges in de ‘verarmde’ vegetatie samenvalt met de ranges die we hebben gemeten in goed ontwikkeld
stroomdalgrasland. (…)
De meeste stroomdalsoorten hebben hun optimum in (sub)continentale gebieden met warme, droge zomers en komen hier in Nederland voor aan de grens van hun areaal. Zij hebben hier dan ook speciale eisen aan het microklimaat. De groeiplaats moet relatief warm, droog en zonnig zijn. De meeste soorten zijn kenmerkend voor korte vegetaties in stabiele laagdynamische milieus. Voor veel stroomdalgraslandsoorten moet het beheer daarom voldoende intensief zijn om de vegetatie kort te houden en verruiging tegen te gaan. (…)
Stroomdalgraslanden in strikte zin bevatten relatief veel lage, lichtminnende plantensoorten, met name het beheer op vegetatiestructuur is voor deze soorten van belang. Het kort houden van de vegetatie door begrazing en maaien en afvoeren ondersteunt deze vegetatie. Bij onvoldoende beheer blijkt dat de (jonge) rivierduinen snel dichtgroeien met ruigtekruiden zoals o.a. Duinriet, Echte Kruisdistel en Boerenwormkruid en hebben de laagblijvende soorten weinig kans zich te vestigen.”
 Het blijkt een terugkerend patroon, wat ook Staatsbosbeheer de nodige hoofdbrekens moet kosten.

Kalkmoerassen

Het areaal kalkmoerassen in Nederland is heel klein, het betreft in totaal 10-100 ha, verspreid over heel Nederland.
“Het habitattype betreft (meestal) veenvormende begroeiingen van kleine zeggen, andere schijngrassen en slaapmossen in basenrijke kwelmilieus. De meeste van deze kalkmoerassen zijn gelegen op de flanken van beekdalen. Ze komen ook wel voor in kwelzones op de overgang van hogere (pleistocene) zandgronden naar het rivierengebied. De basenminnende begroeiingen van dit habitattype komen in het riviergebied bovendien lokaal voor op zandige plekken, in duinvalleiachtige laagten. Daar treedt bij hoge rivierwaterstanden toestroom op van basenrijk grondwater, terwijl de plekken in de zomer sterk uitdrogen. Veenvorming vindt hier niet plaats.
Meestal zijn de begroeiingen van dit habitattype te herkennen aan een hoog aandeel aan bepaalde kleine zeggen en veenvorming. Veenvorming hoeft echter niet op te treden. In sommige brongebieden met kwel spoelt het organisch materiaal weg en vormt zich geen veen. Onder dergelijke omstandigheden kan zich eventueel in het kalkmoeras van dit habitattype kalktuf vormen, maar dit gebeurt zelden.
 
Het kalkmoeras komt voor op natte, basenrijke plekken met een grondwaterstand die in winter en voorjaar rond het maaiveld ligt, en een pH-H2O van minimaal 5,5 (zwak zuur tot basisch). De standplaatsen zijn slechts matig productief, niet alleen door het ontbreken van bemesting maar ook door vastlegging van fosfaat aan calcium en ijzer.
Waar het type afhankelijk is van aan maaiveld uittredend grondwater (heuvelland, beekdalen en hogere zandgronden) is het zeer gevoelig voor veranderingen in de hydrologie. Omdat het vaak gaat om lokale kwelstromen is het type daar bovendien gevoelig voor bemesting in het nabijgelegen intrekgebied, omdat die kan leiden tot verhoogde nitraat- en sulfaatgehaltes in het toestromende grondwater.
Het type is potentieel ook zeer gevoelig voor de verzurende en vermestende werking van atmosferische stikstofdepositie. Mits de waterhuishouding op orde is, zullen de effecten hiervan echter naar verwachting meevallen.(!) De aanvoer van basen- en ijzerrijk grondwater zorgt niet alleen voor een goede zuurbuffering, maar ook voor de vastlegging van fosfaat en daarmee fosfaatbeperking.”
Volgens Alterra is dit habitattype echter zeer gevoelig voor stikstofdepositie (1100 mol/ha/jaar, ofwel maximaal 15 kg stikstof per jaar, terwijl uit het bovenstaande toch echt de conclusie kan worden getrokken dat ook hier relatief zeldzame omstandigheden ten aanzien van hydrologie, fosfaatgehalte en kalkgehalte van het grondwater van veel groter belang zijn voor de instandhouding van dit zeer zeldzame habitat-type.

Zinkweiden

In Nederland zijn in totaal nog 1-10 ha zinkweiden over gebleven. En dat is eigenlijk maar goed ook. Zinkweiden komen namelijk voor op plekken waar zink in toxische concentraties voorkomt. Deze vegetaties zijn betrekkelijk soortenarme graslanden met een min of meer gesloten vegetatie. Ze komen voor op droge, kalkarme en niet te voedselrijke bodems en hebben een flora met diverse plantensoorten die zijn aangepast aan de uitzonderlijke standplaatsomstandigheden (zink!).
“In Nederland komt zinkvegetatie alleen voor in de overstromingsvlakte (vooral de meer zandige delen) langs de Geul in Zuid-Limburg. Hier is in het verleden zinkhoudend sediment afgezet, afkomstig van zink- en loodmijnen in België.
Hoe de aan deze specifieke omstandigheden aangepaste flora zou kunnen worden verdrongen door reguliere planten als gevolg van bemesting met stikstof is me eigenlijk niet duidelijk.
Alhoewel veel plantensoorten niet of nauwelijks tolerant zijn voor de relatief hoge zinkgehaltes van zinkweiden is het toch zo dat voor de instandhouding van de zinkweiden verschralend beheer nodig is (door begrazing en/of hooien). De noodzaak hiervan neemt toe bij een toenemende invloed van geëutrofieerd beekwater. (Echter, door afvoer van het maaisel zal ook een gedeelte van de door de planten opgenomen zinkvoorraad –versneld- worden afgevoerd)
In de afgelopen decennia is het habitattype zowel in oppervlakte als in kwaliteit achteruitgegaan. Vermoedelijk zijn de graslanden met zinkplanten langs de Geul nog tot halverwege de vorige eeuw redelijk intact gebleven. Beschrijvingen uit de jaren dertig en veertig vermelden dat de Geulweiden in mei op sommige plekken geel zien van de zinkviooltjes.
Vroeger kwam de zinkflora stroomafwaarts voor tot Partij-Wittem, maar tegenwoordig wordt de noordgrens bij Mechelen bereikt. Goed ontwikkelde zinkweiden komen alleen nog maar op enkele plekken voor langs de Geul vlakbij de Belgische grens. Ten dele (?) is dit toe te schrijven aan het feit dat er geen vers zinkhoudend sediment meer wordt afgezet. Vermesting met meststoffen uit de agrarische omgeving speelt echter onmiskenbaar ook een rol. Ten slotte heeft de laatste omvangrijke groeiplaats van zinkplanten te lijden onder afkalving. Het gaat om een terrein op de bovenrand van een buitenbocht van de Geul.
De achteruitgang in areaal heeft ook de laatste jaren nog doorgezet: In de periode 1994-2004 is nog steeds sprake van een verdere achteruitgang in oppervlakte en kwaliteit van de zinkvegetatie in ons land. Huidig oppervlakte ongeveer 1 ha.”
Geconcludeerd kan dus worden dat de zinkweiden is stand kunnen blijven door het toepassen van specifiek beheer en dat de gevoeligheid voor bemestende stikstofneerslag alleen indirect een invloed zou kunnen hebben op dit vegetatie-type. Wat wel zou helpen is natuurlijk nieuwe afzetting van zinksediment (= bestaand beheer), maar misschien dat dit weer een brug te ver is?

