De natuur van stikstof

achtergronden van een crisis

Op 29 mei 2019 besloot de Raad van State dat de wijze waarop Nederland haar ammoniak en stikstofoxide (reactief stikstof) uitstoot en depositie regelt, niet deugt. Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) vormde toen al bijna vier jaar het wettelijke kader om te beoordelen of voor activiteiten, waarbij reactief stikstof (ammoniak of stikstofoxiden) vrijkomt, al dan niet een natuurvergunning kon worden verleend.
Met het wegvallen van het PAS was het plotseling ook niet meer mogelijk om over te gaan tot vergunningverlening en kwamen duizenden (bouw) ontwikkelingsprojecten ineens stil te liggen. Een situatie die nu, een jaar later, nog steeds nauwelijks is veranderd.
Het is te hopen dat de huidige regering heeft geleerd van het zevenjarig traject om tot het PAS te komen, maar de tekenen zijn helaas niet gunstig.
Bij dit alles is de Raad van State, ’s lands hoogste rechtbank, naar eigen zeggen, zeker niet lichtzinnig te werk gegaan. Op 1 juli 2015 is de PAS in werking getreden. Ondanks de zeven jaar voorbereiding, twijfelde de Raad van State al snel aan het systeem van het PAS. (link 1)
Al in mei 2017 werden vragen gesteld aan het Europese hof over het systeem van de PAS. Op basis van de overwegingen van het Europese Hof besloot de Raad van State het PAS te vernietigen. Voor een groot deel van de Nederlandse bevolking (maar ook voor een groot aantal deskundigen) was echter zowel het probleem, als ook de oplossing van de Raad van State, volledig onbegrijpelijk. Wat gebeurde hier?
Luchtverontreiniging door reactief stikstof (stikstofoxiden en ammoniak) kreeg voor het eerst aandacht tijdens de ‘zure regen problematiek’. Het zou bijdragen aan de ‘zure regen’, die de natuur van Europa en Noord-Amerika ernstig zou aantasten. Volgens deskundigen dreigde een ‘ecologisch Hiroshima’ en alles werd in het werk gesteld om de veroorzakers van de zure regen (zwavel- en stikstofverbindingen) in hoog tempo succesvol aan te pakken. Recent onderzoek laat echter zien dat dit mogelijk toch nog niet genoeg is geweest.
Maar net zoals bij de ‘klimaatcrisis’ het geval is, zien we dat andere meningen en resultaten van andere vakgebieden, op het gebied van zure regen, misschien wel ten onrechte zijn genegeerd door de nieuwe generatie ‘stikstofdeskundigen’. De zure regendiscussie had immers ook andere oplossingen Ă©n mogelijke oorzaken aangedragen voor de problemen van de natuur op dat moment. Spelen die nu nog?

1. Stikstof fixatie in Nederland

Oorzaken en ontwikkeling van de theorie van de zure depositie in Nederland

2. De achtergronden van de omslag

Wat had ecologie eigenlijk te maken met verzuring?

3. De stikstofcrisis; modificatie van een theorie

Verschillen tussen de zure regen theorie en de stikstof-depositie

4. Kritische depositiewaarden

Wat zijn kritische depositiewaarden en welk belang dienen ze?

5. De zware overbelasting

Studies laten zien dat de ecosystemen van Nederland zwaar overbelast zijn door stikstofdepositie. Hoe erg is het?

6. Ontluisterend internationaal stikstofonderzoek

Vanaf 2010 mengen ook internationale onderzoekers zich in de stikstofdiscussie. Hoe verhoudt de Nederlandse situatie zich tot het buitenland?

7. Het juridisch gelijk

(Inter)nationale rechtbanken spreken zich uit

8. De lessen voor het klimaatdebat

Welke lessen kunnen worden getrokken ten aanzien van wetenschappelijke bewijsvoering?

De stikstof fixatie van Nederland

De ontwikkeling van de ‘zure regendiscussie’ is in het licht van de stikstofproblematiek van wezenlijk belang. Om de achtergronden hiervan enig recht te doen zou wellicht al te lang stilgestaan moeten worden bij zaken die momenteel eigenlijk al zijn ‘verjaard’. In de achterliggende bladzijden (zie link) is hierover (voor de liefhebbers) het nodige te vinden.
De zure regen-discussie in Nederland begon vrij laat. Het was pas nadat in West Duitsland een aantal alarmerende artikelen in grote tijdschriften waren verschenen, dat ook in Nederland vragen gesteld werden over hoe de situatie er nu eigenlijk in ons land uitzag.
Over de eerste stappen die Nederland zette in het zure regen debat geeft Buijsman, voormalig medewerker van het Planbureau voor de leefomgeving, een paar aardige doorkijkjes:
“In 1979 verscheen het SO2 Beleidskaderplan. Dit plan was het eerste voorbeeld van beleidsvoornemens op het terrein van de luchtverontreiniging op nationaal niveau. Het ging echter vooral over de luchtkwaliteit, hoewel de milieueffecten van zure regen en de rol van zwaveldioxide daarin ook terloops werden aangestipt: ‘Ook de adsorptie van SO2 aan het aardoppervlak draagt bij aan deze verzuring. Het betreft hier complexe verschijnselen die in verschillende landen worden bestudeerd. Kwalitatief zijn de verschijnselen te beschrijven, de getalsmatig uitwerking hiervan is nog moeilijk’ (
)
Lange tijd was de overheersende opinie in Nederland dat de emissie van zwaveldioxide wel maar die van stikstofoxiden niet van invloed was [op het ontstaan van zure regen. Dat veranderde begin jaren tachtig]. In mei 1982 vond in Maastricht het NOx-symposium plaats; een groots opgezet Amerikaans-Nederlands symposium in de statige zalen van het oude Gouvernement. Maar ook hier was de zure regen in de lezingen nog steeds geen serieus onderwerp. (
)In de marge van het symposium werd daarentegen door de wetenschappers wel al heel wat afgepraat over zure depositie – en niet zo zeer over zure regen – en ook over de rol van ammoniak daarin.
Ook waren ten tijde van dit symposium de eerste resultaten van de berekening van de ammoniakemissie in Nederland al bekend (Buijsman, 1983).
Het standpunt van een aantal Nederlandse wetenschappers dat, gezien de omvang van de ammoniakemissies in Nederland, ammoniak een grote bijdrage zou kunnen leveren aan de zure depositie in Nederland werkte ‘vooral bij de Amerikaanse collega’s danig op de lachspieren’.”
Maar, zo vertelt Buijsman verder: “Ruim een jaar later was de situatie echter drastisch veranderd. Een publicatie van een aantal Nederlandse onderzoekers in Nature had in Nederland een schokgolf veroorzaakt (Van Breemen et al., 1982). Wat al langer werd vermoed, konden de onderzoekers bevestigen: ammoniak droeg in Nederland bij aan de verzuring.”
Het artikel van Van Breemen (1982) (voluit: Breemen, N. van, P.A. Burrough, E.J. Velthorst, H.F. van Dobben, T. de Wit, T.B. Ridder & H.F.R. Reijnders (1982) ‘Soil acidification from atmospheric ammonium sulphate in forest canopy throughfall’, Nature 299: 548-550) wordt in vrijwel alle Nederlandse publicaties over de verzuringsproblematiek als game-changer beschouwd. Het artikel zelf is momenteel alleen nog verkrijgbaar achter een betaalmuur, maar het mag een prestatie van formaat heten dat een artikel van drie bladzijden blijkbaar (volgens de Nederlandse onderzoekers) zo’n opzien baarde.
De crux van het verhaal is dat het basische ammonium door de zuurgraad van het regenwater wordt omgezet in ammonium, wat vervolgens door bodemorganismen weer wordt omgezet in nitraat (nitrificatie). Bij deze omzettingen komen waterstof-ionen vrij (H+).
Nu was voordien aangenomen dat de nitrificerende bacteriĂ«n alleen bij hogere pH’s (tussen 7 en 8) hun werk deden, maar Van Breemen maakte aannemelijk dat dit niet het geval was. In combinatie met sulfaat trad de volgende reactie op:
(NH4)2SO4  +  4O2 →  2HNO3  +  H2SO4  +  2H2O
Met een grote omweg was ammoniak dus wel degelijk verzurend, aldus Van Breemen.
Het was dit onderzoek dat ten grondslag lag aan het felle anti-ammoniakbeleid wat de Nederlandse regeringen sinds de jaren tachtig tot uitvoer brachten. Met recht kan dus ook de vraag gesteld worden (en de vraag is door de Nederlandse onderzoekers ook regelmatig gesteld) waarom het internationale onderzoek deze Nederlandse bevindingen, op een enkele uitzondering na, grotendeels verwaarloosde.
Deze vraag wordt overigens wel beantwoord door Kandler in zijn weerlegging van de zure regen hypothese (1990):
“Nitrogen input by the deposition of NOx and ammonia are frequently claimed to cause better growth, but they are said to cause the deterioration of the soils and death of forests in the long term (e.g. Nihlgard, 1985; Hofmann, Heinsdorf and Krauss, 1990). However, with the exception of studies in the close vicinity of stables for mass production of farm animals, few reliable data on the actual effects of nitrogen deposition in forests are available. An increase in the nitrogen content of spruce needles and in topsoil, a typical effect of nitrogen fertilization, was observed in pollution gradients close to agricultural point sources of ammonia (Hofmann, Heinsdorf and Krauss, 1990). Yet, no increase in the nitrogen content of needles and topsoils and no enhanced growth have been shown in the vicinity of point sources of NOx, such as power plants or large towns. Actually, in large forest areas of central Europe, where there are annual deposition rates of 10 to 20 kg of nitrogen per hectare, the nutritional status of conifer forests has been found to be still suboptimal (Zöttl, 1990).”
De Nederlandse onderzoekers zijn inderdaad wel erg snel voorbij gegaan aan het feit dat in Hackfort, waar Nico van Breemen tot zijn opzienbarende ontdekking kwam, de stikstofdepositie wel erg hoog was: “In Hackfort is in bos een zure depositie van 64 kg stikstof (N) per ha per jaar gemeten. Dit betekent dat het bos tegenwoordig meer stikstof ontvangt dan het cultuurland omstreeks 1950 uit kunstmest kreeg.”(de Poel, 1992)
Ook het gegeven dat experimenteel onderzoek steeds uitwees dat de belangrijkste nitrificerende bacteriën inderdaad in belangrijke mate verstek laten gaan bij hogere zuurgraden (lagere pH dan 4) heeft nauwelijks geleid tot nader onderzoek naar welke micro-organismen dan verantwoordelijk zouden kunnen zijn voor de bevindingen van Van Breemen. Ook de grote reductie van de emissie van zwavelverbindingen, die nodig is voor de reactie die Van Breemen beschrijft heeft niet tot nader onderzoek geleid.
Echter, het botte negeren van het Nederlandse onderzoek, leidde er omgekeerd toe, dat de Nederlandse onderzoekers het internationale onderzoek ook niet langer serieus namen. In de Nationale milieuverkenning 2 (1991) kan worden geconstateerd dat het duurste wetenschappelijke onderzoek ooit; het NAPAP onderzoek van Amerika, (kosten: meer dan 500 miljoen dollar) volledig de grond wordt ingeboord, onder meer vanwege het feit dat de ammoniak-hypothese niet wordt behandeld. Dat geen enkel land ammoniak als oorzaak voor de zure depositie serieus nam (zo ook in het Noordse HAPRO-onderzoek wat in het NMV2 nog welwillend wordt beschreven), wordt de Nederlandse politici niet verteld.
Deze waren immers zeer tevreden over hun eigen inspanningen. In mei 1984 was er een eerste belangrijk debat tussen de Kamercommissie voor Milieu en de ministers Winsemius (Milieu) en Braks (Landbouw) over de zure regen. Geheel in lijn met de internationale ontwikkelingen volgden drastische stappen. De uitstoot van zwaveldioxide in Nederland kon 70 % minder. Stikstofoxide moest met 30% terug en ten aanzien van de ammoniakuitstoot moest in 2000 een reductie van 50% gehaald worden.
In 1985 volgde een grootscheepse campagne onder het motto; “Stop zure regen”. TV-spotjes, paginagrote advertenties in de dagbladen en ook straataffiches moesten het publiek bewust maken van de gevaren van zure regen. De ludieke vondst van Minister Braks van landbouw: “Tot de schijt ons doodt”, werd een soort van leidmotief van deze campagne.
De werderopleving van de bossen in de jaren negentig, werd dan ook al snel aan hun eigen beleidsinspanningen toegeschreven. De succesvolle (internationale) aanpak van de zwaveluitstoot door de zware industrie van Oost-Europa werd hiervoor grotendeels verantwoordelijk gehouden. Oud minister Winsemius laat dan ook optekenen: “Bij de aanpak van zure regen moest een relatief klein schroefje aangedraaid worden. Bij het klimaat gaat het wereldwijd om 60- tot 80% minder uitstoot van CO2 , terwijl de economie zich op een manier ontwikkelt waarbij er juist mĂ©Ă©r CO2 zal worden uitgestoten”.
Dat de gehele zure regen problematiek in feite ruste op vooronderstellingen die in latere onderzoekingen niet konden worden bevestigd, wordt in de latere na-beschouwingen, over zure regen-problematiek in Nederland, achterwege gelaten. Zo wordt in de beleidsevaluatie van het Planbureau voor de leefomgeving (Buijsman et al. 2010) “Zure regen, Een analyse van dertig jaar verzuringsproblematiek in Nederland” geconcludeerd:
  • Onderzoek heeft de afgelopen decennia bevestigd dat overmatige verzurende depositie leidt tot aantasting van natuurlijke ecosystemen;
  • Effecten van verzuring op bomen treden op wanneer ook andere stressfactoren spelen, zoals ziekten, stormen, koude, droogte en bijvoorbeeld te hoge concentraties aan ozon;
  • De bossen zijn niet doodgegaan, maar ze zijn wel aangetast. De atmosferische depositie van zuur (en stikstof) heeft meetbaar bijgedragen aan veranderingen in de bodemchemie, de grondwaterkwaliteit en het biodiversiteitsverlies in de ondergroei van bossen. Ook in andere ecosystemen zijn effecten opgetreden;
  • De schade aan de Nederlandse natuur zou aanzienlijk groter zijn geweest als de depositie van zuur (en stikstof) op het hoge niveau van 1980 was gebleven;
  • Bodemmodellen voorspellen dat het bereiken van een schadelijke bodemverzuring is vertraagd en dat de uitputting van de buffercapaciteit van bosbodems is uitgesteld. Metingen van de bodemchemie bevestigen dat de bodemverzuring in Nederland inmiddels minder snel gaat, maar nog steeds wel degelijk plaatsvindt;
  • Stikstof, een onderdeel van de verzurende depositie, heeft bovendien een vermestende werking. Zo leidt te veel stikstof tot een afname van het aantal soorten. Effecten van de vermestende werking van depositie blijken in het veld makkelijker te relateren aan de omvang van de depositie dan de strikt verzurende werking.
(
) De zure regen werd begin jaren tachtig in brede kring als een ernstig milieuprobleem ervaren. Milieuorganisaties speelden bij de bewustwording van het probleem een belangrijke rol. De Nederlandse overheid maakte later in voorlichtingscampagnes bewust gebruik van dit gevoelen om maatregelen aanvaardbaar te maken. Beleidsmaatregelen, zowel in Nederland als in Europa, kwamen vanaf het midden van de jaren tachtig tot uitvoering. De aanpak van het zure regen-probleem kwam, om met minister Winsemius te spreken, geleidelijk aan in de ‘beheersfase’. Kortom: er waren maatregelen genomen en deze zouden op termijn effect hebben.
Zure regen verdween daarmee uit de publieke aandacht. Het is dan ook lang geleden dat in de publieke media aandacht aan de zure regen is geschonken. Dit heeft ertoe geleid dat bij het grote publiek de indruk is ontstaan dat de zure regen geruisloos is verdwenen, dat het probleem misschien wel is opgelost of dat het om een hype ging en de overheid er nu liever het zwijgen toe doet.
Zoals uit het voorgaande is gebleken, is niets van dit alles waar. Media-aandacht – of het gebrek eraan – is een slechte indicator voor de ernst van een probleem. Van zure regen kan in dit opzicht worden gezegd dat aan de oplossing wordt gewerkt en dat dat veel tijd kost. Dit blijkt dan vanuit mediaoogpunt weinig interessant, met als gevolg dat zure regen de krantenkoppen al lang niet meer haalt (
)
De emissies van verzurende stoffen zijn in Nederland en in Europa fors afgenomen. Het grootste succes is geboekt bij zwaveldioxide. De emissies van stikstofoxiden en ammoniak bleken moeilijker aan te pakken. Bijgevolg is onder meer de emissie van ammoniak per hectare in Nederland nog steeds de hoogste in Europa.
Wel is door de emissiereducties de ernst van de verzuringsproblematiek in Nederland de afgelopen dertig jaar afgenomen. Het probleem van de zure regen is echter nog steeds niet opgelost. De verzuring gaat nog steeds door, zij het in een lager tempo dan voorheen.”
Er zijn hierbij geen referenties naar internationaal onderzoek waaruit inderdaad de conclusie kan worden getrokken dat de problematiek veel minder ernstig was dan in de jaren tachtig wel werd aangenomen. Sterker nog, iedere nuance ontbreekt in zijn geheel als wordt gesteld:
“Met de wetenschappelijke kennis van nu kan worden gesteld dat de genomen maatregelen tegen de zure regen zeker terecht zijn geweest. Voortschrijdende wetenschappelijke kennis heeft bovendien duidelijk gemaakt dat het probleem van de zure regen niet op zichzelf staat. Het vertoont door de aard van de onderliggende oorzaken samenhang en overlap met andere milieuproblemen als vermesting, schade door ozon, biodiversiteitsverlies en klimaatverandering. De kosten van het beleid hadden daarom lager kunnen uitvallen als eerder met deze samenhang rekening zou zijn gehouden.”
Hoe het Nederlandse Planbureau voor de leefomgeving zich dit laatste voorstelt, wordt helaas niet nader omschreven. Maar alleen de suggestie dat er nog meer geĂŻnvesteerd had moeten worden in het verzuringsbeleid, om daarmee bijvoorbeeld de klimaatverandering tegen te gaan, vraagt toch om nadere informatie.
Geconcludeerd kan echter wel worden dat zo ongeveer alle vaststellingen van het PBL discutabel zijn. Zo had een groot deel van het onderzoek van de laatste decennia (de tekst is uit het jaar 2010), zoals nog zal worden besproken, helemaal niet uniform aangetoond dat overmatige verzurende depositie leidt tot aantasting van natuurlijke ecosystemen. De onderzoeken waarnaar het PBL in haar verdiepingshoofdstuk refereert zijn nagenoeg allen van Nederlandse of Vlaamse onderzoekers, terwijl van de enige werkelijk bekende internationale auteur (Ulrich), alleen het oude onderzoek uit 1983 wordt benoemd, op een tijdstip dat hij allang had te kennen gegeven (1995) dat zijn theorie van destijds, “niet door de data werd gesteund en als weerlegd kon worden beschouwd”.
Voordat de andere stellingen van het PBL worden besproken dient hierover eerst duidelijkheid te  zijn; had het onderzoek van de afgelopen decennia inderdaad bevestigd dat overmatige verzurende depositie leidt tot aantasting van natuurlijke ecosystemen?