Heideschrale en Blauwgraslanden

Ook Heideschrale weilanden zijn zeldzaam in Nederland, er is nog 10-100 ha in Nederland over. Het habitattype is in ons land aan te treffen in het heuvelland, de duinen en op de hogere zandgronden van het binnenland.
Heischrale graslanden komen voor op licht gebufferde, zwak zure tot matig zure, meestal sterk humeuze bodems. Op vochtige tot natte standplaatsen wordt het vochtgehalte en de zuurgraad vooral gebufferd door de bodem zelf.
De voor dit habitattype kenmerkende plantensoorten zijn enerzijds kalkmijdend, maar zijn anderzijds zeer gevoelig voor het aluminium dat op zure standplaatsen meestal in het bodemvocht aanwezig is. Op droge zand- en veengronden en kalkarme duinen is het type voor de vochtvoorziening en buffering meestal afhankelijk van de externe aanvoer van basen met zacht grondwater van lokale herkomst.
Een kenmerkende standplaats is aan de rand van laagtes en van beekdalen, in de overgang tussen regenwatergevoede heide enerzijds en door hard grondwater gevoede blauwgraslanden en vennen anderzijds. Ook kan het door verzuring ontstaan uit blauwgraslanden (H6410), als tussenstadium in de ontwikkeling naar zure heidevegetaties.
Teneinde heischrale graslanden te realiseren/behouden is het noodzakelijk dat successie naar struik- en bosfase en verruiging wordt tegengegaan. De vegetatie verdraagt een extensieve beheersvorm. Het is verder van belang dat de bodem zijn zwak bufferend vermogen behoudt.
Gevoeligheid voor stikstofdepositie: zeer gevoelig. Dat geldt niet alleen voor situaties waar het habitattype voor de zuurbuffering afhankelijk is van de verwering van mineralen uit de bodem, maar ook voor situaties waar het afhankelijk is van buffering door aanvoer van lokaal grondwater.
In de meeste heidegebieden is het oppervlakkige grondwater als gevolg van depositie sterk verzuurd en heeft daardoor geen bufferende werking meer. De associatie van klokjesgentiaan en borstelgras is daarnaast ook gevoelig voor veranderingen in lokale hydrologie die kunnen leiden tot een afname van kwel.
In de duinen en Zuid-Limburg is het habitattype zeer zeldzaam (oppervlakte < 10 ha). Op de hogere zandgronden is het type wijd verspreid, maar is de oppervlakte aan goed ontwikkelde, vlakdekkende vormen van het habitattype gering (10-100 ha).
Bij heideschrale graslanden kan dus worden gezien dat dit habitattype allereerst zeer zeldzaam voorkomt, zeer afhankelijk is van beheer (verruiging moet worden tegengegaan, een maatregel waarin staatsbosbeheer, om eerder genoemde redenen, niet uitblinkt) en standplaats en waarin de rol van stikstof nog wordt gekenmerkt door de door veronderstelde rol in de verzuring van het lokale grondwater.
Blauwgraslanden zijn soortenrijke hooilanden op voedselarme, basenhoudende bodems die ’s winters plasdras staan en ’s zomers oppervlakkig uitdrogen. Blauwgraslanden vragen hooilandbeheer, toevoer van basenrijk water, tegengaan van verruiging en zo nu en dan opbrengen van organisch materiaal om verzuring tegen te gaan.
Het habitattype komt optimaal voor op voedselarme, matig zure tot neutrale bodems. Buffering vindt plaats door aanvoer van basen met grond- en/of oppervlaktewater. In de winter staat het grondwater aan of op maaiveld, in de zomer zakt de grondwaterstand enkele decimeters of meer weg.
In het landschapstype meren en moerassen kwamen aan het begin van de 20e eeuw nog de grootste oppervlakten blauwgrasland voor. Door gebrekkige bemaling stonden veel polders in de winter langdurig onder water, waardoor aanvoer van basen optrad. Door de verbeterde bemaling is deze aanvoer verdwenen. In boezemlanden en zomerpolders treden nog wel winterinundaties op. Hier komen plaatselijk nog goed ontwikkelde blauwgraslanden voor. De bodem van deze (voorheen) overstroomde standplaatsen bestaat uit kleiïg veen of klei-op-veen. Kwel naar maaiveld speelt in deze systemen geen belangrijke rol, doordat de kweldruk –indien aanwezig- in dit vlakke landschap laag is en de weerstand van de deklaag hoog.
Zowel in de beekdalen als op de hogere zandgronden wordt het habitattype sterk bedreigd door verlaging van grondwaterstanden, die tot gevolg hebben dat onvoldoende bufferstoffen doordringen tot in de wortelzone. In de beekdalen kan ook overstroming met eutroof en slibrijk water leiden tot achteruitgang van het blauwgrasland.
Het type is zeer gevoelig voor stikstofdepositie en verlangt dus een goede luchtkwaliteit.
Het habitattype is in de periode 1975 – 2000 aangetroffen in meer dan vijftig uurhokken, maar in de meeste gebieden neemt het habitattype slechts een kleine oppervlakte in. De oppervlakte aan goed ontwikkeld blauwgrasland bedraagt in totaal naar schatting 100 ha, waarvan ongeveer 50 ha goed zijn ontwikkeld.
Dit habitattype betreft soortenrijke graslanden op neutrale tot zwak zure, voedselarme bodems met wisselende grondwaterstanden, die meestal al vele decennia lang extensief beheerd (gehooid) worden.
Blauwgrasland verlangt dus hooilandbeheer waardoor grote hoeveelheden organisch materiaal per jaar worden afgevoerd, terwijl ook organisch materiaal moet worden toegevoerd om verzuring tegen te gaan. Internationaal wordt overigens als kritische grenswaarde aangehouden de range van 15-25 kg stikstof per ha/ jaar; toevallig komt dat dus overeen met de gemiddelde landelijke stikstofdepositie…
Waarom het type zo gevoelig is voor stikstofdepositie wordt niet nader toegelicht. Het ontstaan van blauwgraslanden heeft zijn oorsprong in extensieve landbouw die op marginale gronden (met een veel te hoge grondwaterstand) werd toegepast (hooilandbeheer).
Het is dan ook meer dan waarschijnlijk dat de teloorgang van het blauwgrasland samen hangt met de teloorgang van het hooiland. Hooi wordt de laatste decennia natuurlijk op grote schaal vervangen door kuilvoer. Hooilanden waren vaak graslanden waren die te vochtig waren om als weiland te gebruiken. In streken met extensieve landbouw werden deze gronden wel gemaaid werden maar niet bemest. Zo ontstonden voedselarme schraalgraslanden die zich kenmerkten door een bijzondere plantengroei.
De opkomst van kunstmest maakte daarna (net zoals bij de heidevelden het geval was) een einde aan deze vorm van beheersmatige verschraling. Het is dan ook niet zo dat deze blauwgraslanden ‘van nature’ ontstonden, maar (ook) direct zijn terug te voeren op een specifiek beheer.