De achtergronden van de omslag

Zoals het PBL over de situatie in Nederland al had bericht; langzaam verdween de aandacht voor de zure regen. Ook van de internationale wetenschappelijke pers. Aanzienlijke reducties van zwavel en stikstofoxides in de rookgassen maakten, samen met een aanzienlijke verbetering van de vitaliteit van de bossen, dat de hypothese van het ‘Waldsterben’ steeds minder aannemelijk werd. De omslag van Ulrich in 1995 zette voor velen eigenlijk een punt achter het thema. Kwesties als klimaatverandering bleken plotseling veel interessanter.
Het wetenschappelijke materiaal wat voor de grote omslag had gezorgd bleef daarmee echter ook onderbelicht. De vele miljoenen die destijds aan wetenschappelijk onderzoek naar de zure regenproblematiek werden besteed hadden beter verdiend. Ook al omdat uit dit materiaal veel duidelijk werd over hoe ecosystemen functioneren en er werd aanzienlijke progressie geboekt in het vakgebied wat zich met de studie hiervan bezig hield.
Binnen de ecologie bestaan twee belangrijke stromingen met betrekking tot de aard van gemeenschappen. Aan de ene kant is er de zgn. holistische stroming waarvan de eerste gezaghebbende studie in 1916 verscheen, van de hand van Frederic Clements.
Hij zag dat bepaalde plantensoorten vaak samen konden worden aangetroffen. Op grond hiervan kwam hij tot de conclusie dat het gedrag van de planten niet individueel kan worden bestudeerd, maar moet worden gezien binnen een plantengemeenschap waar het deel van uitmaakt.
De plantenassociaties, of vegetatietypen, staan volgens Clement in wisselwerking met hun omgeving. Een vegetatietype kan de abiotische omgeving zodanig beïnvloeden dat ruimte ontstaat voor haar eigen optimale functioneren of voor het ontstaan van een “hogere successie”. Dit maakt dat de vegetatie van een bepaald gebied ontwikkelingsstadia doorloopt, beginnende bij de pioniervegetatie om te eindigen bij wat hij als het eindpunt zag, het stabiele climaxstadium. Daarmee was de vegetatie van een gebied te vergelijken met een organisme wat door groei streeft naar volwassenheid.
Hoewel de theorie van Clement de eerste decennia van de twintigste eeuw vrij algemeen werd aanvaard, kwam er al vrij snel fundamentele kritiek door vakgenoot Henry Gleason.
Als alternatief voor het beschrijven van vegetatie in termen van associaties, bood Gleason ‘het individualistische concept van ecologie’ aan, waarin plantassociaties veel minder gestructureerd zijn dan in Clement’s theorie het geval was. De plantengemeenschappen ontstaan omdat sommige planten soortgelijke aanpassingen hebben aan de abiotische omgeving waarin zij groeien.
Een plantengemeenschap was in zijn ogen nauwelijks een vegetatieve eenheid, maar slechts een toevallige samenloop van omstandigheden. De groei van planten was alleen afhankelijk van de vraag of de soort zich kon aanpassen aan de abiotische omstandigheden.
Vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw bleef het denken van Gleason bepalend voor het aanzien van de ecologie. 
R. Callaway (1997) lanceerde, aan de hand van de NAPAP onderzoeken,  echter een directe aanval op Gleason toen hij stelde:
“communities are organized by much more than “the fluctuating and fortuitous immigration of plants and an equally fluctuating and variable environment” as stated by Henry Gleason. The ubiquity of direct and indirect positive interactions within plant communities provides a strong argument that communities are more interdependent than current theories allow. (…)
Plants have many dfferent kinds of positive effects on other plants. In a review of plant-plant facilitation, Callaway (1995) described direct positive mechanisms such as favorable alteration of light, temperature, soil moisture, soil nutrients, soil oxygenation, or substrate, and indirect mechanisms such as protection from herbivores, attraction of shared pollinators, root grafts, and beneficial changes in soil mycorrhizal or microbial communities. Of 128 studies of positive interactions among plants, 33 included evidence from field experiments.
Consumers can also have strong indirect positive effects on some plant species by disproportionately reducing the competitive advantage of other competitively dominant species. Positive mechanisms may act simultaneously with competitive mechanisms, and the overall effect of one plant species on another depends on which mechanisms are the most important in a given environment (Callaway and King 1996; Callaway and Walker 1997; Holmgren et al. 1997). For example, the positive effects of canopy shade or nutrient augmentation may not be manifest until roots of the plant providing the shade are excluded (
)
numerous studies indicate that the abundance, fitness, zonation, and perhaps even local existence of species are not simply due to abiotic conditions and competition, but are highly affected by direct positive interactions within the plant community an complex indirect positive interactions with consumers and mutualists.”
In een overzichtsartikel van R.W. Brooker at al (2008) wordt de veranderde kijk op de holistische theorie ook beklemtoond:
“Once neglected, the role of facilitative interactions in plant communities has received considerable attention in the last two decades, and is now widely recognized. With respect to our fundamental understanding of plant facilitation, clarification of the relationship between interactions and environmental gradients is central for further progress, and necessitates the design and implementation of experiments that move beyond the clear limitations of previous studies.
Plant facilitation research provides new insights into classic ecological theory and pressing environmental issues. Awareness and understanding of facilitation should be part of the basic ecological knowledge of all plant ecologists..
in the late 1980s and throughout the 1990s a number of papers pointed out that facilitative interactions operated to regulate plant success and community composition in stable, non-successional communities, and were not merely important during successional change.”
Het belang van soorten voor de aard van een ecosysteem wordt inmiddels breed gedeeld. Er zijn overbekende voorbeelden van soorten die bepalend zijn voor een bepaald ecosysteem, zoals het veenmos voor de ontwikkeling van veengebieden, wat in zijn ontwikkeling het leven van andere planten zo goed als onmogelijk maakt, of dat van de (langzaam groeiende) heideplant die stikstof immobiliseert door deze vast te leggen in moeilijk beschikbare organische verbindingen, om daarmee de groeikansen van het concurrerende pijpestrootje ernstig te reduceren (wat ook de reden is van de noodzaak om heidevelden regelmatig te plaggen, het gaat uiteraard mis als er door de jaren heen teveel stikstof in de bodem wordt vastgelegd).
Ook andere organismen dan planten spelen een rol bij het beïnvloeden van de omgeving. Paré en Berier vonden in hun studie naar de beschikbaarheid van fosfaat in Esdoorn-opstanden dat het een belangrijk verschil maakte of er voldoende dieren waren om de bodem regelmatig door te spitten. Bij een meer uniformere verdeling van fosfaat kon het beschikbare fosfaat gemakkelijk binden met ijzer en aluminium tot een voor de bomen niet opneembare vorm. Wanneer de organische stof niet in contact kwam met de minerale bodem, vond er een veel hogere doorstroming van fosfaat plaats. Een hoge aardworm-populatie was hierdoor funest voor de groeisnelheid van de Esdoorn.
De voor de zure regen-discussie zo belangrijke ontdekking dat bossen de zuurgraad van de bodem veranderen is in een aantal artikelen uitgebreid aan de orde gesteld. In het artikel van Finzi, Canham en Van Breemen (dé ontdekker van de ammoniak-verzuring van Nederland) uit 1998 kon de conclusie worden getrokken dat de bodem pH onder boom opstanden daalde on de volgorde: Suiker esdoorn (Acer saccharum), Amerikaanse es (Fraxinus americana), Rode esdoorn (Acer rubrum), Amerikaanse beuk (Fagus grandifolia), Amerikaanse eik (Quercus rubra), Canadese hemlockspar (Tsuga canadensis).
Reich et al. (2005) vonden in een meerjarig (30 jaar) experiment een duidelijke correlatie tussen het calcium gehalte van het bladstrooisel van een specifieke boomsoort en de langjarige pH-ontwikkeling van de ondergrond van de verschillende boomsoorten. Sommige boomsoorten zorgden op de langere termijn voor verzuring, maar andere soorten zorgden ook voor stijging van de pH van de bodem:
“Tree species rich in calcium were associated with increased native earthworm abundance and diversity, as well as increased soil pH, exchangeable calcium, per cent base saturation and forest floor turnover rate.”
C. Giardina gaat in zijn onderzoek (1998) in op de vraag waarom bomen bodems beïnvloeden: “some authors have suggested that species characteristic of high nutrient sites should produce high quality litter that fosters high rates of nutrient recycling and species from low nutrient sites should produce recalcitrant litter that retards nutrient recycling (cf. Hobbie 1992; van Breemen 1995).”
Op basis van al dit onderzoek mag de conclusie worden getrokken dat boomsoorten die het goed doen op ‘arme grond’, actief zorgen voor verzuring en daarmee:
a) voorzien in hun eigen behoeften en die van het ecosysteem waarvan zij deel uitmaken. In arme gronden zijn de beschikbare kationen goed gebufferd vastgelegd in complexe chemische verbindingen (organisch of anorganisch). Uitscheiding van zuren door de wortels van bomen is dan de manier om deze voedingstoffen vrij te maken. Calcium spoelt dan uit, maar komt daarmee ook beschikbaar voor eigen gebruik.
De van nature aanwezige beuken in de bossen van mosselkalkgebergte van midden-Duitsland hebben uiteraard problemen om aan fosfaten te geraken die goed worden gebonden door het in het kalkgsteente aanwezige calcium, maar zorgen door de verzurende werking van het bladstrooisel ook voor een rijke floristische ondergroei. Deze ontbreekt volledig als beuken de bossen van de zandgronden van Nederland gaan domineren (waar zij oorspronkelijk niet ‘thuishoren’) en hier zorgen voor verzuring.