Oude eikenbossen

Het gaat hier om een nieuwe, verkorte naam voor het habitattype ‘Oude zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met Quercus robur (H9190)’.
Ook dit betreft een nogal zeldzaam habitattype in Nederland met een areaal van 100-1000 ha.
“Het habitattype komt voor op kalkarme, zeer voedselarme, vochtige tot droge zandgronden, vaak met een duidelijk podzolprofiel. Het zijn stuif- en dekzanden die door de wind zijn afgezet of in het verre verleden door gletsjerijs opgestuwde en verspoelde zanden. De bodem wordt enkel gevoed door regenwater, waardoor uitspoeling van mineralen naar de diepere ondergrond optreedt.
De ondergroei is door de arme bodem doorgaans soortenarm en bestaat vooral uit zuurminnende dwergstruiken, grassen, mossen en paddenstoelen. Daaronder zijn een aantal typische soorten die vooral op oude boslocaties groeien.
De Oude eikenbossen zijn in het algemeen ontstaan in het heide- en stuifzandlandschap en hebben nu vaak de vorm van strubbenbossen. Zij onderscheiden zich daarmee van de bossen op de wat rijkere zandgronden (habitattype H9120), die overigens ook oud zijn en een boomlaag van eiken kunnen hebben.
Oude zuurminnende eikenbossen zijn van oorsprong algemeen en wijdverspreid in het pleistocene deel van ons land. Ze hebben echter sterk te lijden gehad door stikstofverrijking uit de lucht waardoor nitrofiele soorten toenemen; ook hebben veel van dergelijke bossen het veld moeten ruimen voor landbouwgrond en de aanplant van naaldhout. Door het achterwege blijven van beheersmaatregelen (hakhout) neemt de laatste decennia de rol van de Beuk (Fagus sylvatica) binnen deze eikenbossen geleidelijk toe. Het Fago-Quercetum gaat hierbij geleidelijk over in een echt beukenbos (Deschampsio-Fagetum) dat we niet meer tot habitattype 9190 rekenen.”
Meer toelichtende teksten zijn echter te vinden in het blad ‘de levende natuur’ (maart 2009):
Door successie zullen ook deze bossen geleidelijk worden gekoloniseerd door Beuk, maar aanzienlijk minder snel dan de oude eikenbossen op stuwwalmateriaal. Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina) is vaak al een groot probleem. Vooral op landduinen en randwallen vormt Amerikaanse vogelkers een bedreiging, onder andere voor Zevenster en Groot gaffeltandmos. Zowel dominantie van Beuk als Amerikaanse vogelkers kan worden voorkomen door tijdig in te grijpen.
De huidige Oude eikenbossen hebben zich voor een belangrijk deel spontaan ontwikkeld in de (stuifzand)heide en doen dit nog steeds.
Het zijn in feite de meest natuurlijke eikenbossen van Nederland. Het beheer van Oude eikenbossen is dan ook het meest kansrijk als ze als onderdeel van het heide en stuifzandlandschap worden gezien. Hakhoutbeheer is hier geen optie. Het vereist een relatief hoge bodemvruchtbaarheid en lage graasdruk en speelde op de zeer voedsel- en leemarme bodems van habitattype Oude eikenbossen ook vroeger nauwelijks een rol.
Begrazing des te meer. De aanwezigheid van open vegetaties in combinatie met een hoge graasdruk blijft de belangrijkste natuurlijke voorwaarde voor het behoud en herstel van dit habitattype.
In Beuken-Eikenbossen met Hulst treedt nauwelijks spontane verjonging van eik op.
Wanneer hier zou worden ingezet op behoud van door eik (met name Wintereik), gedomineerd bos, is dit op termijn alleen mogelijk door kunstmatige verjonging (bijplanten) van eik en tegelijkertijd het bestrijden van Beuk. Dit is het minst bewerkelijk in terreindelen die (nog) niet worden gekoloniseerd door Beuk. Bij een meer natuurlijke ontwikkeling zal er naar verwachting een bosmozaïek met Beuk en Hulst ontstaan. De Noord-Veluwse boombossen, zoals bosreservaat Pijpebrandje in het Speulderbos, geven een indruk hoe ongestoorde beukenbossen op de hogere zandgronden eruit komen te zien: hoog, donker bos, afgewisseld met groepen aftakelende dikke beuken, verjongingseenheden en door begrazing opengehouden ruimten met mantels van Hulst. En vooral veel dood hout. Dergelijke bossen kunnen worden gezien als een nieuwe historische laag op het oude boslandschap”
We kunnen dus concluderen dat het ‘oude eikenbos’ zich, als successie, heeft op ontwikkeld op de door (beheersmatige) verschraling ontstane heidelandschappen. Bij het wegvallen van dit beheer ontstaat een schraal bos, wat in stand gehouden zou kunnen worden door begrazing, maar wat (door successie) natuurlijkerwijs zou worden vervangen door een ander bostype, met Beuk en Hulst.
In hoeverre een lagere stikstofdepositie zou kunnen zorgen voor behoud van dit type bos is dan ook geen uitgemaakte zaak. Het blijft immers een kunstmatig type bos, wat zich onder meer natuurlijke omstandigheden nooit zou zijn ontstaan in Nederland, of het zou in ieder geval nooit een ‘oud bos’ zijn geworden, dat is immers alleen te danken aan het (onbewuste) beheer wat bij deze bossen is gevoerd (eerst heidevorming, daarna begrazing).
Er kan dus ook bij dit habitat-type worden vastgesteld dat niet de stikstofdepositie, maar het beheer van het gebied de belangrijkste voorwaarde is voor het al dan niet kunnen ontstaan en ook voortbestaan van dit type bos.

Door de bomen geen bos meer zien?