Verbetering van de conditie van deze ‘verzuurders’, door overvloedige ‘bemesting’ met stikstof, zal de activiteit van deze bomen verhogen, wat zal leiden tot extra uitstoot van zuren en dus (een geringe) extra-verzuring van de bodem.
b) voorkomen dat ‘goede groeiers’ met veel calcium in het blad, uiteindelijk zullen zorgen voor uitputting van de gronden waarop zij van nature voorkomen. Een soortgelijke strategie wordt overigens toegepast door bomen met veel lignine in het blad (zoals beuken), wat ook zorgt voor verzuring;
Daarnaast bleek achteraf dat veel van de verzuring die in het tijdperk van de ‘zure regen-hype’ werd toegeschreven aan de effecten van zure regen, gelet op de hoeveelheid zuur die door de neerslag wordt meegevoerd afgezet tegen de hoeveelheid organische zuren, die van nature al in een bos aanwezig is, nooit zijn veroorzaakt door deze zure depositie.
Wat natuurlijk ook niet hielp was dat het plotseling ook niet al te duidelijk bleek te zijn welk deel van de zuurheid van de regen uiteindelijk kon worden toegeschreven aan de menselijke luchtverontreiniging. Buijsman (2010), hoofdauteur van het PBL, maar ook niet te verlegen om zijn eigen visie naar voren te brengen, schrijft onder eigen titel:
“ Zure regen is een milieuprobleem dat zijn oorzaak vindt in zure bestanddelen in de atmosfeer die van antropogene herkomst zijn. Deze bestanddelen, zwaveldioxide en stikstofoxiden, kunnen in de atmosfeer omgezet worden in zwavelzuur respectievelijk salpeterzuur. Komen deze zuren in de neerslag terecht, dan hebben we zure regen.
Zo simpel en begrijpelijk werd het probleem in de jaren zeventig en tachtig uitgelegd. Daar werd dan voor de duidelijkheid meestal een referentie naast gelegd: de zuurgraad of pH-waarde van natuurlijk regenwater. Zo kon iedereen onmiddellijk de ernst van het probleem inzien. Het was dan ook lange tijd gebruikelijk om te goochelen met pH-schalen om zodoende het probleem inzichtelijk te maken. De zuurgraad van de neerslag leek dus een mooie indicator om de ernst van een milieuprobleem mee aan te geven: hoe zuurder (of hoe lager de pH-waarde), hoe ernstiger het probleem (
)
Aan alle kanten werd hier, bewust of onbewust, een loopje met de waarheid genomen. Bewust, omdat het anders allemaal te moeilijk was om uit te leggen. Maar misschien ook onbewust, uit gemakzucht of luiheid. Al in 1938 publiceerde een Duitse onderzoeker namelijk in een artikel de resultaten van regenwateronderzoek waaruit bleek dat voor min of meer natuurlijke regen een pH-waarde van 4 niet ongebruikelijk was (Ernst, 1958). Men zou kunnen beweren dat het om een publicatie ging in een tijdschrift, Der Balneologe, dat zeker niet door iedereen werd gelezen.
Dat kan toch echter niet gezegd worden van het boek van de Duitser Junge, Air chemistry and radioactivity (Junge, 1963) dat in die tijd (en nog lang daarna) als het standaardwerk op het terrein van de atmosferische chemie werd beschouwd. De auteur toonde aan dat de pH-waarde van natuurlijk regenwater binnen een groot traject kon vallen. De gebruikelijke benadering was vaak om alleen rekening te houden met atmosferisch koolstofdioxide. Koolstofdioxide lost een beetje in regenwater op. Als we een evenwichtstoestand veronderstellen kan met zuurconstantes eenvoudig de pH-waarde van het regenwater worden berekend. Dat betekent een pH-waarde van 5,6.
Junge wees er echter op dat in de atmosfeer ook van nature ammoniak en zwaveldioxide kunnen voorkomen. En ook deze stoffen hebben invloed op de pH-waarde van regenwater.
Andere onderzoekers deden het later nog eens dunnetjes over in een artikel in 1982 waarin ze berekenden dat de pH-waarde van natuurlijke neerslag, afhankelijk van de omstandigheden, ergens in het pH-traject 4-8 kon liggen (Charlson & Rodhe, 1982).”
Met zoveel onzekerheden was geen theorie meer overeind te houden.
Zo leek het althans, ook in Nederland. Maar zoals al was te zien in de PBL-evaluatie 30 jaar verzuringsproblematiek, werd de verzurings-hypothese nog steeds zonder enige nuance gepresenteerd. Sterker nog, de zaken worden zo voorgesteld dat de (internationaal bezien relatief forse) beleidsinspanningen nog wel wat steviger hadden gemogen!

Modificatie van een theorie

Het staat er slecht voor met de Nederlandse natuur ten aanzien van de stikstofbelasting. De Nederlandse kennisinstituten ten aanzien van het milieu bij uitstek, zijn het hierover eens:
“Bijna de helft van de natuurgebieden met een overschrijding krijgt jaarlijks meer dan 10 kg stikstof per hectare (kg N/ha) natuur meer dan de kritische waarde, hetgeen vaak een overschrijding met een factor 2-3 betekent.” (Compendium voor de Leefomgeving (2018)). Dit is overgenomen door TNO, factsheet emissies en depositie van stikstof in Nederland, (2019), waar het TNO in opdracht van de tweede kamer een inventarisatie va de problematiek heeft gemaakt (https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2019Z18875&did=2019D39248)
Om een oplossing te vinden voor de stikstofproblematiek in Nederland, na de vernietiging van het PAS, werd door de Nederlandse overheid het Adviescollege Stikstofproblematiek ingesteld. In haar eerste rapport met de veelzeggende naam: “Niet alles kan”, gaf het adviescollege (“de commissie Remkes”) een volgende samenvatting van het probleem:
“Natuur is kwetsbaar en behoeft actieve zorg van de overheid. Daarom is er Europese wetgeving op grond waarvan alle lidstaten beleid moeten maken ten aanzien van het behoud en de ontwikkeling van natuur
 Iedere Europese lidstaat heeft zijn eigen waardevolle en kwetsbare natuurgebieden in kaart gebracht en voor deze Natura 2000-gebieden doelstellingen geformuleerd.”
Volgens de commissie Remkes zijn er dan twee zaken die een rol spelen; allereerst moeten de ‘standplaatsfactoren’ op orde zijn en daarnaast moet de belasting van deze gebieden met stikstof worden beperkt, want de natuurkwaliteit die hoort bij een bepaalde plek kan anders niet goed tot ontwikkeling komen.
Vervolgens vraagt de commissie ‘vanuit wetenschappelijk perspectief’ aandacht voor de ‘grauwe deken van schadelijke stoffen’ die over Nederland ligt (CO2, stikstof, fosfaat, methaan) en voor de effecten van accumulatie van stikstof in de bodem. “Alleen vermindering van uitstoot zal niet voldoende zijn om de kwaliteit van Natura 2000-gebieden te verbeteren. Herstelmaatregelen zijn daarnaast noodzakelijk.” (een uitgebreidere samenvatting is hier te vinden) (zie link 2)
Natuurbescherming is in de ogen van de commissie Remkes eigenlijk heel simpel geworden; wanneer de standplaatsfactoren geschikt zijn, hoeft dus alleen nog aan stikstofregulering te worden gedaan. De grote veranderingen ten aanzien van de ecologische theorie die de NAPAP studie had teweeg gebracht, is duidelijk niet goed geland in Den Haag.
Heel anders dan de Commissie Remkes wil doen laten geloven, is het geen stapeling van wetenschappelijke feiten die tot de (juridische) stikstofcrisis heeft geleid en zou alleen een ingewikkeld modelleren van stikstofemissies en deposities redding kunnen bieden.
Eigenlijk is de stikstofcrisis onder de aandacht gebracht door een relatief kleine groep, in de tijd zeer homogene, voornamelijk Nederlandse wetenschappers, die zijn betrokken bij een groot deel van de stikstofpublicaties binnen, maar (in ieder geval tot voor kort) ook voor een belangrijk deel ook buiten Nederland.
Het aantal wetenschappelijke publicaties waar (tot 2010) niet de namen van 4 of 5 bevlogen Nederlandse onderzoekers bij was betrokken, is eigenlijk relatief gering. Veelzeggend is ook dat bij het belangrijke rapport “Overzicht van de kritische depositiewaarden van stikstof op habitatgebieden en Natura 2000 gebieden”, door Van Dobben en Hinsberg (2008), waarin de ‘Kritische depositiewaarden (KDW-en)” werden geïntroduceerd, wordt gerefereerd naar een “internationale review, om de betrouwbaarheid te vergroten”. Dat deze internationale review (van 3 buitenlandse wetenschappers, waaronder een Duitse ambtenaar) vervolgens toch moest worden voorgezeten door een Nederlander, kan toch eigenlijk als een kleine nederlaag worden gezien.
Inhoudelijk betekende deze inzet van de “internationale expert-wetenschappers” overigens ook niet veel: “Uit het detailcommentaar bleek dat er geen inhoudelijke aanpassingen noodzakelijk waren, omdat de inhoud volledig werd onderschreven. Op basis van de suggesties van de commissie zijn wel redactionele verbeteringen doorgevoerd.”
Nederland aan de spits van de internationale wetenschap, zo mogen we het graag zien, of niet

Het zou natuurlijk ook een teken daarvoor kunnen zijn dat de Nederlandse onderzoekers in kwestie wel heel ver zijn afgedwaald van datgene wat de internationaal vooraanstaande ecologen daadwerkelijk bezighoudt.
Voor de kleine groep (maar in Nederland dominante) ‘stikstof-wetenschappers’, is in feite alle ecologische problematiek herleidbaar naar een te hoge depositie van reactief stikstof, waarbij het kan gaan van de algehele achteruitgang van mossen en korstmossen, de populatie-achteruitgang van de rode mieren, tot aan de Eikensterfte, dit terwijl deze problemen zo ongeveer in heel Europa worden waargenomen. En dat terwijl de internationale wetenschap nog in het duister tast over de oorzaken hiervan.
Het gegeven dat de commissie Remkes, zonder noemenswaardige wetenschappelijke kritiek, de stelling kan ophangen dat, wanneer de standplaatsfactoren geschikt zijn, alleen nog aan stikstofregulering moet worden gedaan om ‘natuur’ te laten floreren, moet eigenlijk al te denken geven.
Problemen die in de rest van de wereld worden toegeschreven aan achterstallig, te duur of (daardoor) onjuist natuurbeheer, ongunstige milieufactoren, fosfaatproblemen, bodemleven/ bodemvruchtbaarheid, verdroging, verstoring van de geschikte habitats, etc, zijn in Nederland, onveranderlijk te wijten aan de “deken van stikstof” die boven ons land zou hangen.
Het is dan in ieder geval zaak om ook eens te kijken over welke deken van stikstof we het dan precies hebben?

Kritische depositiewaarden

Hierboven hebben we dat al gezien: “Bijna de helft van de natuurgebieden met een overschrijding krijgt jaarlijks meer dan 10 kg stikstof per hectare (kg N/ha) natuur meer dan de kritische waarde, hetgeen vaak een overschrijding met een factor 2-3 betekent.”
Om bij het begin te beginnen. Wat is nu eigenlijk deze kritische depositiewaarde (KDW)?
Een veel gehanteerde definitie is: “de grens waarboven het risico niet kan worden uitgesloten dat de kwaliteit van het habitattype significant wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van de atmosferische stikstofdepositie.”
In het rapport “Overzicht van de kritische depositiewaarden van stikstof op habitatgebieden en Natura 2000 gebieden” wordt dit als volgt toegelicht:
“Wanneer de atmosferische depositie hoger is dan het kritische niveau van het habitattype bestaat er een duidelijk risico op een significant negatief effect, namelijk dat het instandhoudingsdoel in termen van biodiversiteit niet duurzaam kan worden gerealiseerd.”
Voor de kenners: dit is natuurlijk een juridische definitie, aangepast aan artikel 6, tweede lid van de habitatrichtlijn: “De lidstaten treffen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen, voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben.”
Wat is een significant effect? Dat is simpel geworden, met dank aan de wetenschappers/ juristen die met de KDW-en bezig zijn geweest. Een overschrijding van een KDW is dus in ieder geval strijdig met artikel 6 van de Habitatrichtlijn. En omdat de KDW zo laag zijn dat deze bij de huidige achtergrondniveaus al bijna allen worden overschreden, is iedere toename van stikstofemissie niet mogelijk.
Het bepalen van deze KDW-normen is dan ook een zaak van het grootste belang, waarvan je zou verwachten dat deze in samenspraak met de verschillende belangengroeperingen, in een langjarig (internationaal) proces zouden zijn vast gesteld.
Dat is dus niet het geval. De Nederlandse stikstof-wetenschappers hebben het zelf gedaan. En er zijn inderdaad vraagtekens te zetten bij de wijze waarop dit is gebeurd. Een en ander is toegelicht in het rapport: “Effecten van ammoniak op de Nederlandse natuur. het achtergrondrapport” (2008) door J. Kros, B.J. de Haan,  R. Bobbink, J.A. van Jaarsveld J.G.M. Roelofs en W. de Vries. Een sleutelparagraaf hierbij lijkt te vinden  onder 4.2.1. “Empirische kritische N-belasting”.  Hierin wordt allereerst weer de internationale relevantie beklemtoond door te stellen: 
“Resultaten van experimenten onder gecontroleerde omstandigheden en van veldsituaties, zowel in ruimte als in tijd, zijn gebruikt om de belasting waarbij ecosystemen veranderen, vast te stellen (Bobbink et al., 1996a; Bobbink et al., 2003). Deze empirische kritische niveaus zijn vastgesteld onder internationale groepen werkend onder de paraplu van de UN/ECE en WHO. De niveaus worden gebruikt in de EU-richtlijn voor de bescherming van boomgroei en grondwater.”
Vervolgens wordt ingegaan op de methode: 
“Deze experimenten waarop de empirische kritische N-belasting is gebaseerd, zijn uitgevoerd in zogenaamde mesocosmos-experimenten in gebieden waar de huidige N-depositie al te hoog is. Dit betreft een uitgegraven deel (ca. 1 m2 ) van het ecosysteem (bodem met vegetatie) dat in een kas of onder een afdak wordt ondergebracht. Bij deze experimenten is de kritische belasting de hoogste toevoeging van N die niet tot ongunstige fysiologische veranderingen (op het individuele niveau) of verlies in biodiversiteit (op het ecosysteemniveau) leidt. Meestal is de waarde van empirische kritische N-belasting opgesteld naar aanleiding van de uitkomsten van veldexperimenten waarbij 2 jaar of meer N-verbindingen zijn toegediend aan proefvelden in niet-aangetaste vegetaties. Daarnaast is gebruik gemaakt van resultaten van in situ manipulatie experimenten zoals zijn uitgevoerd in een Grovedennenbos nabij Ysselsteyn in De Peel (zie o.a. Boxman et al., 1995; Boxman et al., 1998). Op deze locatie wordt een verminderde aanvoer van stikstof nagebootst door de natuurlijke neerslag op te vangen middels een dak onder de boomkronen. In plaats van de natuurlijke neerslag met daarin de hoge concentraties aan stikstof (en zwavel), is onder het dak met behulp van sproeiers schone neerslag verspreid, met daarin dezelfde voedingstoffen behalve N (en S). “
Een experiment van twee jaar? Welk beheer is toegepast gedurende deze twee jaar? Is 1 m2 niet een beetje zuinig om tot een voor de hele maatschappij relevant resultaat te komen? Er zijn echter nogal wat meer discutabele uitgangspunten ten aanzien van de wijze waarop de KDW-en blijkbaar zijn vastgesteld. Erger nog is misschien wel, dat er ook vraagtekens te plaatsen zijn bij de objectiviteit van de onderzoekers. (link 3)
Overbelasting?
Hoe dan ook; dit alles heeft ertoe geleid dat voor de meeste habitat-typen in Nederland kritische depositiewaarden zijn vastgesteld en dat heeft dus blijkbaar geleid tot de eerder genoemde conclusies:
“Bijna de helft van de natuurgebieden met een overschrijding krijgt jaarlijks meer dan 10 kg stikstof per hectare (kg N/ha) natuur meer dan de kritische waarde, hetgeen vaak een overschrijding met een factor 2-3 betekent.” Voor de helft van de Nederlandse habitats is er, als je alles mag geloven, dus weinig hoop meer.
Maar deze uitspraak is, met dank aan Google, eigenlijk vrij eenvoudig te controleren.
In het “Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000” (H.F. van Dobben, R. Bobbink, D. Bal en A. van Hinsberg, 2012) zien we de volgende tabel opgenomen:
Het RIVM weet dat de jaarlijkse neerslag van reactief stikstof (NOx en NH3) in 1991 nog 2793 mol/ha per jaar (= 39,1 kg) was en dat is volgens de laatste metingen van het RIVM terug gelopen naar ongeveer 1600 mol/ha (= 22,4) kg stikstof per ha, met een jaarlijkse afwijking van 10%. (zie link 4)
Grofweg kunnen we zeggen dat bij de huidige stikstof belasting alleen de “zeer gevoelige “ habitats zonder meer een overbelasting van de KDW zullen hebben.
In de studie: “Overzicht van de kritische depositiewaarden van stikstof op habitatgebieden en Natura 2000 gebieden”, zijn de gevoelige habitatgebieden per gebiedstype onderverdeeld. Het gaat hier over: 1) zee/duingebied; 2) stuifzand en heidegronden; 3) weidegronden; 4)hoogveen/moeras en 5) Bos.
Geconstateerd kan worden voor groep 1, dat slechts 9 van de 35 habitatgebieden vallen in de categorie “zeer gevoelig”. Voor groep 2 is dat 11 van de 18, Voor groep 3 zijn dat 6 van de 21 habitats, het hoogveen en moeras (groep 4) zijn dat 7 van de 12 gebieden, bos heeft maar Ă©Ă©n “zeer gevoelig” habitat van de opgenomen 10 gevoelige habitattypen. Dat betekent dat 34 van de 96 geselecteerde gevoelige habitattypen problemen zouden hebben met het huidige niveau van stikstofdepositie.

De zware overbelasting

Als we dus de factsheet emissies en depositie van stikstof in Nederland, 2019 van het gerenommeerde TNO dus mogen geloven, is er een overschot van 10 kg (= 714,3 mol ammoniak) per hectare op helft van de gevoelige natuur van Nederland. Anders dan het Compendium voor de leefomgeving en TNO hebben gedaan, geeft de Landbouwuniversiteit van Wageningen veel lagere overschrijdingen (link 5). Wat is waar?
Als we TNO/CLO volgen geldt het volgende. Een waarde van 10 kg meer dan de kritische waarde betekent dat we het hier hebben over gevoelige natuur die bij een gemiddelde depositie van dus (1600*14 gram =) 22,4 kg per ha per jaar 10 kg overbelast is. We hebben het dan dus over natuurgebieden die een kritische depositiewaarde hebben van maximaal 12,4 kg stikstof (= 886 mol) per hectare per jaar. Dan hebben we het dus over een kleine selectie van de eerder genoemde 34 “zeer gevoelige” habitattypen.
Maar dat zijn dus er eigenlijk niet eens zoveel als we de lijst van kritische waarden er op naslaan (zie link, de Belgische site reageert snel en is (uiteraard) gebaseerd op de Nederlandse onderzoeken).
Volgens de recente Alterra onderzoeken hebben alleen de volgende habitattypen een KDW die hieraan voldoet:
  • veenmosrietlanden ( 700 mol; bestaand areaal: 100-1000 ha);
  • hoogveen (400 mol; bestaand areaal 1-10 ha);
  • heischrale graslanden (830 mol, bestaand areaal 10-100 ha);
  • zure en zwakgebufferde vennen (410 mol; bestaand areaal 200-2000 ha);
  • zandverstuivingen (740 mol; bestaand areaal 1500 ha) en
  • grijze, heischrale duinen (770 mol; smalle randjes langs vochtige duinvalleien, onderdeel van het areaal heischrale graslanden, waarvan voor de totale oppervlakte van de goed ontwikkelde vorm wordt gestreefd naar 50 hectare).
Alle areaal-waarden zijn direct overgenomen van de database synbiosys van Alterra (https://www.synbiosys.alterra.nl/).
Maar hieruit kunnen we eigenlijk vaststellen dat dit dus eigenlijk alleen de relatief zeer zeldzame natuurgebieden (totaal maximaal 4660 ha in heel Nederland) betreft, dit terwijl het totale areaal Natura 2000 gebieden in Nederland 1,75 miljoen hectares bedraagt.
We hebben het dan over een percentage van 0,26! Dit maakt dat de bewering van de Nederlandse kennisinstituten bij uitstek, het Compendium (en die van het TNO) wel erg ver weg van de (gemakkelijk te verifiëren) feitelijke situatie is.
Maar “de helft van de gevoelige natuur van Nederland” wordt dan ook nogal bijzonder berekend. Dit kan worden geïllustreerd aan de hand van de situatie zoals deze bijvoorbeeld bij de (hot-spot) Veluwe aanwezig is. Dit natuurgebied telt ruim 91.200 hectare. Daarvan is een zeer klein deel heideveentjes (actief hoogveen). Het gaat hier om de omgeving van het Mosterdveen (14 ha).
Maar daarom kan ineens de hele Veluwe meedoen met de genoemde rekensom van het Compendium. De KDW voor de Veluwe is hierdoor (volgens bijlage 3 van het “internationaal gereviewde” rapport “Overzicht van de kritische depositiewaarden van stikstof op habitatgebieden en Natura 2000 gebieden”, thans overgenomen door de Aerius-rekenmodule): 400 mol/ha/jr (5 kg).
Dat de Veluwe overwegend uit loofbos en naaldbos bestaat, waarvan de meest gevoelige typen al bij een kritische depositie van 1400 mol/ha gedijen (uitgezonderd de later nog te behandelen ‘Oude eikenbossen’), terwijl het gebied daarnaast nog bestaat uit een flink stuk (ecologisch gezien weinig interessant) voor stikstof ongevoelig productiebos.
Dat zou toch eigenlijk wel moeten uitmaken.

Het valt dus mee?

Natuurgebieden zijn niet alleen afhankelijk van stikstofbelasting voor wat betreft hun voortbestaan. De almaar voortstuwende informatiestroom, zoals deze op gang is gekomen na 29 mei 2019, doet anders vermoeden, maar beheer en ook de voor de Wageningse onderzoekers blijkbaar onbekende ‘natuurlijke-variabelen’ als fosfaatbelasting, bodemleven, grondwaterstand, stabiliteit van beheer, om maar eens wat te noemen, zijn vaak van veel groter belang voor het overleven van een habitat dan de stikstofdepositie.
Maar zelfs wanneer naar de ‘kritische depositiewaarden voor stikstof’ wordt gekeken met in het achterhoofd de huidige gemiddelde depositie van 1600 mol/ha/jaar, dan blijkt dat een verassend groot aantal natuurgebieden helemaal geen last heeft van de huidige stikstofbelasting.
Eigenlijk zouden alleen de volgende natuurdoeltypen zouden, volgens de Alterra rapportage 1654: “Overzicht van de kritische depositiewaarden toegepast op habitattypen en Natura 2000-gebieden”, wel last kunnen hebben van de huidige stikstofniveau’s:
  1. Duinen; (9 van de 35 gevonden “gevoelige habitats”)
  2. zandverstuivingen en heide; (11 van de 18 gevoelige habitats)
  3. zwakgebufferde en zure vennen;
  4. Hoogvenen en trilvenen;
  5. Stroomdalgraslanden
  6. Kalkmoerassen;
  7. Zinkweiden;
  8. heideschrale en blauwgraslanden; en
  9. oude eikenbossen.
Bij deze opsomming ontbreken overigens inderdaad de beukenbossen, die in het rapport een kritische waarde van 1400 mol/ha/jr toebedeeld krijgen. Maar aan de problematiek van het (arme) bos lijkt dermate complex dat het voor het kunnen overzien van de problematiek handiger is om dit afzonderlijk te bespreken.-
Deze habitats blijken (op grond van hun KDW) zodanig gevoelig voor stikstof dat deze in theorie wel zouden kunnen worden bedreigd door de huidige gemiddelde belasting van 1600 mol stikstof/ ha/jaar. Gelet op de toch wat gekleurde basis-informatie die hierboven is besproken lijkt het de moeite om toch ook eens kritisch te kijken naar deze ‘bedreigde gebieden’.