Maar het probleem zit dieper volgens de auteurs van het Kennisnetwerk ‘Ontwikkeling en Beheer Natuurkwaliteit’ (OBN). Het OBN is een onafhankelijk en innovatief platform waarin beheer, beleid en wetenschap op het gebied van natuurherstel en – beheer samenwerken; ontwikkelt en verspreidt kennis met als doel het structureel herstel en beheer van natuurkwaliteit. Het OBN Kennisnetwerk wordt gefinancierd door BIJ12 (een uitvoeringsorganisatie voor de twaalf provincies, bevoegd gezag van de Wet natuurbescherming) en het ministerie van Economische Zaken.
In de brochure “Arme bossen verdienen beter”( door Burg, A. van den, Bijlsma, R.J. & Bobbink R., 2015) wordt de zorgwekkende situatie van de bossen als gevolg van de stikstofdepositie nog eens helder onder het voetlicht gebracht:
“Bossen van het droog zandlandschap van Noordwest- Europa staan bekend als ‘arme bossen’. Het landschap waarin ze voorkomen was tot in de 20ste eeuw overwegend een heidelandschap. Op de voedselarme heide- en stuifzandbodems zijn vanaf 1900 vooral naaldbossen geplant. Inmiddels zijn in deze voormalige plantages volop kenmerken aanwezig van oudere, meer natuurlijke bossen, zoals dikke levende en dode bomen, natuurlijke verjonging van inheemse loofbomen en een gevarieerd lichtklimaat. […]
Oud bos is zeldzaam. Van het totale areaal bos (2286 km²) is er 2910 ha wat zich kwalificeert als Oude eikenbossen (waarvan 1630 ha op de Veluwe). Een ander gevoelig inheems bostype is het Beuken-eikenbos met hulst waarvan in Nederland ongeveer 12.300 ha aanwezig is (5.940 ha op de Veluwe). Van het huidige areaal bos op de Veluwe ligt 30% op een oude bosgroeiplaats en daarvan is 30% wat zich kwalificeert als habitattype. De rest is omgevormd naar naaldbos. […]
De biodiversiteit van onze droge bossen neemt toe naarmate ze ouder worden. De soortenrijkdom wordt pas goed zichtbaar als de bomen de kans krijgen op natuurlijke wijze af te takelen en te sterven. Bomen van de belangrijkste soorten in het droog zandlandschap kunnen enkele eeuwen oud worden. De aftakelings- fase wordt dus nog maar op enkele plekken bereikt in Nederland […]
De bosbodem ontwikkelt zich steeds verder naarmate het bos ouder wordt en oude bosgroeiplaatsen kennen ook een meer diverse bodemfauna in vergelijking met jonge bosbodems. Veel typische bossoorten hebben zich nog maar betrekkelijk kort geleden weten te vestigen. Zo dateert het eerste broedgeval van de zwarte specht van 1913. Dit zijn allemaal positieve ontwikkelingen voor de natuurwaarden van onze bossen.”
Maar dan keert het tij volgens de brochure:
“Recent zien we echter dat sommige diersoorten in bossen op de droge zandgronden het slecht doen. In het oog springend is de achteruitgang van roofvogels, zoals de sperwer en havik, de lage stand van rode bosmieren en van vlinderrupsen, zoals de kleine en grote wintervlinder, die normaal veel op zomereik voorkomen. Ook zijn mycorrhiza-paddenstoelen afgenomen en treedt regelmatig eikensterfte op. Voor bijna geen enkele soort is al precies ontrafelt welk samenspel van oorzaken voor de achteruitgang verantwoordelijk is.
Onderzoek dat voor een deel is uitgevoerd vanuit het OBN-Deskundigenteam Droog Zandlandschap heeft wel laten zien dat de combinatie van stikstofdepositie en nutriëntengebrek debet is aan de negatieve trend van veel soorten en ook negatieve effecten lijkt te hebben op de vitaliteit van de zomereik. Deze problematiek is al eerder beschreven voor heidegebieden en vinden we nu dus ook terug in bossen. Beheerders hebben weinig mogelijkheden om de te hoge stikstofbelasting op te lossen, maar kunnen wel de mineralen- en nutriënten- voorraad in het bos beïnvloeden en andere mitigerende ontwikkelingen aansturen.
Het bos- en heidelandschap van de droge zandgronden worden sterk beïnvloed door antropogene verzuring en vermesting. Stikstofdepositie zorgt voor een onnatuurlijk hoge toevoer van stikstof, wat een belangrijke meststof is voor planten. Dit zien we bijvoorbeeld terug in de toegenomen vergrassing van heide- en bosgebieden. Een lage beschikbaarheid van stikstof is niet alleen een beperkende factor voor de groei van planten, maar ook voor herbivoren die van de planten eten. Je zou dan ook verwachten dat de extra stikstof goed is zowel voor de groei van de bomen als de ontwikkeling van herbivorenpopulaties. Er is echter meer aan de hand…
Stikstof, maar voorheen ook zwavelhoudende luchtverontreiniging, heeft namelijk ook een verzurend effect. Verzuring, oftewel afname van de buffercapaciteit, is een langetermijnproces dat ook van nature plaatsvindt door carbonzuur of organische zuren, maar wat (zeer sterk) versneld kan worden door de toevoer van zure of verzurende stoffen uit de atmosfeer. Afhankelijk van de bodemsamenstelling kan dit complexe proces leiden tot een lagere pH, verhoogde uitspoeling van kationen (vooral calcium, magnesium of kalium), verhoogde concentraties aan toxische metalen (vooral van aluminium, bij zeer lage pH ook ijzer) en veranderingen in de verhouding tussen nitraat en ammonium in de bodem door geremde nitrificatie. Daarnaast wordt de afbraaksnelheid van organisch materiaal in de strooisellaag geremd onder zure omstandigheden, waardoor de kringloop van voedingsstoffen via het gevallen blad wordt vertraagd. Tenslotte wordt de ontwikkeling van het wortelstelsel geremd door aluminiumtoxiciteit wanneer er als gevolg van voortschrijdende verzuring ook (zeer) veel aluminium vrijkomt in het bodemvocht.
Kortom, de bomen hebben relatief veel stikstof tot hun beschikking, maar juist weinig kationen als kalium, magnesium en calcium. Maar ook micronutriënten kunnen uitgespoeld zijn, zoals mangaan. Dit zijn voor de bomen ongebruikelijke standplaatscondities, waaraan bijvoorbeeld de zomereik zich slechts ten dele lijkt te kunnen aanpassen […]
“Het droge zandlandschap omvat bossen op vooral droge, van nature voedselarme en zure standplaatsen in glaciale gebieden (stuwwallen en keileemopduikingen), dekzand- en stuifzandgebieden. Dit zandgebied strekt zich uit van de Kempen tot in de Noord-Duitse laagvlakte. De relatief vruchtbare (lemige) delen van dit landschap en de overgangen naar vochtige laagtes en beekdalen zijn grotendeels al vroeg gekoloniseerd en ontgonnen tot landbouwgrond met karakteristieke plaggenbodems. Het niet-ontgonnen (woeste) heide- en stuifzandlandschap is in de 20ste eeuw ingeplant met naaldbos. Wat nu als natuurterreinen resteert, is het minst productieve deel van het landschap, in scherp contrast met de aangrenzende hoog-productieve landbouw.
De bodems van het droog zandlandschap worden niet verjongd of vernieuwd met kalk- of basenrijk materiaal dat van elders wordt aangevoerd zoals in het rivieren- en kustgebied. De wortelzone wordt niet regelmatig aangevuld met basische kationen vanuit het grondwater en er zijn geen gradiënten en dynamiek als gevolg van overstromingen, grondwaterstromen en -fluctuaties. Het is in abiotische zin het meest statische en daardoor ten aanzien van ecologisch herstel het meest problematische landschap. Verzuring, verwering van mineralen en uitspoeling van nutriënten zijn inherent aan dit landschap.”