De ‘zeer gevoelige natuurhabitats’

De voor stikstof gevoelige habitats kwijnen weg in Nederland. Maar, ook als dat zo is; staat dan wel vast dat dit inderdaad wordt veroorzaakt door de stikstofdepositie? Er zijn nogal wat aanwijzingen, dat ook dit nog wel eens mee kan vallen.
Wanneer we de bovengenoemde habitat-typen kort in beeld willen brengen, kunnen we aan de hand van de onderliggende studie (link 6) de volgende conclusies trekken:

Ad 1) Duinen

Er is simpelweg onvoldoende kennis voor het bepalen van het optimale beheer van het duinlandschap. De Nederlandse oplossing (verschralen) werd uiteindelijk al  in België te duur en zeer selectief toepasbaar gevonden. Hier wordt gekeken naar een oplossing waarbij de natuurlijke successie wordt begeleid, samen met een beheer waarbij ervoor wordt gezorgd dat gras wordt gemaaid voordat de suikers in deze grassen worden omgezet in melkzuur (wat zorgt voor verzuring van het gebied). Voor natuurbeheer is niets doen is de slechtste optie, die in Nederland, wegens geldgebrek, nogal eens wordt gekozen.

Ad 2) Zandverstuivingen en heide

We hebben het hier over een cultuurlandschap waarvoor het oorspronkelijke beheer (handmatig afplaggen) waardoor het landschap eeuwenlang is verschraald, te duur is geworden. Het achterwege laten van het traditionele beheer zorgt voor vergrassing. Niet de ‘buitensporige stikstofdepositie’, maar het verwijderen van de strooisellaag zou als eerste moeten worden aangepakt, om dit landschap te redden.
Door de eeuwenlang doorgevoerde kunstmatige verschraling is hier een habitat ontstaan wat oorspronkelijk helemaal niet op deze plaats thuishoort. Dat de stikstofdepositie te hoog is om dit gebied in stand te kunnen houden (zonder aanvullend beheer) is dan ook eigenlijk niet meer dan logisch. Het roepen om stikstofmaatregelen in dit verband is dan ook vergelijkbaar met een boer die zijn weiland niet wil bemesten (bijvoorbeeld vanwege het feit dat het onderwerken van de mest ten koste gaat van de weidevogels) en vervolgens van de overheid eist dat er meer stikstofdepositie moet komen, om zijn van nature (want al gedurende honderden jaren) aanwezige weiland met Engels raaigras in stand te houden.

Ad 3) Zwakgebufferde en zure vennen

De meeste van de vennen van dit habitattype zijn niet meer dan enkele tientallen meters lang en breed en worden gevoed door regenwater. Dit habitat-type heeft blijkbaar veel meer belang bij een goede (zuivere) waterbron (kwel) dan met stikstofdepositie, iets wat onder meer tot uiting komt in het gegeven dat deze vennen bij uitstek in stand zijn gebleven in die gebieden van Nederland waar de grootse hoeveelheden stikstofdepositie neerslaan.

Ad 4) Hoogvenen en trilvenen

Dit habitattype kent een extreem lage ‘kritische depositiewaarde’ van 400 mol/ha/jaar. Maar in dat verband is het zeker bijzonder te noemen dat in het Alterra-rapport “Hoogveen en klimaatverandering in Nederland” (2011) wordt opgemerkt: “Overal waar het gelukt is om gunstige hydrologische condities te realiseren, verloopt het herstel van veenvormende processen goed. De benodigde stabiele hoge waterstanden worden veelal bereikt door hydrologische compartimentering en maatregelen in de omgeving. Verder is de laatste 10-15 jaar sprake van stabilisatie of zelfs een overwegend positieve trend in de populaties van de kenmerkende hoogveenflora en –fauna. Voor de instandhouding en ontwikkeling van hoogveen zijn het neerslagoverschot, de temperatuur en de positie in het landschap belangrijk.”
De veel te hoge stikstofdeposities van de jaren tussen 1995 en 2010 waren blijkbaar geen belemmering voor de gunstige ontwikkeling van hoogveen. Overschrijding van de KDW-waarde voor hoogveen levert dan dus blijkbaar geen ‘significant negatief effect’. Maar dat is toch in strijd met artikel 6 van de habitatrichtlijn?

Ad 5) Stroomdalgraslanden

Bij stroomdalgraslanden zien we eigenlijk een vergelijkbaar probleem. Ook hier zijn in strijd met artikel 6 van de habitatrichtlijn stroomdalgrasland ontwikkeld in de Millingerwaard (natuurgebied gerealiseerd in 1991), terwijl de KDW dat verbiedt. Zeker omdat naast (de veel te hoge) stikstofdepositie het water en slib van de Rijn/Waal voor een flinke hoeveelheid extra stikstofbemesting zorgen.

Ad 6) Kalkmoerassen

Hierover meldt symbiosis van Alterra: “Het type is potentieel ook zeer gevoelig voor de verzurende en vermestende werking van atmosferische stikstofdepositie. Mits de waterhuishouding op orde is, zullen de effecten hiervan echter naar verwachting meevallen.” Dat blijkt dus niet zozeer uit de KDW van dit habitattype.

Ad 7) Zinkweiden

Op dit moment is dit type habitat aan het uitsterven, iets wat niet zozeer gelegen is aan een overvloedige stikstofdepositie maar veel meer aan het gebrek aan zinkdepositie. De specialisten van de zinkweiden zijn de enige soorten die kunnen overleven in de toxische zinkwoestijn die ontstaan was door een onbeperkte lozing van zink door de zink- en loodmijnen in BelgiĂ«. De rol van stikstof bij dit ‘ecologische succes’ is eigenlijk vrij dubieus.

Ad 8) Heideschrale en Blauwgraslanden

Ook deze zeldzame habitats zijn ontstaan door een jarenlang wanbeheer door de arme boeren die kampten met veel te hoge grondwaterstanden op hun landerijen. De gebieden werden in het najaar gemaaid en niet bemest. Helaas een type beheer wat nogal kostbaar is en dus, net zoals de in dit opzicht vergelijkbare heidegebieden, dreigen deze gebieden te verdwijnen.

Ad 9) Oude eikenbossen

Het ‘oude eikenbos’ heeft zich, als successie-stadium, ontwikkeld op de door (beheersmatige) verschraling ontstane heidelandschappen. Bij het wegvallen van dit beheer ontstaat een schraal bos, wat in stand gehouden zou kunnen worden door begrazing, maar wat (ook weer door een vervolg-successie stadium) natuurlijkerwijs zou worden vervangen door een ander bostype, met Beuk en Hulst.
Ook hier kan het verdwijnen van het oorspronkelijke beheer (begrazing, oogst van gebruikshout) verantwoordelijk worden gehouden voor het verdwijnen van dit habitat. Veel van de problemen van het oude eikenbos komen ook weer aan de orde bij de beoordeling van de ecologische schade bij het beukenbos.

Beukenbos

Ook voor de jongere (beuken)bossen speelt een veeltal aan problemen, die voor een belangrijk deel lijken samen te hangen met de verzuring, die volgens de ‘Wageningse groep’ alleen maar kan worden veroorzaakt door stikstofdepositie.
In het onderliggende verhaal (link 7) blijkt echter dat er nogal wat andere mogelijke oorzaken zijn, die met name in het buitenland worden bestudeerd, omdat de Nederlandse stikstofdeskundigen hiernaar geen onderzoek meer hoeven te doen. Gebleken is echter dat de Nederlandse wetenschappers hierbij simpelweg wordt teruggevallen op studies van meer dan 37 jaar oud (opgesteld ten tijde van de ‘zure regen-problematiek’) en die toch eigenlijk wel aan een revisie toe zijn, zeker nu in de praktijk blijkt dat de aard van de strooisellaag van het bos een grote invloed heeft op de bodem en de zuurgraad. Iets waar 37 jaar geleden eigenlijk geen rekening mee werd gehouden. Vermeldingswaard is dat Thijsse dit bij beukenbossen al in 1937 waarnam.

Resumerend

Het is een terugkerend en eentonig verhaal. Nederland is een cultuurland, eeuwenlang intensief landbouwbeheer heeft dit land gevormd, de intensief bebouwde landbouwgronden, maar ook de zeldzame stukken natuur, zijn vrijwel altijd terug te voeren op een specifiek (vaak: verschralend) beheer in het verleden.
Het juiste beheer van deze gebieden is vaak niet eenvoudig te reproduceren en het is vaak ook noodzaak, uit het oogpunt van kostenbeheersing, om hier bepaalde concessies te doen, die niet altijd voordelig uitpakken voor het habitat in kwestie.
In een aantal gevallen is deze natuur (ook) afhankelijk van de kwaliteit en hoeveelheid beschikbaar (kwel)water, maar deze gebieden (vennen, hoogveen; maximaal ongeveer 3000 ha in Nederland) blijken mogelijk dan weer veel minder gevoelig te zijn voor hogere stikstofdepositieniveau’s dan aan de hand van de KDW-en zou kunnen worden aangenomen.
Een groot aantal problemen ten aanzien van de stikstofdepositie lijkt zich te concretiseren bij de bossen op de “arme zandgronden” van Nederland. Maar ook hier lijkt onderschatting van het complexe beheer in eerste instantie verantwoordelijk te zijn voor de gesignaleerde problemen, met name ten aanzien van verzuring van de gronden. Het is naar alle waarschijnlijkheid gewoon niet genoeg om een productiebos eenvoudig te benoemen als natura2000-gebied, om daarna te verwachten dat het zich automatisch gaat gedragen als een stabiel natuurgebied.
Productiebossen verzuren door een onevenwichtige strooisellaag, wat dus een omkering is van de “Nederlandse” wetenschappelijke benadering, waarin de verzuring (door stikstofdepositie) verantwoordelijk werd gehouden voor de slechte afbraak van het strooisel.
Maar deze ‘wetenschappelijk aanvaarde’ zienswijze kan niet om het simpele feit heen dat bij strooisellagen van andersoortige bossen (met boomsoorten die een beter verteerbaar strooisel produceren), bij eenzelfde stikstofbelasting, bij gelijke gronden, wel goede afbraak van het strooisel plaats vindt.
Wanneer bij dezelfde omstandigheden een gevarieerder bostype zorgt voor een hogere pH, dan kan dit feit niet simpelweg worden genegeerd, zoals bijvoorbeeld ook het Adviescollege Stikstofproblematiek dat wel heeft gedaan.
De suggestie van de commissie Remkes dat natuurbeheer om de natuurgebieden van Nederland weer te laten floreren enkel een kwestie is van het vinden van een juiste standplaats en het terugdringen van stikstofdepositie, lijkt hierdoor een forse simplificatie van de werkelijkheid.
Het idee dat het terugdringen van stikstof alle natuurproblemen op zou lossen, is een te simpele oplossing voor deze zelfgecreëerde probleemstelling, die weliswaar appelleert aan een beschermingsreflex van een belangrijk deel van de Nederlandse samenleving, maar waarvoor iedere robuuste wetenschappelijke onderbouwing ontbreekt.
Daarnaast kan op grond van het bovenstaande ook een wat meer fundamentele vraag gesteld worden ten aanzien van het stikstofbeleid. Het is natuurlijk waar dat niet alle ‘stikstofdoelstellingen’ zijn gehaald. het is duidelijk dat we het streefdoel, zoals opgenomen in het vierde nationale milieuplan (NMP4) niet hebben gehaald. 
In het al eerder besproken achtergrondrapport “Effecten van ammoniak op de Nederlandse natuur”, wordt  opgemerkt: “Nederland heeft zich tot doel gesteld om voor het jaar 2010 de depositie tot 1400 molc.ha-1.jr-1 voor zuur en 1000 mol.ha-1.jr-1  ofwel 14 kg N.ha-1.jr-1 voor stikstof te reduceren. Bij deze depositieniveaus zullen bossen en natuurgebieden in het algemeen geen negatieve effecten van depositie ondervinden en zal vergrassing van heide worden voorkomen.”
Deze waarden zijn inderdaad niet gehaald, maar wel kan worden geconstateerd dat de Nederlandse samenleving flinke inspanningen heeft gedaan om de stikstofdepositie terug te dringen en is hier ook behoorlijk in geslaagd. (zie onderstaande figuur uit het genoemde rapport uit 2008).