Dit klinkt als een aardige samenvatting over het Veluwse landschap met als enige opmerking dat het “woeste heide- en stuiflandschap” niet zou zijn ontgonnen, waarmee toch stellig de indruk wordt gewekt dat hier sprake zou zijn van uniek woest natuurlijk natuurlandschap in Nederland.
Dat is niet zo. De woeste landschappen zijn ontstaan uit een intensief verschralend landschapsbeheer wat op den duur de gronden zodanig heeft uitgemergeld dat het voor ieder landgebruik ongeschikt was geworden en daarom maar werd ingeplant met grove densoorten, waarmee ook werd voorkomen dat het stuiflandschap de complete Veluwe zou overwoekeren.
De problemen van “de arme bossen” zijn dus de volgende:
  1. Diersoorten doen het slecht, met name roofvogels, rode bosmieren en vlinderrupsen;
  2. Afname van de Mycorrhizasoorten
  3. Eikensterfte
Maar is het dan ook zo dat stikstof verantwoordelijk zou moeten zijn voor deze problemen van de “arme bossen”? In het onderstaande wil ik puntsgewijs ingaan op deze vraag.
Ad a) Diersoorten doen het slecht, met name roofvogels, rode bosmieren en vlinderrupsen
Volgens de brochure hangen deze problemen samen met de hoge stikstofdepositie omdat stikstof ook een verzurend effect heeft. De lage pH zorgt vervolgens voor:
  1. Uitspoeling nuttige mineralen;
  2. Hogere concentratie zware metalen en aantasting van het wortelstelsel door met name vrijgemaakt aluminium;
  3. Lagere omzettingen van strooisellagen en dus een vertraging van de mineralenkringloop;
Het is een gemakkelijke oplossing, maar dat in arme zandgronden problemen ontstaan met betrekking tot mineralenvoorziening, wat vervolgens funeste gevolgen heeft voor de voedselketen, hoeft natuurlijk niet te wijten te zijn aan stikstofdepositie. Dat de problemen blijkbaar van recente oorsprong zijn, wijst misschien zelfs op andere oorzaken omdat de stikstofdepositie, zoals hierboven al behandeld, de laatste jaren flink is afgenomen.
De nutriëntenbalans van de arme zandgronden komt de laatste jaren steeds vaker in het nieuws en met name het calciumgebrek, wat ook zorgt voor steeds dunnere eieren, lijkt een probleem te zijn.
Vrij algemeen wordt aangenomen dat de verzuring van de gronden hiervoor verantwoordelijk is en dat dit wordt veroorzaakt door de depositie van verzurende stikstof. Maar is dat ook zo?
Het zou voor de huidige generatie natuurbeheerders- en liefhebbers goed zijn om de klassieke natuur-literatuur er nog eens op na te slaan. In 1935 zu in de Verkade-reeks het boek “Eik en beuk” verschijnen van de hand van Jac. P. Thijsse. Om onduidelijke redenen verscheen dit boek echter niet, maar werd het vervangen door “Hans de Torenkraai” van H.E. Kuylman.
De Heimans en Thijssestichting vond het echter de moeite waard om dit boek alsnog (in 1995) te publiceren en hierin is onder meer de volgende passage te vinden:
“Het afgevallen blad vergaat heel langzaam, onder sommige omstandigheden in jaren niet en dan komt er natuurlijk een dikke laag van traag schimmelend blad en dat is heel slecht want daardoor kunnen de beukenwortels dan geen lucht genoeg krijgen… Wormen, schimmels, bacteriën vreten en vernielen de afgevallen bladeren en waar zij ontbreken ziet het er met de bosgrond slecht uit. Dikwijls gaat op dat halfvergane blad dan nog een bladmos groeien, het witmos… Soms, waar ze talrijk zijn, vloeien ze ineen en vormen dan een grote moslaag, die blijft groeien en zich naar alle kanten uitbreidt en dan over het bladerendak nog een soort van veenlaag vormt…
Als de beuken eenmaal gemengd zijn met wat ander hout, met berken, hazelaars, dan komt er wat meer leven in de brouwerij. We krijgen dan eerder een goed verzorgde bodem en als dat eenmaal de goede kant opgaat dan wordt het hoe langer hoe beter en kunnen er zowaar nog wat aardige planten groeien in het beukenwoud…”
Tachtig jaar later laat ook Landschapsecoloog H. Smeenge het verschil zien wat de specifieke vegetatie teweeg brengt in de verschillende bossen, als hij het verschil tussen het Gasterse Holt en het Schipborger Holt in het noorden van Drenthe laat zien.
“Het Gasterse Holt staat uitbundig in bloei. De bosanemoon, de bosmuur: het zijn bijzondere soorten die typisch zijn voor oude, rijke bossen”, aldus Smeenge. Een paar kilometer verderop in het Schipborger Holt is het minder florissant gesteld met de soortenrijkdom.
Het Gasterse Holt (drassig elzen- of berkenbos met veel hazelaar en op de natste plaatsen grauwe wilg) is een weelderige ondergroei te vinden. De boombladeren die in het Gasterse Holt op de grond vallen, worden direct door wormen en ander bodemleven afgebroken. De voedingstoffen worden zo in de bodem opgenomen en komen geleidelijk voor de planten ter beschikking.
In het Schipborger Holt is de bodem een stuk zuurder. “Dit bos is jarenlang geplaagd. En als er al sprake was van bosherstel, dan werden er eiken en beuken geplant. Bomen die juist een zuur strooisel produceren. Daardoor is de soortenrijkdom achteruit gegaan.”
Dat eiken– en beukenblad in feite eenzelfde rol vervullen als ongemaaid gras voor de onvoldoende beheerde natuurgebieden (en dus zorgt voor de verzuring voor een gebied) kan natuurlijk niet worden ‘bewezen’ aan de hand van twee in elkaars nabijheid gelegen natuurgebieden, waar natuurlijk niet alleen de begroeiing, maar ook hoogteligging en bodemsoort van elkaar zullen verschillen, maar het geeft natuurlijk wel een indicatie.
Maar ook bij gelijke standplaatsen is waargenomen dat de bodem onder bomen met blad dat minder lignine bevat al snel een halve pH minder zuur is dan een bodem onder beukenbos.
De zuurgraad van de bosbodem wordt duidelijk beïnvloed door de begroeiing en het bodemleven van een bosbodem. Van vers gevallen eikenblad is bekend dat de pH rond de 4,3-4,7 ligt. Normaal gesproken wordt eikenblad, door het aanwezige bodemleven, echter afgebroken tot een relatief neutrale humus. Problemen ontstaan echter als het bodemleven niet op orde is.
Dit idee lijkt zich nu ook commercieel te bewijzen. ‘De Bosgroepen’ zijn onafhankelijke coöperatieve verenigingen van en voor eigenaren van bos- en natuurterreinen. waaraan meer dan 1500 leden zijn aangesloten. Dit zijn particulieren, stichtingen, landgoederen, abdijen, zorginstellingen, natuurbeschermingsorganisaties, waterleidingmaatschappijen en overheden, zoals waterschappen en gemeenten. Samen hebben deze leden ruim 400.000 hectare bos en natuur.”
Maar het idee van een gezonde bosbodem, veroorzaakt door een verstandige boomkeuze, is hier al stevig geworteld:
“Oorspronkelijk waren er in Nederland gemengde bossen, met daarin de linde en eik dominant aanwezig. Maar ook soorten als de iep, de zoete kers en de hazelaar waren rijk vertegenwoordigd.
Door menselijk gebruik is de bodemsamenstelling door de jaren heen echter ernstig verstoord. Mensen stuurden de bossamenstelling naar meer eik en beuk, vanwege de gebruikswaarden van deze houtsoorten en de eikels en beukennootjes die als voedselbron dienden voor de zwijnen. Daarna volgde overexploitatie doordat er meer geoogst werd dan er bijgroeide. Dit veranderde de bossen uiteindelijk tot heiden en stuifzand. Bosherstel kwam er met het massaal planten van naaldbomen (productiebossen) die op hun beurt te maken kregen met depositie van zwavel en stikstof…