Ontluisterend internationaal stikstofonderzoek

Het is geen toeval dat in dit schrijven alleen redelijk oude onderzoeken over stikstofbelastingen (tot 2010) zijn besproken. Dit was de tijd dat de gecombineerde verzurings- en eutrofieringstheorie is ontstaan en de tijd ook waarin de basis is gelegd voor verder stikstofonderzoek.
In 2010 werd ook het onderzoek van een flink aantal internationale onderzoekers onder leiding van Roland Bobbink (met medewerking van Rob Alkemade, Jan Willem Erisman en Willem de Vries) gepubliceerd onder de titel: “Global assessment of nitrogen deposition effects on terrestrial plant diversity: a synthesis”. Hiermee wordt een nieuwe fase in het stikstof-onderzoek ingeluid, waarin ook internationaal aandacht voor de stikstofproblematiek wordt gevraagd. Een aantal van deze onderzoeken zulen in het onderstaande dan ook nog nader worden besproken.
We zijn inmiddels 10 jaar verder. We hebben gezien dat in Europees verband maatregelen zijn getroffen om een einde te maken aan de zure regen. De emissie van zwavelverbindingen is nagenoeg gesaneerd. De afgelopen 35 jaar nam de depositie van zwavel af van 80 tot 15 kg per ha cultuurgrond (Schils, 2016). In Europa (EU28) zijn de emissies van NOx gedaald met 50%, terwijl ammoniakemissies ongeveer 30% daalden tussen 1990 en 2015.
Dit zou toch enige verlichting gebracht moeten hebben bij de door verzuring aangetaste vegetaties, wanneer verzuring inderdaad het probleem zou zijn geweest, wat de aantasting van deze vegetaties teweeg zou hebben gebracht. Een recente multinationale studie (Dirnböck et al, 2019) liet echter anders zien:
“Some evidence exists that forest understory vegetation has responded to decreasing acidifying S- deposition with a decrease in acidophilic and an increase in basiphilous species (Dirnböck et al 2014) but soil recovery from acidification did not generally occur in Europe (Schmitz et al 2019). However, no observational study on forest understory diversity recovery in response to recently decreasing N-deposition in Europe has been carried out to our knowledge.
Stevens (2016) provided a review on the recovery from NITREX and other experiments, concluding that these studies have failed to find signals for recovery of species composition, richness and diversity even 48 years after the last N addition.”
De weinig bemoedigende titel van het onderzoek luidt dan ook: “Currently legislated decreases in nitrogen deposition will yield only limited plant species recovery in European forests”.
Gebaseerd op de verzuringstheorie, zoals deze binnen de bodemkunde is ontwikkeld, is er eigenlijk weinig hoop voor de bossen van Europa; ook het huidige beleid is nog onvoldoende is om de natuurlijke vegetaties te herstellen, ofwel: “Albeit the model predictions show considerable uncertainty when compared with observations, they indicate that oligophilic forest understory plant species will further decrease. This result is partially due to confounding processes related to climate effects and to major decreases in sulphur deposition and consequent recovery from soil acidification, but shows that decreases in N-deposition under CLE will most likely be insufficient to allow recovery from eutrophication.”
Dit is inderdaad een nieuwe fase in het stikstof onderzoek. We kunnen saneren, tot een absoluut minimum, wat vele miljarden euro’s zal gaan kosten,  maar we hoeven dus blijkbaar niet te verwachten dat dit tot enig resultaat zal leiden! Zo ver gaat zelfs het klimaat onderzoek niet!
Hier wordt dan ook de grens van wat wetenschap is bereikt. Wetenschap gaat over het toetsen van hypotheses. Wanneer zich een bepaald verschijnsel voordoet, is de wetenschappelijke aanpak om te onderzoeken waardoor het verschijnsel wordt veroorzaakt. Hierbij worden verschillende hypotheses getoetst door de invloed ervan weg te nemen en te zien of dit effect heeft gehad op het verschijnsel.
In het geval van de teloorgang van natuurlijke vegetaties zijn er nog al wat hypotheses die te toetsen zijn. In het onderliggende document wordt e.e.a. uitgewerkt ten aanzien van het ‘Waldsterben’. (zie link)
Een van de te toetsen hypotheses is die van een effect door een toename van stikstofemissies, zoals de zure depositie dat eerder was als oorzaak voor verzuring van natuurgebieden en meren.
Wanneer binnen een proefopstelling de vermoedelijke oorzaak van het effect wordt verwijderd, dan zou dat (als de vermoedelijke oorzaak ook daadwerkelijk de veroorzaker van het effect is) tot gevolg moeten hebben dat het effect (in dit geval dus: de teloorgang van de natuurwaarden) verdwijnt.

Wanneer dat niet het geval is, moet de hypothese worden bijgesteld en is de vermoedelijke oorzaak dus blijkbaar niet datgene wat het effect veroorzaakte. Echter, binnen een denkkader wat door de onderzoekers wordt beschreven wordt niet langer onderzoek gedaan naar oorzaken voor een vastgesteld gevolg, maar wordt het gevolg hoe dan ook toegeschreven naar een vastgestelde oorzaak.
Er wordt uit het oog verloren dat het niet alleen stikstofdepositie een bepaald milieueffect kan veroorzaken. Foutief beheer, of beheer wat achterwege wordt gelaten, foutieve soortkeuzes binnen een bos, kunnen immers allen oorzaken zijn voor een op langere termijn wegkwijnende natuur. Wanneer met juist beheer de natuur wel wordt gerevitaliseerd, is het eerder uitgevoerde (of nagelaten) beheer de oorzaak van een wegkwijnende natuur en niet de stikstof-depositie.
Maar als reductie van de emissie van reactief stikstof niet leidt tot bepaalde effecten (dus: herstel van de natuurwaarden), is het wel een gerechtvaardigde vraag: waarom zou je het doen?
Deze vraag is dus ook actueel voor Nederland. De huidige depositie (2018) is gedaald tot niveaus onder de 1600 mol N/ha (plus of min 10%). Natuurlijk is dit boven de  streefwaarde van 1000 mol/ha/jaar, maar als we de inventarisaties en het onlangs verschenen WWF-rapport (februari 2020) mogen geloven, staat de Nederlandse natuur er slechter voor dan ooit!
Als stikstof daadwerkelijk zo’n bepalende factor voor de Nederlandse natuur zou zijn, dan hadden we toch al wel enig resultaat mogen verwachten bij een halvering van de stikstofdepositie! Tenzij er bij de magische grens van 1000 mol/ha/jaar ineens een wonderlijk omslagpunt bereikt gaat worden; maar hoe waarschijnlijk is dat?
De theorie dat alleen stikstof en ‘standplaats-factoren’ van belang zijn voor de Nederlandse natuur, lijkt dan ook verdacht veel op een regendans-theorie, of “de nieuwe kleren van de keizer’.
De vraag is inmiddels ook in hoeverre de democratische draagkracht voor een dergelijk (huidig)  beleid nog aanwezig is, gelet op de offers die er nu worden gevraagd.

De stikstof deken in internationale contekst

Misschien wel de meest overtuigende illustratie van de stikstofdeken die over Nederland hangt bieden de satelliet beelden die inzichtelik maken hoe groot het Nederlandse probleem wel niet is. De onderstaande beelden van de Tropmi metingen van stikstofdioxide in Nederland zijn inmiddels iconisch te noemen.  Tropomi is een satellietinstrument van Nederlandse makelij dat nauwkeuriger dan ooit de luchtkwaliteit onderzoekt. 
Nu gaat dit alleen nog over stkstofdioxide, eigenlijk is het dan niet heel verbazend dat Londen, Parijs, het Ruhrgebied en de randstad er flink uitspringen. Maar zoals hierboven gezien; stikstofoxiden zijn eigenlijk nog een veel minder groot probleem als ammoniak, wat toch grotendeels afkomstig is van de intensieve veestapel van Nederland, de tweede agrarische exporteur van de wereld.
Satellietdata over ammoniak kunnen eigenlijk nauwelijks worden gevonden op de sites die verslag doen van de stikstofcrisis in Nederland. Toch zijn ze wel aanwezig. Het blad “Atmospheric Chemistry and Physics” van de the European Geosciences Union, publiceerde onlangs nog het artikel “Ammonia measurements from space with the Cross-track Infrared
Sounder: characteristics and applications”(20, 2277-2302, 2020), waarin uitgebreid wordt ingegaan op de ammoniakproblemen van de wereld. Bijgevoegd is de volgende illustratie:
Hier moet iets fout zijn gegaan; waar is de rode vlek over Nederland? 
Maar misschien ook niet; volgens de tekst van het artikel is die er eigenlijk gewoon niet…
“Figure 5 shows the typical elevated large area NH3 hotspots with annual values averaging over ∌ 7 ppbv. These regions with high NH3 concentrations include the Indo-Gangetic Plain in India and Pakistan, the Nile Delta in Egypt, California’s Central Valley and the central US and Canada, the Comarca Lagunera and Los Altos de Jalisco regions in Mexico, northern central Colombia and the west coast of Peru in South America, the Po Valley in Italy and Ebro Valley in Spain, the Fergana Valley in Central Asia, the Mekong Delta region in southern Vietnam, south central Thailand, Indonesia, and regions in eastern China”
Maar zou het dan met de schaal van de kaart te maken kunnen hebben en de ‘kleinheid’ van Nederland op wereldschaal? (zou vreemd zijn, Nederland is qua grootte vergelijkbaar met de Po vlakte in ItaliĂ« of de Ebro vallei in Spanje)
Uit het artikel: ‘Emissions of nitrous oxide (N2O) from soil surfaces and their historical changes in East Asia: a model-based assessment’ door Ito et al. , gepubliceerd in Progress in Earth and Planetary Science (2018) kan echter veilig worden afgeleid dat ook dit niet het geval is (ter herinnering; de totale depositie van stikstof in Nederland is 22,4 kg stikstof per hectare).
Onderzoek uit zuidoost AziĂ« is sowieso leerzaam voor de stikstof problematiek van Nederland. In het onderzoek: “Responses of forest ecosystems to increasing N- deposition in China: A critical review”,door D. Tian et al. gepubliceerd in Environmental Pollution (2018), worden hele andere stikstofdeposities genoemd dan waar we in Nederland momenteel aan gewend zijn:
“Driven by the rapid increase in NOx and NH3 emissions, N deposition in China has increased significantly since the 1980s, and an increasing contribution of oxidized N from industrial and transport sectors has been observed (Liu et al., 2013). The spatial pattern of N deposition has been documented because of increasing monitoring and modelling efforts (e.g., Gu et al., 2012; Du et al., 2014a & 2016; Xu et al., 2015; Zhu et al., 2015). In particular, extremely high levels of N deposition, occasionally exceeding 80 kg N ha-1 yr-1, have occurred in eastern and southern China (Du et al., 2014a & 2016; Xu et al., 2015; Zhu et al., 2015), and these levels represent the highest levels ever reported in the world (Vet et al., 2014).”
Ook de verschillende effecten die stikstof heeft op de natuur van China worden in deze studie besproken, zoals verzuring die inderdaad wordt waargenomen:
“Enhanced N deposition is a major driver of soil acidification (Wright et al., 2001; Yang et al., 2012). By synthesizing soil inventory data and data from published literature, Yang et al. (2015) found that soil pH was significantly lower in the 2000s than that of 1980s in broadleaf forests in China, while minor changes in soil pH wereobserved in coniferous and mixed coniferous and broadleaf forests (Fig. S1b). Soil pH changes were demonstrated to correlate negatively with the magnitude of N and sulfur (S) deposition (Yang et al., 2015; Mao et al., 2017). The differences in temporal change of soil pH across forest types were thus likely due to varied background deposition levels. By synthesizing data from 28 experiments in China’s forests, we found an overall decrease (-1.8%) in soil pH by N additions (Fig. 2). Despite the varying magnitudes, soil pH showed a consistent decreasing trend across different forest types (Fig. 2)”
Voor de Nederlandse situatie is de tabel 2 echter ontmoedigend te noemen.
Onze stikstofdeken valt compleet binnen datgene wat in China de laagste categorie is. Hierin zijn geen effecten wat betreft verzuring waar te nemen. En ook wat betreft de kritische stikstof deposities lijkt de situatie in China toch anders te zijn dan die zoals geschilderd door de Amerikaanse en Europese wetenschappers: 
The critical loads of N deposition, below which significant harmful effects do not occur, are commonly used for guidance of ecosystem management. Although empirical N critical loads have been well summarized in Europe and the United States (Bobbink et al., 2010; Pardo et al., 2011; Greaver et al., 2012), large uncertainties in critical loads of N deposition still exist in China (Liu et al., 2011). 
 In China, empirical critical loads, determined as the deposition levels with reported field occurrence of detrimental ecological effects, are usually estimated to be much higher than those in Europe and the United States (Liu et al., 2011). This is likely due to the fact that the application of high N dosages in most existing N addition experiments (see Tables S1-S6) is not able to identify detrimental effects caused by lower levels of N deposition. Moreover, in regions (e.g., eastern and southern China) where historical N deposition has already been very high and perhaps even higher than the actual critical load, experimental studies may fail to quantify the critical loads because substantial ecosystem changes had already occurred.”
In ieder geval kan dus worden geconcludeerd dat Nederland helemaal geen ‘hotspot is. Er is geen stikstof-deken en de kritische depositiewaarden zoals deze zijn gevonden door Bobbink (2010), overigens een uitgeklede versie van de gedetailleerde KDW-lijst van Van Dobben et al (2008), kunnen niet worden teruggevonden.
Het is dan ook wat wonderlijk te noemen dat bepaalde ‘ontlastende’ feiten niet terug te vinden zijn bij de beschrijving van de stikstofproblematiek van Nederland. Zo is het feit dat de titel “tweede landbouwexporteur van de wereld”, vooral te danken is aan de doorvoer van goederen van schepen die de haven van Rotterdam en Amsterdam aandoen, nauwelijks bekend. Korthals stelt in Joop bijvoorbeeld: “Nederland is geen wereldspeler: dat ene cijfer, tweede exporteur, wordt verkeerd gelezen. Nederland komt niet in het rijtje voor van grote producenten van melkproducten, varkensvlees of graan. Nederland produceert ongeveer 0,4% van de wereldproductie. Ondanks de enorme hoeveelheid melk, eieren en vlees zijn de Nederlandse boeren kleine spelers en kunnen ze niet de lakens uitdelen op de wereldmarkt. De productie van veeboeren staat op de 13e of 14e plaats wereldwijd.” 
Onze export van vlees en zuivel maakt niet veel meer uit dan 20% van de totale agrarische export, terwijl er ook nogal wat vlees en zuivel wordt geĂŻmporteerd, voor rundvlees is Nederland bijvoorbeeld een netto-importeur, dus dat lijkt eigenlijk wel te kloppen.
 We mogen op grond hiervan dus tot de conclusie komen dat ‘onze stikstofdeken’, internationaal bezien, een heel stuk dunner is dan ons, en zeker ook de Raad van State, is voorgespiegeld… 