Het gemiddelde Nederlandse bos bestaat nu veelal uit soorten die de bodem sterk verzuren. Naaldbomen, zoals de lariks en de grove den. Maar ook de eik en de beuk doen een flinke zure duit in het zakje. Via ons reguliere beheer en de projecten die we realiseren in opdracht van de provincie Noord-Brabant en de Europese Unie, beschikken we inmiddels over een flinke dosis kennis over de bosbodem. We werken veel samen met kennisinstellingen zoals Wageningen University & Research, Hogeschool van Hall Larenstein, HAS Hogeschool, de Katholieke Universiteit Leuven en partners zoals B-ware en stichting Bargerveen. Zo hebben we een goed beeld ontwikkeld van wat er nodig en mogelijk is om de bosbodem op arme zandgronden te helpen.
Onderzoek laat namelijk zien dat het toevoegen van rijk-strooiselsoorten het verschil kan maken. Daar waar rijk-strooiselsoorten de afgelopen decennia zijn aangeplant, zien we duidelijk een minder dikke strooisellaag en juist meer organisch materiaal in de bovengrond. Dat maakt een betere vochtvoorziening en een adequate opslag van voedingsstoffen mogelijk. En dat is precies wat we willen! Achterover zitten is wat ons betreft dus geen optie, want we kunnen als beheerders en eigenaren absoluut iets doen om de bosbodems op arme zandgronden en daarmee de kwaliteit en weerbaarheid van onze bossen te verbeteren.”
Verzuring door stikstof
Tegenover deze toch relatief harde data, zien we nauwelijks bruikbare onderzoeken die de gevreesde ‘verzurende werking’ van stikstof aantonen.
Er is een grondleggende studie van de hand van W. de Vries (“Verzuring: oorzaken, effecten, kritische belastingen en monitoring van de gevolgen van ingezet beleid”, Alterra-rapport 1699), thans hoogleraar op het gebied van de milieusysteemanalyse in Wageningen. Hij bezet hier de leerstoel “Integrale stikstofeffectanalyse”, en hij is dus bij uitstek de man wie de overheid zou kunnen adviseren ten aanzien van de ammoniak-problematiek en discussie die toen al meer dan twintig jaar speelde. Zijn lijvige studie uit 2008 naar verzuring, in opdracht van het Ministerie van VROM, zou dan ook de plaats bij uitstek moeten zijn om argumenten te vinden om de huidige inzichten ten aanzien van de stikstof-verzuring te rechtvaardigen.
Hoofdstuk 2 gaat over de oorzaken van de verzuring (inclusief ontkalking) van bodems. Volgens De Vries gaat het dan om:
  • Natuurlijke verzuring door het niet gesloten zijn van de koolstofkringloop
  • Verzuring door bosgroei en afvoer van hout
  • Verzuring door zure depositie door verstoring van de zwavel en stikstofkringloop.
Maar inhoudelijk blijkt de studie een tegenvaller: “Voor zure depositie wordt een inschatting gegeven van de bijdrage in de tachtiger jaren, waarover verschillende publicaties zijn en van de huidige bijdrage op basis van de afgenomen rol van stikstof en zwaveldepositie in de verzuring.”
Voor de inschatting van het verzurings-gevaar wordt vervolgens gesteld:
“In de tachtiger jaren schatten Van Alst en Diederen (1982) de gemiddelde potentiële verzuring door atmosferische depositie op 5.8 kmol/ha/jr, met een bijdrage van 45% door SO2 en 55% door NOx en NH3… In de milieubalans van 2003 (RIVM, 2003)  is aangegeven dat de landelijk gemiddelde zure depositie in 2001 op de natuur 3000 mol/ha/jr bedroeg, waarbij de bijdrage van stikstof dominant is, namelijk 2150 mol/ha/jr. Dit komt dus neer op een bijdrage van ca 28% voor SO2 en 72% door NOx en NH3… dit leidt tot een actuele verzuring van gemiddeld ca 1.4 kmol/ha/jr.”
Op basis van een vergelijk met de overige twee posten (de spontane omzetting van CO2 naar carbonzuur en verzuring door houtkap (“stikstofhoudende ionen kunnen hierbij buiten beschouwing blijven om dat deze van nature niet in de bodem voorkomen” (?)) komt De Vries nu uit op de volgende conclusies:
“Uit de resultaten blijkt dat in de tachtiger jaren de potentiele verzuring van de bodem onder natuur voor ca. 80-90% veroorzaakt werd door zure depositie. Momenteel is dat nog ca. 65-80%.”
Dit mag toch teleurstellend genoemd worden. Een verwijzing naar een nu 38 jaar oude studie (ten tijde van het rapport van De Vries ook al meer dan 25 jaar oud), geschreven in de midden van de zure-regen panieksituatie, is blijkbaar het fundament van onze huidige natuurwetenschappelijke (en bestuurlijke) kennis op dit gebied. In de jaren tachtig werd “zure regen” gezien als feit. Onderzoek was er op gericht om dit ook aan te tonen, omdat anders geen goed onderzoek was gedaan.
Dat De Vries het noodzakelijk vond om een onderzoek wat in deze tijd werd gedaan, van toen al meer dan 25 jaar oud, te gebruiken als ‘bewijs’ voor het bestaan van stikstof-verzuring, is eigenlijk onbegrijpelijk.
De studie van De Vries benoemt zelfs niet het gegeven dat strooisel, door de uitspoeling van humuszuren, melkzuuromzettingen van glucose in gras, of lignine-of looizuurophoping in beukenblad, een ‘natuurlijke’ oorzaak voor verzuring zou kunnen zijn.
Professor W. de Vries had dus in 2008 blijkbaar geen idee hoe verzuring kon optreden als het niet door verzurende depostitie kon komen.
In deze zin kunnen we het alleen maar met de commissie Remkes eens zijn: “Het beste dat de wetenschap te bieden heeft, is voortschrijdend inzicht.”
Hoe stikstofdepositie echter hoofdverantwoordelijk zou kunnen zijn voor de verzuring in bossen en waar dit (bijvoorbeeld) het geval zou zijn, kan dus op dit moment eigenlijk niet worden beantwoord.
Ad b)     Afname van de Mycorrhizasoorten
In de Nederlandse studies wordt geschreven alsof zonder meer vaststaat dat stikstof (in welke vorm dan ook) verantwoordelijk is, voor vrijwel alle negatieve effecten die een ecosysteem parten kunnen spelen. Iets wat voor een belangrijk deel op het conto kan worden geschreven van ‘wetenschappelijke improvisatie’.
Ook fenomenen die internationaal verspreid zijn zoals Eikensterfte en de achteruitgang van de populatie rode mieren, maar waarvoor nog geen afdoende verklaring bekend is, worden in Nederland zonder meer toegeschreven aan de funeste achtergronddepositie van stikstof, echter ook zonder maar een aanzet van wetenschappelijke onderbouwing.
Er zijn hierop maar in een enkel geval uitzonderingen te benoemen, maar daar waar deze wel gegeven wordt, valt er nogal wat op af te dingen. Een fraai voorbeeld hiervan is de WUR-studie: “Functionele diversiteit mycorrhizaschimmels onder druk door stikstofdepositie”(Ozinga, 2015)
Allereerst een kleine samenvatting van de studie:
“De ectomycorrhizaschimmels spelen een belangrijke rol bij onder andere de nutriëntenkringloop, de vastlegging van koolstof en de natuurlijke regeneratie van bomen. Hoge stikstofgehaltes in de bodem leiden echter tot een sterke afname van de abundantie en diversiteit aan mycorrhizaschimmels en dit kan doorwerken in het hele ecosysteem…
In Nederland komen veel bedreigde soorten nu alleen nog maar voor in de schrale randen langs oude bospaden, lanen en wegbermen met oudere bomen. De overeenkomst tussen deze standplaatsen is de geringe ophoping van strooisel en de vaak hogere basenverzadiging van de bodem…
De hoge stikstofbeschikbaarheid leidt in plantensoorten met ligninerijk strooisel (den, eik, beuk en Bochtige Smele) tot de vorming van polyfenolstikstofcomplexen. Zodra deze stoffen in de bodem vrijkomen uit het strooisel hebben ze een sterk remmende werking op de groei van veel mycorrhizaschimmels.
Strooiselextracten van Bochtige Smele uit Nederland bleken een sterker remmend effect te hebben dan strooiselextracten afkomstig uit gebieden met een lage stikstofdepositie in Zweden. Dit impliceert dat het niet zozeer het strooisel zelf is dat het negatieve effect veroorzaakt, maar vooral de interactie met stikstof.”
Het zou een aardig bewijs kunnen zijn, maar dan had men natuurlijk wel een stapje verder moeten gaan. Was de polyfenolstikstofcomplexen-hoeveelheid in de Zweedse Bochtige Smele inderdaad lager dan die van de Nederlandse soortgenoten?
In hoezo past Bochtige Smele in het rijtje van gekende verzuurders als Den, Beuk en Eik?
Het gras Bochtige Smele groeit op voedselarme grond en het is dan ook niet duidelijk hoe heeft men geconstateerd dat de Nederlandse variant inderdaad veel meer stikstof te verwerken heeft gekregen dan de Zweedse soortgenoten. Bovendien, waarom is gekozen voor Bochtige Smele die maar zelden voor dikke ophoping van strooiselpakketten zorgt.
Het zou dan ook aardig zijn om te weten waarom juist Bochtige Smele in het rijtje is geplaatst met “Den, Beuk en Eik”. Het zal toch niet zo zijn dat een Alterra-onderzoeker op vakantie in Zweden het wel een aardig idee vond om eens wat Zweedse plukjes Bochtige Smele mee naar huis te nemen om daar wat onderzoekjes mee te doen…. Waarom zou in een dergelijk onderzoek niet voor een veel meer voor de hand liggende soort als beukenblad gekozen?
Wat is de rol van polyfenolstikstofcomplexen überhaupt nu (ondanks de blijkbaar alarmerende hoeveelheid stikstofdepositie) is gebleken dat het aantal mycorrhizaschimmels zich, anders dan jarenlang werd aangenomen, al jaren aan het herstellen is, volgens het CBS.
De eerdere alarmerende berichten waren blijkbaar te wijten aan een verkeerde manier van tellen (!):
“Nadat diverse maatregelen om de stikstofdepositie terug te dingen zijn getroffen, bleek dit in eerste instantie weinig effect te hebben: “Het Centraal Bureau voor de Statistiek meldde in 2015 zelfs nog dat de bospaddenstoelen in de periode 1994 tot 2013 achteruit bleven gaan. Maar onlangs kwam het CBS plots met veel beter nieuws, over precies dezelfde periode: de verspreiding van stikstofgevoelige bospaddenstoelen bleek juist elk jaar met vijf procent toegenomen. Hoe kan dat?
Thom Kuyper, hoogleraar bodembiologie bij Wageningen University, heeft de verklaring. Hij bekeek samen met het CBS de beschikbare gegevens over paddenstoelen opnieuw. Wat bleek, de vermeende achteruitgang van de paddenstoelen kwam door een verkeerde manier van tellen. “Als je steeds in dezelfde proefvlakken paddenstoelen telt, kan het zijn dat een bepaalde soort uit dat vlak verdwijnt, bijvoorbeeld doordat een boom ouder wordt, maar dat die soort elders opduikt. Maar je registreert alleen dat ‘ie verdwijnt.” (https://downtoearthmagazine.nl/goed-nieuws-over-het-milieu-de-bospaddenstoelen-komen-terug/)
Ad c)     Eikensterfte
In de OBN studie uit 2013 wordt stellig de indruk gewekt dat de eikensterfte een (door de Nederlandse onderzoekers) opgelost probleem is:
“In een quick-scan in 2013 gaf tachtig procent van de beheerders van eikenbossen aan dat er sprake was van eikensterfte en een derde deel van hen betitelde de sterfte als ernstig, dat wil zeggen een sterftepercentage tussen de twintig en zestig procent. De meeste meldingen kwamen uit het oosten en zuiden van het land…
Oriënterend onderzoek heeft laten zien dat verminderd vitale en afstervende eiken nu vooral op zure (of verzuurde) gronden staan. Op deze gronden lijkt door verzuring de buffercapaciteit van de bodem zover te zijn afgenomen, dat de bomen gebrek krijgen aan Ca, K en Mg en onder andere verlaagde chlorofyl-concentraties in bladeren hebben. Dit kan ook weer leiden tot een verminderde resistentie tegen stressoren, zoals droogte en schimmelaantasting. Het is nog onduidelijk hoe het web van oorzaak-gevolg interacties er precies uitziet. De problematiek van hoge stikstof- en lage nutriëntengehalten die centraal staat in deze brochure sluit aan bij de bodem- en plantchemische bevindingen in het eikensterfte-onderzoek en speelt dus waarschijnlijk ook een rol.”
In het onderzoek ‘Eikensterfte in Nederland, Onderzoek naar omvang en achtergronden’ (A. Oosterbaan et al. 2001) worden echter ten aanzien van de eikensterfte nog hele andere conclusies getrokken:
“Uit de inventarisatie van de sterfte in 122 opstanden (waarvan 10 wintereik en de rest zomereik) blijkt dat de gemiddelde totale sterfte (oude en recente sterfte samen) meevalt: in 60% van de opstanden bedraagt de totale sterfte 0-4% van het stamtal. Maar in bijna een kwart van de opstanden van zomereik werd een sterfte van wel 10-20% en incidenteel zelfs van 50% vastgesteld. De meeste gevonden dode bomen zijn echter al langer dan ca. 2 jaar dood. De sterfte van de afgelopen ca. 2 jaar is in 72% van de opstanden weinig (0-1 %) en in slechts 4% van de opstanden veel (> 4 %). Dit beeld is minder verontrustend dan algemeen gedacht wordt.
Wel is het zo dat sterfte zich concentreert in gebieden met specifieke eigenschappen en derhalve in zo’n gebied sprake kan zijn van een situatie dat de sterfte de ontwikkeling van de eikenopstanden bepaald…
de sterfte vertoont een duidelijk verband met factoren die te maken hebben met de waterhuishouding. De hoge sterftecijfers worden vrijwel zonder uitzondering gevonden op bodemprofielen waar de boomwortels constant ín de invloedsfeer staan van het grondwater (grondwaterprofielen). De gemiddelde sterftepercentages zijn het hoogst op gronden met een sterk fluctuerende grondwaterstand (Gt III en V) en op gronden met een storende laag (bijv. keileem).
Op dit soort gronden heeft extreme neerslag zoals in 1993, 1994 en 1998 tot extreem hoge grondwaterstanden in het groeiseizoen geleid, waardoor wortelsterfte opgetreden kan zijn. Hierdoor worden de bomen droogtegevoeliger, waardoor droogteperioden zoals in 1996 meer dan normale schade kan veroorzaken.”
Een update van het onderzoek van het groen kennisnet, op 15 december 2018, geeft de volgende constateringen:
“Naast de droogte en aantasting door insecten speelt ook het effect van verzurende meststoffen een rol. Door stikstofdepositie spoelen basische kationen uit de bodem waardoor de toplaag verzuurt. Een boom kan daardoor minder calcium en kalium opnemen waardoor die wegkwijnt. Daarnaast speelt die verzuring een belangrijke rol bij de verstoring van de schimmelhuishouding. Mycorrhizaschimmels die samenleven met eiken, staan dan onder druk.
Toch is verzuring niet de hoofdoorzaak voor eikensterfte. Stikstofdepositie en verzuring zou vooral een Nederlands probleem zijn, terwijl eikensterfte ook voorkomt in het buitenland en op uitgesproken basische gronden. In Nederland komt eikensterfte voor op Brabantse zandgronden met een pH-KCl van 3 tot 4, maar ook in de Noordoostpolder met een pH tussen de 6 en 7.”
De relatie met stikstof is met andere woorden zo duidelijk nog niet…