Het juridische gelijk

De ontwikkeling van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) was het eindpunt van jarenlange juridische strijd over de stikstofbelasting in Nederland.
Begonnen als richtlijn onder de Hinderwet: ‘De richtlijn ammoniak en veehouderij’ uit 1987 (bekend als de ‘ecologische richtlijn’), werd stikstof een vast hoofdpijndossier voor de verschillende VROM- en LNV ministeries. Steeds weer zorgde jurisprudentie voor aanpassing van de zich steeds weer vernieuwende richtlijnen. Zo kwam er in 1991 al een tweede versie van de ecologische richtlijn, toen vergunningverlening door jurisprudentie redelijkerwijs niet meer mogelijk was. In 1994 was er weer een stikstof jurisprudentiecrisis, totdat het toenmalige ministerie van VROM er klaar mee was. In 1994 kwam de Interimwet ammoniak en veehouderij met normen die niet meer door de Raad van State ter discussie konden worden gesteld. (het grote verschil tussen een richtlijn en de wet is dat de richtlijn onderworpen is aan het toetsingsrecht van de rechter; voldoet een richtlijn aan de kaders van de wet? Een wet heeft dit probleem niet.)
Op 31 januari 2002 werd de Interimwet Ammoniak en veehouderij definitief gemaakt (inmiddels de Wet ammoniak en veehouderij), het toen exclusieve kader met betrekking tot beslissingen inzake vergunningen krachtens de Wet milieubeheer, voorzover het betreft de ammoniakemissie uit dierenverblijven van veehouderijen. Hiermee werd voor de Wet milieubeheer en daarna de Wabo-vergunningen een dwingend toetsingskader voorgeschreven. Deze wet geldt nu (ook zonder Europese toetsing) nog steeds.
Echter, deze stap kon niet verhinderen dat de raad van State sinds 2004 ook bij geringe toenames van de ammoniakemissies geregeld vergunningen voor bedrijfsuitbreiding vernietigde, omdat niet kon worden uitgesloten dat de ammoniakemissie significante gevolgen kon hebben voor het nabijgelegen Natura 2000-gebied (Tweede Kamer, 2006-2007, 30654, nr. 27). Maar niet langer werden vergunningen in het kader van de Wet milieubeheer lastig gevallen, de aandacht verschoof zich nu naar het Ministerie van Landbouw en de Natuurbeschermingswet, waar het beoordelingskader van artikel 6 van de Habitatrichtlijn onverkort in de Natuurbeschermingswet 1998 was opgenomen.
Het probleem verdiepte zich hiermee sterk. In plaats van voor ammoniak kwetsbare gebieden, die speciaal voor de Wet milieubeheer en Wet ammoniak en veehouderij waren aangewezen, ging de Natuurbeschermingswet 1998 zich richten op de, op basis van de Wet ruimtelijke ordening aangewezen ‘Natura-2000-gebieden’, waarvan er veel meer, met een veel grotere oppervlakte, waren. Ook Vogelrichtlijngebieden, waarvan eigenlijk sowieso erg dubieus is of deze wel zo gevoelig voor ammoniak zijn, werden zonder meer ‘beschermd’. 
Reparatiepogingen mochten (ook hier) niet baten. Vergunningen werden bijvoorbeeld verleend op basis van het “Toetsingskader ammoniak en Natura 2000” (in werking getreden 26-6-2007, afgewezen door de Raad van State 26 maart 2008), maar steeds vaker bleef degene die een Natuurvergunning aanvroeg, uiteindelijk zitten met een Raad van State beroepszaak en een uiteindelijke vernietiging van de vergunning.
Nadat dus ook hier de vergunningverlening ‘op slot kwam te zitten’, werd besloten om op basis van de aanbevelingen van, eerst de taskforce, onder leiding van de heer Trojan en daarna een adviesgroep onder leiding van de heer Huys, deze problematiek via een programmatische benadering op te lossen.
De opdracht tot vaststelling van een programma aanpak stikstof is uiteindelijk in de wet opgenomen via de op 31 maart 2010 in werking getreden Crisis- en herstelwet. De voorschriften over het programma aanpak stikstof zijn bij de behandeling van het voorstel voor een Crisis- en herstelwet door de Tweede Kamer bij amendement van de leden Samsom en Koopmans in dat wetsvoorstel opgenomen.
Vervolgens werd een megaproject opgestart, waarin wetenschappers, juristen, natuurbewegingen en beleidsmakers hun handen ineen sloegen om te komen tot het Programma Aanpak Stikstof (het PAS). Het doel hiervan was: een gedragen regeling voor minder stikstof, sterkere natuur en economische ontwikkeling.
Dit programma diende een integrale beoordeling van de brongerichte en gebiedsgerichte maatregelen voor de aanpak van de stikstofproblematiek te bevatten, die zouden worden getroffen in en nabij de Natura 2000-gebieden die onderdeel zijn van dit programma. De integrale beoordeling zou met zich meebrengen dat het aspect stikstof voor een Natura 2000-gebied geheel zou zijn afgewogen. Dit aspect zou dan 1-op-1 worden overgenomen in het beheerplan van het betreffende gebied.
Het uiteindelijke PAS trad in werking op 1 juli 2015 voor een tijdvak van zes jaar (2015-2021). Vanaf dat moment kon bij de verlening van toestemming voor activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken, met mogelijk schadelijke gevolgen voor een Natura 2000-gebied, voor het aspect stikstof gebruik gemaakt worden van dit programma en de daaraan ten grondslag liggende onderbouwing.
Het PAS werd uiteindelijk vastgesteld door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat in overeenstemming met Gedeputeerde Staten van de provincies Drenthe, Flevoland, FryslĂąn, Gelderland, Groningen, Limburg, Noord-Brabant, Noord-Holland, Overijssel, Utrecht, Zeeland, Zuid-Holland en het de Minister van Defensie.
Twee jaar later werden echter door de Raad van State al de voorbereidingen getroffen om het PAS, waar dus een voorbereidingstijd van 7 jaar en duizenden ambtelijke – en bestuurlijke uren aan vooraf waren gegaan, ten grave te dragen.

Over de prejudiciële vragen

Op 17 mei 2017 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie over de verenigbaarheid van het PAS met de Habitatrichtlijn.
Het is de moeite waard om de Europese rechtbank in actie te zien bij de nogal bijzondere aanpak van Advocaat-Generaal J. Kokott bij de (overigens ronduit suggestieve) vragen bij het verzoek van de Raad van State (Nederland) om een prejudiciële beslissing (25 juli 2018). (Link 8)
Omdat e.e.a. wel veel ruimte vraagt en het toch een weinig toegankelijke juridische wijze van formuleren betreft, is het misschien handig om e.e.a. hier samen te vatten.
Uit de eerste overwegingen valt al op te maken dat Kokott niet helemaal op de hoogte is van de wijze waarop natuurgebieden in ieder geval in Nederland zijn ontstaan, of hier in ieder geval  geen rekening mee heeft gehouden. 
Maar het kan niet zo zijn dat wanneer door extreme armoede verschraalde landschappen ontstaan, met uiteraard en grote ‘gevoeligheid’ voor bemestende neerslag, in een dergelijk gebied geen activiteiten meer mogen worden toegestaan die (in geringe mate) stikstof uitstoten. Alle verbrandingsprocessen hebben stikstof uitstoot, wat dus volgens Kokott aanleiding zou moeten zijn om alle verbrandingsprocessen dan maar te verbieden.
Het zou in ieder geval voor de voormalige Oostblok-staten toch nog eens aanleiding kunnen zijn om nog eens na te denken over toetreding tot de Europese gemeenschap. Dit is een armoede-val nieuwe stijl, die maar moeilijk te verenigen lijkt met de ‘rechten  van de mens’.
Maar daarnaast en misschien wel veel belangrijker dan dat, had ze geen rekening gehouden met het feit dat de Nederlandse hoogste rechter wel dankbaar haar veroordeling van het systeem, maar niet haar verzoenende toon ten aanzien van de ‘minimumdrempel voor stikstofdepositie’, zou overnemen. En ze lijkt  ook niet op de hoogte te zijn van de reikwijdte van het speciaal door Nederland ontwikkelde Aerius-rekenprogramma, dat met geen enkele onzekerheid rekening wenst te houden.

Het juridische rekenwonder

De commissie Remkes refereert naar een rekenprogramma bij zijn lofzang op de wetenschap:
“Het AERIUS-model is een poging om de werkelijkheid te benaderen, maar is in belangrijke mate gebaseerd op aannames. Dat leidt tot discussie over onzekerheidsmarges. Op grond van de Habitatrichtlijn moet bij plannen en projecten worden onderzocht of al dan niet sprake is van een mogelijk significant effect. Momenteel wordt dit berekend met AERIUS met een enkelvoudige puntschatting op het niveau van een hexagoon met een oppervlakte van een hectare.”
“Een enkelvoudige puntschatting op het niveau van een hexagoon met de oppervlakte van een hectare”. Datgene wat vampiers met uien en knoflook schijnen te hebben, wordt hier voor juristen, bestuurders en journalisten tentoon gespreid. Vooral niet laten merken dat je het niet snapt, zou ik zeggen
 “Een meervoudige vlaktebron op het niveau van een parallellogram met een diepte van twee vadem” zou ongeveer een gelijk effect hebben.
Aerius is echter een simpel rekenprogramma die de hoeveelheid stikstof berekent die vanuit een bron neerslaat op een bepaald gebied. Er wordt hiervoor een bepaalde concentratie stikstof in de atmosfeer vermenigvuldigd met een zogenoemde (effectieve) depositiesnelheid.
De rekenmodule van Aerius is gebaseerd op het zgn. “gaussisch pluimmodel”. In de wiskunde is een Gaussische functie of Gaussiaan een functie van de vorm:

In Wikipedia kunnen daarvan bijvoorbeeld de volgende grafische vormen worden gevonden:

Wikipedia licht hierbij nog toe: “De functie is symmetrisch ten opzichte van x = b, en heeft daar een maximum, de waarde a. Naarmate x zich van b verwijdert neemt de functiewaarde eerst langzaam, maar al gauw zeer snel af, maar deze blijft wel groter dan nul.”
Dit leidt dan tot de volgende grafische weergave van de berekening (uit:  Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator (PAS bureau, 2018)). 
OK, dit is ook ingewikkeld, maar wel logisch, en met enige moeite, met het oog op de bijgevoegde illustraties, wel te volgen denk ik. Belangrijk is dat de grafiek net boven nul blijft hangen. Immers, naarmate de ‘minimumdrempel voor stikstofdepositie’ steeds dichter bij 0 komt te liggen, betekent dit ook dat de afstand tot waar stikstof relevant wordt gevonden, (exponentieel) steeds groter wordt. De Gaussische kromme blijft immers groter dan 0. Zelfs de Europese rechter toont hier enige zorgen door (ongevraagd) te verwijzen naar een veel hogere Duitse norm (zie overwegingen onder 105 t/m 110) Het is dan ook niet goed te begrijpen waarom de Nederlandse Raad van State de suggestie van Kokott afwijst. Nederland had dus, volgens het Europese hof, kunnen aansluiten bij de norm van het Duitse Bundesverwaltungsgericht, of in ieder geval waren de duidelijk lagere in het PAS opgenomen drempel- en grenswaarden wetenschappelijk verantwoord.  En wanneer dat was gebeurd, was er ook geen stikstofcrisis geweest!
De bouw en transportwereld konden, zoals uit de voorgaande jaren bleek, blijkbaar (net als de meeste agrarische bedrijven) prima vooruit met de grenswaarde van 0,05 mol/ha/jaar!
Dit kan worden geĂŻllustreerd met het volgende voorbeeld:
voor het gebruik van Aerius betekent de huidige Nederlandse norm, dat een stikstofemissie voor bijvoorbeeld een oprichtingsvergunning voor een agrarisch rundveebedrijf met 100 koeien en 70 jongvee (de voormalige grens voor vergunningplicht), nog relevant is tot op ongeveer 100 kilometer van dit bedrijf. Een dergelijk bedrijf in bijvoorbeeld Afferden (Gld) zou een bijdrage van 0,01 mol/ha/jaar hebben op de natuurgebieden Botshol bij Amsterdam, de Weerribben bij Emmeloord en het Sarsven bij Weert (Limburg).
De suggestie dat alleen bedrijven “in de nabijheid van een Natua 2000 gebied”, last zouden hebben van de stikstofnorm, zoals door de pers wel wordt gesuggereerd, is dan ook wat wereldvreemd.
Anderzijds, bij een bijdrage van 3% van de KDW, de “Duitse norm”, zou hetzelfde bedrijf op geen enkel natura2000 gebied een significante bijdrage hebben, zelfs niet op de 300 meter verderop gelegen Natura-2000 gebied ‘Rijntakken’.