Verzuring door stikstof

Tegenover deze toch relatief harde data, zien we nauwelijks bruikbare onderzoeken die de gevreesde ‘verzurende werking’ van stikstof aantonen.
Er is een grondleggende studie van de hand van W. de Vries (“Verzuring: oorzaken, effecten, kritische belastingen en monitoring van de gevolgen van ingezet beleid”, Alterra-rapport 1699), thans hoogleraar op het gebied van de milieusysteemanalyse in Wageningen. Hij bezet hier de leerstoel “Integrale stikstofeffectanalyse”, en hij is dus bij uitstek de man wie de overheid zou kunnen adviseren ten aanzien van de ammoniak-problematiek en discussie die toen al meer dan twintig jaar speelde. Zijn lijvige studie uit 2008 naar verzuring, in opdracht van het Ministerie van VROM, zou dan ook de plaats bij uitstek moeten zijn om argumenten te vinden om de huidige inzichten ten aanzien van de stikstof-verzuring te rechtvaardigen.
Hoofdstuk 2 gaat over de oorzaken van de verzuring (inclusief ontkalking) van bodems. Volgens De Vries gaat het dan om:
  • Natuurlijke verzuring door het niet gesloten zijn van de koolstofkringloop
  • Verzuring door bosgroei en afvoer van hout
  • Verzuring door zure depositie door verstoring van de zwavel en stikstofkringloop.
Maar inhoudelijk blijkt de studie een tegenvaller: “Voor zure depositie wordt een inschatting gegeven van de bijdrage in de tachtiger jaren, waarover verschillende publicaties zijn en van de huidige bijdrage op basis van de afgenomen rol van stikstof en zwaveldepositie in de verzuring.”
Voor de inschatting van het verzurings-gevaar wordt vervolgens gesteld:
“In de tachtiger jaren schatten Van Alst en Diederen (1982) de gemiddelde potentiële verzuring door atmosferische depositie op 5.8 kmol/ha/jr, met een bijdrage van 45% door SO2 en 55% door NOx en NH3… In de milieubalans van 2003 (RIVM, 2003)  is aangegeven dat de landelijk gemiddelde zure depositie in 2001 op de natuur 3000 mol/ha/jr bedroeg, waarbij de bijdrage van stikstof dominant is, namelijk 2150 mol/ha/jr. Dit komt dus neer op een bijdrage van ca 28% voor SO2 en 72% door NOx en NH3… dit leidt tot een actuele verzuring van gemiddeld ca 1.4 kmol/ha/jr.”
Op basis van een vergelijk met de overige twee posten (de spontane omzetting van CO2 naar carbonzuur en verzuring door houtkap (“stikstofhoudende ionen kunnen hierbij buiten beschouwing blijven om dat deze van nature niet in de bodem voorkomen” (?)) komt De Vries nu uit op de volgende conclusies:
“Uit de resultaten blijkt dat in de tachtiger jaren de potentiele verzuring van de bodem onder natuur voor ca. 80-90% veroorzaakt werd door zure depositie. Momenteel is dat nog ca. 65-80%.”
Dit mag toch teleurstellend genoemd worden. Een verwijzing naar een nu 38 jaar oude studie (ten tijde van het rapport van De Vries ook al meer dan 25 jaar oud), geschreven in de midden van de zure-regen panieksituatie, is blijkbaar het fundament van onze huidige natuurwetenschappelijke (en bestuurlijke) kennis op dit gebied. In de jaren tachtig werd “zure regen” gezien als feit. Onderzoek was er op gericht om dit ook aan te tonen, omdat anders geen goed onderzoek was gedaan.
Dat De Vries het noodzakelijk vond om een onderzoek wat in deze tijd werd gedaan, van toen al meer dan 25 jaar oud, te gebruiken als ‘bewijs’ voor het bestaan van stikstof-verzuring, is eigenlijk onbegrijpelijk.
De studie van De Vries benoemt zelfs niet het gegeven dat strooisel, door de uitspoeling van humuszuren, melkzuuromzettingen van glucose in gras, of lignine-of looizuurophoping in beukenblad, een ‘natuurlijke’ oorzaak voor verzuring zou kunnen zijn.
Professor W. de Vries had dus in 2008 blijkbaar geen idee hoe verzuring kon optreden als het niet door verzurende depostitie kon komen.
In deze zin kunnen we het alleen maar met de commissie Remkes eens zijn: “Het beste dat de wetenschap te bieden heeft, is voortschrijdend inzicht.”
Hoe stikstofdepositie echter hoofdverantwoordelijk zou kunnen zijn voor de verzuring in bossen en waar dit (bijvoorbeeld) het geval zou zijn, kan dus op dit moment eigenlijk niet worden beantwoord.
 Ad b)     Afname van de Mycorrhizasoorten
In de Nederlandse studies wordt geschreven alsof zonder meer vaststaat dat stikstof (in welke vorm dan ook) verantwoordelijk is, voor vrijwel alle negatieve effecten die een ecosysteem parten kunnen spelen. Iets wat voor een belangrijk deel op het conto kan worden geschreven van ‘wetenschappelijke improvisatie’.
Ook fenomenen die internationaal verspreid zijn zoals Eikensterfte en de achteruitgang van de populatie rode mieren, maar waarvoor nog geen afdoende verklaring bekend is, worden in Nederland zonder meer toegeschreven aan de funeste achtergronddepositie van stikstof, echter ook zonder maar een aanzet van wetenschappelijke onderbouwing.
Er zijn hierop maar in een enkel geval uitzonderingen te benoemen, maar daar waar deze wel gegeven wordt, valt er nogal wat op af te dingen. Een fraai voorbeeld hiervan is de WUR-studie: “Functionele diversiteit mycorrhizaschimmels onder druk door stikstofdepositie”(Ozinga, 2015)
Allereerst een kleine samenvatting van de studie:
“De ectomycorrhizaschimmels spelen een belangrijke rol bij onder andere de nutriëntenkringloop, de vastlegging van koolstof en de natuurlijke regeneratie van bomen. Hoge stikstofgehaltes in de bodem leiden echter tot een sterke afname van de abundantie en diversiteit aan mycorrhizaschimmels en dit kan doorwerken in het hele ecosysteem…
In Nederland komen veel bedreigde soorten nu alleen nog maar voor in de schrale randen langs oude bospaden, lanen en wegbermen met oudere bomen. De overeenkomst tussen deze standplaatsen is de geringe ophoping van strooisel en de vaak hogere basenverzadiging van de bodem…
De hoge stikstofbeschikbaarheid leidt in plantensoorten met ligninerijk strooisel (den, eik, beuk en Bochtige Smele) tot de vorming van polyfenolstikstofcomplexen. Zodra deze stoffen in de bodem vrijkomen uit het strooisel hebben ze een sterk remmende werking op de groei van veel mycorrhizaschimmels.
Strooiselextracten van Bochtige Smele uit Nederland bleken een sterker remmend effect te hebben dan strooiselextracten afkomstig uit gebieden met een lage stikstofdepositie in Zweden. Dit impliceert dat het niet zozeer het strooisel zelf is dat het negatieve effect veroorzaakt, maar vooral de interactie met stikstof.”
Het zou een aardig bewijs kunnen zijn, maar dan had men natuurlijk wel een stapje verder moeten gaan. Was de polyfenolstikstofcomplexen-hoeveelheid in de Zweedse Bochtige Smele inderdaad lager dan die van de Nederlandse soortgenoten?
In hoezo past Bochtige Smele in het rijtje van gekende verzuurders als Den, Beuk en Eik?
Het gras Bochtige Smele groeit op voedselarme grond en het is dan ook niet duidelijk hoe heeft men geconstateerd dat de Nederlandse variant inderdaad veel meer stikstof te verwerken heeft gekregen dan de Zweedse soortgenoten. Bovendien, waarom is gekozen voor Bochtige Smele die maar zelden voor dikke ophoping van strooiselpakketten zorgt.
Het zou dan ook aardig zijn om te weten waarom juist Bochtige Smele in het rijtje is geplaatst met “Den, Beuk en Eik”. Het zal toch niet zo zijn dat een Alterra-onderzoeker op vakantie in Zweden het wel een aardig idee vond om eens wat Zweedse plukjes Bochtige Smele mee naar huis te nemen om daar wat onderzoekjes mee te doen…. Waarom zou in een dergelijk onderzoek niet voor een veel meer voor de hand liggende soort als beukenblad gekozen?
Wat is de rol van polyfenolstikstofcomplexen überhaupt nu (ondanks de blijkbaar alarmerende hoeveelheid stikstofdepositie) is gebleken dat het aantal mycorrhizaschimmels zich, anders dan jarenlang werd aangenomen, al jaren aan het herstellen is, volgens het CBS.
De eerdere alarmerende berichten waren blijkbaar te wijten aan een verkeerde manier van tellen (!):
“Nadat diverse maatregelen om de stikstofdepositie terug te dingen zijn getroffen, bleek dit in eerste instantie weinig effect te hebben: “Het Centraal Bureau voor de Statistiek meldde in 2015 zelfs nog dat de bospaddenstoelen in de periode 1994 tot 2013 achteruit bleven gaan. Maar onlangs kwam het CBS plots met veel beter nieuws, over precies dezelfde periode: de verspreiding van stikstofgevoelige bospaddenstoelen bleek juist elk jaar met vijf procent toegenomen. Hoe kan dat?
Thom Kuyper, hoogleraar bodembiologie bij Wageningen University, heeft de verklaring. Hij bekeek samen met het CBS de beschikbare gegevens over paddenstoelen opnieuw. Wat bleek, de vermeende achteruitgang van de paddenstoelen kwam door een verkeerde manier van tellen. “Als je steeds in dezelfde proefvlakken paddenstoelen telt, kan het zijn dat een bepaalde soort uit dat vlak verdwijnt, bijvoorbeeld doordat een boom ouder wordt, maar dat die soort elders opduikt. Maar je registreert alleen dat ‘ie verdwijnt.” (https://downtoearthmagazine.nl/goed-nieuws-over-het-milieu-de-bospaddenstoelen-komen-terug/)
Ad c)     Eikensterfte
In de OBN studie uit 2013 wordt stellig de indruk gewekt dat de eikensterfte een (door de Nederlandse onderzoekers) opgelost probleem is:
“In een quick-scan in 2013 gaf tachtig procent van de beheerders van eikenbossen aan dat er sprake was van eikensterfte en een derde deel van hen betitelde de sterfte als ernstig, dat wil zeggen een sterftepercentage tussen de twintig en zestig procent. De meeste meldingen kwamen uit het oosten en zuiden van het land…
Oriënterend onderzoek heeft laten zien dat verminderd vitale en afstervende eiken nu vooral op zure (of verzuurde) gronden staan. Op deze gronden lijkt door verzuring de buffercapaciteit van de bodem zover te zijn afgenomen, dat de bomen gebrek krijgen aan Ca, K en Mg en onder andere verlaagde chlorofyl-concentraties in bladeren hebben. Dit kan ook weer leiden tot een verminderde resistentie tegen stressoren, zoals droogte en schimmelaantasting. Het is nog onduidelijk hoe het web van oorzaak-gevolg interacties er precies uitziet. De problematiek van hoge stikstof- en lage nutriëntengehalten die centraal staat in deze brochure sluit aan bij de bodem- en plantchemische bevindingen in het eikensterfte-onderzoek en speelt dus waarschijnlijk ook een rol.”
In het onderzoek ‘Eikensterfte in Nederland, Onderzoek naar omvang en achtergronden’ (A. Oosterbaan et al. 2001) worden echter ten aanzien van de eikensterfte nog hele andere conclusies getrokken:
“Uit de inventarisatie van de sterfte in 122 opstanden (waarvan 10 wintereik en de rest zomereik) blijkt dat de gemiddelde totale sterfte (oude en recente sterfte samen) meevalt: in 60% van de opstanden bedraagt de totale sterfte 0-4% van het stamtal. Maar in bijna een kwart van de opstanden van zomereik werd een sterfte van wel 10-20% en incidenteel zelfs van 50% vastgesteld. De meeste gevonden dode bomen zijn echter al langer dan ca. 2 jaar dood. De sterfte van de afgelopen ca. 2 jaar is in 72% van de opstanden weinig (0-1 %) en in slechts 4% van de opstanden veel (> 4 %). Dit beeld is minder verontrustend dan algemeen gedacht wordt.
Wel is het zo dat sterfte zich concentreert in gebieden met specifieke eigenschappen en derhalve in zo’n gebied sprake kan zijn van een situatie dat de sterfte de ontwikkeling van de eikenopstanden bepaald…
de sterfte vertoont een duidelijk verband met factoren die te maken hebben met de waterhuishouding. De hoge sterftecijfers worden vrijwel zonder uitzondering gevonden op bodemprofielen waar de boomwortels constant ín de invloedsfeer staan van het grondwater (grondwaterprofielen). De gemiddelde sterftepercentages zijn het hoogst op gronden met een sterk fluctuerende grondwaterstand (Gt III en V) en op gronden met een storende laag (bijv. keileem).
Op dit soort gronden heeft extreme neerslag zoals in 1993, 1994 en 1998 tot extreem hoge grondwaterstanden in het groeiseizoen geleid, waardoor wortelsterfte opgetreden kan zijn. Hierdoor worden de bomen droogtegevoeliger, waardoor droogteperioden zoals in 1996 meer dan normale schade kan veroorzaken.”
Een update van het onderzoek van het groen kennisnet, op 15 december 2018, geeft de volgende constateringen:
“Naast de droogte en aantasting door insecten speelt ook het effect van verzurende meststoffen een rol. Door stikstofdepositie spoelen basische kationen uit de bodem waardoor de toplaag verzuurt. Een boom kan daardoor minder calcium en kalium opnemen waardoor die wegkwijnt. Daarnaast speelt die verzuring een belangrijke rol bij de verstoring van de schimmelhuishouding. Mycorrhizaschimmels die samenleven met eiken, staan dan onder druk.
Toch is verzuring niet de hoofdoorzaak voor eikensterfte. Stikstofdepositie en verzuring zou vooral een Nederlands probleem zijn, terwijl eikensterfte ook voorkomt in het buitenland en op uitgesproken basische gronden. In Nederland komt eikensterfte voor op Brabantse zandgronden met een pH-KCl van 3 tot 4, maar ook in de Noordoostpolder met een pH tussen de 6 en 7.”
De relatie met stikstof is met andere woorden zo duidelijk nog niet…

Beleid en rechtspraak

Na deze technische uiteenzettingen is het natuurlijk ook goed om te zien hoe een en ander door de politiek is vertaald regels en hoe deze regels werden geïnterpreteerd door de rechtbanken.
Stikstof is natuurlijk vooral berucht door de uitspraken van de rechtbanken van Nederland, die telkens weer een streep lijken te zetten door de moeizaam bevochten compromissen over de regels waaraan moet worden voldaan om de natuur in Nederland te ontzien.
Meer hierover in de pagina over beleid en politiek (en een kort stukje herhaling).