Beginselen van behoorlijk bestuur

De algemene beginselen van behoorlijk bestuur (abbb’s) behelzen in Nederland een aantal beginselen die ontstaan zijn uit jurisprudentie om de gedragsregels van de overheid ten opzichte van de burger te regelen. Dit is het geval als de overheid een vergunning verleent, belasting heft of een verbintenis aangaat met bijvoorbeeld een BV. Voor 1994, toen de Algemene wet bestuursrecht in werking trad, waren de meeste beginselen nog niet vastgelegd in de wet. Door middel van jurisprudentie is de verhouding tussen de overheid en de burger verduidelijkt. Vanaf 1994 is een aantal beginselen gecodificeerd.
De Raad van State toets of een overheid zich wel gedraagt overeenkomstig de abbb’s. maar dat ontslaat het hoogste rechtscollege er niet van om deze zelf ook in acht te nemen.
Maar de om advies vragende Raad van State lijkt in het arrest wat op de conclusies van de Advocaat-Generaal volgt (11 november 2018) nogal een eigen kijk op de stikstofproblematiek te hebben, wat vooral duidelijk wordt uit de rechtsoverwegingen onder 27 en 28:
“27         The referring court notes that, out of 162 Natura 2000 sites in the Netherlands, 118 face a problem of excessive nitrogen deposition, for which the principal national source of emissions is agriculture.
28           The referring court observes that this excessive nitrogen deposition poses a problem for achieving the conservation objectives of nitrogen‑sensitive natural resources in Natura 2000 sites. In particular, significant deposition leads to the formation of a nitrogen cover, as a result of which, in many regions, the so-called ‘critical’ deposition values for the habitat types designated have been substantially exceeded. Exceeding the critical deposition value means that the risk of the quality of habitat types being negatively affected by the acidifying and eutrophying effects of nitrogen deposition cannot be ruled out in advance.”
Er zijn nogal wat abbb’s die zich maar moeilijk in overeenstemming te brengen zijn met een dergelijk betoog. Te noemen zijn ‘het zorgvuldigheidsbeginsel’ (‘excessive nitrogen deposition, for which the principal national source of emissions is agriculture.’). Het ‘fair play-beginsel’, wat vraagt om een ‘open en onbevooroordeelde (onpartijdige) houding (‘In particular, significant deposition leads to the formation of a nitrogen cover, as a result of which, in many regions, the so-called ‘critical’ deposition values for the habitat types designated have been substantially exceeded.’). Maar bovenal het evenredigheidsbeginsel. De overheid moet ervoor zorgen dat de lasten of nadelige gevolgen van een overheidsbesluit voor een burger niet zwaarder zijn dan het algemeen belang van het besluit (art. 3:4 lid 2 Awb).
Is het redelijk om de economische ontwikkeling van een gebied op slot te zetten met het argument dat de ontwikkeling van en relatief klein natura2000-gebied hierdoor mogelijk wordt belemmerd, zonder dat hiervoor afdoende bewijzen zijn geleverd (zoals zelfs door de Europese rechter wordt beklemtoond)?
Een rechter kan recht spreken wanneer er sprake is van een casus waarin twee partijen proberen om tot een vergelijk te komen met duidelijk tegengestelde belangen. Een geding, zoals bijvoorbeeld ook aan de orde was bij de befaamde Urgenda zaak, waarin beide partijen eigenlijk dezelfde standpunten aanhangen, kan niet dienen als uitgangspunt voor een afgewogen rechterlijke beslissing.
Wanneer de Nederlandse hoogste rechter zelf spreekt over een ‘nitrogen cover’ die ervoor zorgt dat de kritische depositiewaarden in ruime mate worden overschreden, is niet helemaal duidelijk welke twee partijen met een tegengesteld belang hier in het geding zijn geweest. 
Daarnaast heeft de Nederlandse Raad van State bewust ten opzichte van de op zichzelf al wat strenge uitspraak van het Europese Hof, nog een aantal extra stappen gezet ten aanzien van de al extreem lage drempelwaarden, waarmee de Nederlandse economie op slot is komen te zitten.
De oude drempelwaarde lag op 0,05 mol/ha/jaar, ofwel 0,7 gram stikstof/ha/jaar. Dit is werkelijk bijzonder laag. Ter illustratie, een hond produceert per dag 0,3 kg uitwerpselen en 0,7 liter urine met een gehalte aan fosfor van 1,5 gram en aan stikstof 14,4 gram, d.w.z. een hond produceert per dag 20 maal de oude drempelwaarde per hectare per jaar! Maar die norm was dus nog veel te ruim volgens de Nederlandse hoogste rechter.
De nieuwe norm ligt bij 0,07 gr/ha/jaar. De hond produceert nu een 200 malige overschrijding als hij een behoefte doet in een overbelast (en dat zijn verreweg de meeste gebieden door de bijzondere rekenmethode die hierboven al is behandeld) Natura 2000 gebied.
Maar de aard van deze grenswaarde is misschien nog duidelijker te schetsen aan de hand van het volgende voorbeeld: Klaversoorten staat bekend om hun vermogen om stikstof te binden. Een vermogen dat niet mag worden onderschat. Udo Prins komt in zijn onderzoek aan het Louis Bolk instituut voor rode klaver uit op 79 kg stikstof per ton droge stof. Een hectare rode klaver kan 11 ton droge stof opbrengen, wat dus betekent dat per ha 869 kg stikstof kan worden gebonden.
De productie van 1 klaverplantje, per blad ongeveer 2 cm2, drie blaadjes per stuk, wat dus 6 cm2 klaverblad per plantje oplevert, is dan 1.012.000.000 mg/100.000.000 cm2 * 6 cm2= 53 mg/ per plantje. Inderdaad, dat is bijna de drempelwaarde per klaverplantje. Een ongelukkig klavertje vier zorgt dus al voor een overschrijding (70,7mg = 0,071 gr/ha/jaar) van de norm!. Is dit misschien een mogelijkheid om extern te salderen?
Kokott heeft klaarblijkelijk nog geprobeerd om de Nederlandse rechters nog op een maatschappelijk acceptabel spoor te krijgen door, ondanks haar veroordeling van het systeem van de PAS, ongevraagd nog wel te wijzen op de wel ‘hele lage’ drempelwaarde van de Nederlanders.
Dit bleek echter aan dovemans oren gericht. Door de al bijzonder lage drempelwaarde van 0,05 nogmaals met een factor 10 te verlagen wordt de Nederlandse economie simpelweg op slot gezet. Zelfs de meest geringe stikstofemissies kunnen de Gaussiaanse curves die zijn opgenomen in Aerius, niet meer onderbieden bij een ondergrens van 0,005 mol (=70 mg) per hectare per jaar.
Iedere tegenwerping die vanuit de politiek of maatschappij in gebracht zou kunnen worden kan hierbij worden gepareerd met het gegeven dat het stikstofbeleid ‘onder de Europese rechter’ is geweest. ‘Objectiever kan toch bijna niet.’

De PAS beginselen en einde

In het PAS is gekozen voor “prognoses met betrekking tot de toekomstige gevolgen van de genoemde maatregelen en de verwachte daling van stikstofemissies”, die dus volgens het Europes Hof “bij de verlening van toestemming voor extra stikstofdepositie, niet in aanmerking mogen worden genomen.”
Het is een uitgangspunt wat is geboren uit de jurisprudentie van de Raad van State van voor de PAS, waarin na 2008 de KDW-en van Natura 2000 gebieden juridisch werden afgedwongen.
Hierboven is uitgebreid omschreven waarom deze KDW-en hiervoor, bijzonder in de Nederlandse situatie, volledig ongeschikt zijn. De zeldzame natuur, met een extreem lage KDW, zijn in principe niets anders dan een bloementuin die is ontstaan uit vaak eeuwenlange roofbouw op de natuurwaarden van een gebied. Natuurlijk zijn deze gebieden gevoelig voor stikstof, maar niet anders dan het boerenweiland waar bescherming van de weidevogels aan de orde is. In beide gevallen is het in stand houden van het gebied niet mogelijk door de stikstofbelasting van het gebied aan te passen aan de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied. Wanneer zich een bepaald (natuur)gebied heeft ontwikkeld op basis van een eeuwenlang consequent doorgevoerd beheer, waarbij een bepaalde stikstof-waarde (verschraling of bemesting) hoort, dan vormt zich op dit gebied natuur die hoort bij deze bepaalde stikstof-waarde.
Het is enkel mogelijk om een voedselrijk weiland in stand te houden door het beheer wat past bij dit gebied (en dus: bemesting). Zo ook is het enkel mogelijk om waardevolle natuurgebieden zoals een heidegebied, een schraalland of oud eikenbos, in stand te houden door beheer (en dus: selectieve verschraling in de zin van afplaggen, hooien, ophogen van de grondwaterstand, traditioneel hakhoutbeheer, etc.)
Dat betekent uiteraard wel dat er hoge eisen gesteld moeten worden aan het beheer voor de vele duizenden hectares natura-2000 gebied, maar is dat niet de consequentie van een Europees ambitieus natuurbeschermingsbeleid en zijn er dan geen redenen om ook bij Europa aan te kloppen om de gelden die dit beheer mogelijk zouden kunnen maken? (dan wel te snoeien in de natuuropgave, maar de overblijvende gebieden wel te behandelen zoals de natuur dat hier verdient)
Maar hoe is dit te verenigen met artikel 6 van de habitatrichtlijn? Is er een juridische oplossing te vinden?
Dat lijkt eigenlijk niet eens zo moeilijk. Een oplossing wordt eigenlijk al gesuggereerd in de door weinigen opgemerkte passage in het Jaarverslag van de Raad van State 2018. In een blog van Elisabeth Pietermaat en Jean-Paul Heinrich (https://blogbestuursrecht.nl/jaarverslag-raad-van-state-2018/) van 16 april 2019, wordt de wetgever volgens hen door de Raad van State opgeroepen om zijn rol in de trias waar te maken:
“Hoewel de Raad begrip heeft voor de moeilijkheden die de wetgever ondervindt om in een gefragmenteerd politiek en maatschappelijk landschap draagvlak en legitimiteit te blijven vinden voor nieuwe wetgeving, plaatst de Raad kritische kanttekeningen bij de een aantal tendensen die afbreuk doen aan de regierol en functie van de wetgever en daarmee ook aan het maatschappelijk vertrouwen in de wet en het wetgevingsproces. Deze tendensen zijn volgens de Raad:
Op de eerste plaats moet de wetgever ervoor waken dat zijn rol niet beperkt is tot het afstempelen van de uitkomst van politieke akkoorden en overleg met maatschappelijke organisaties. Het wetgevingsproces is geen stempelmachine van besluiten die anderen dan de wetgever hebben genomen

Op de tweede plaats is de Raad van State kritisch op het werken met open normen of het formuleren van kaderwetgeving, waarin normstelling in overwegende mate is overgelaten aan regering, bewindspersonen of decentrale overheden. De Raad van State stelt vast dat de wetgever met kaderwetgeving en het (door)delegeren van normerende bevoegdheden een deel van zijn macht uit handen geeft, als de bevoegdheid tot nadere normstelling meer inhoudt dan het vaststellen van technische normen of het regelen van uitvoeringskwesties. Als de wetgever geen overtuigende keuzes maakt of niet zorgt voor krachtige, inhoudelijke normering, kunnen problemen ontstaan doordat de wet in dat geval onvoldoende houvast biedt aan de praktijk. Dit werkt in de hand dat uitvoerings- en handhavingsorganen of leden van een sector zelf nadere invulling geven aan die normen, bijvoorbeeld met beleidsregels. Enerzijds leidt dat tot ongewenste toename van de regeldichtheid. Anderzijds kan discussie ontstaan de oorsprong en uitleg van de norm.”
Het is moeilijk om hierin niet een dringende voorwaarschuwing te zien ten aanzien van de normstelling zoals opgenomen in de PAS.
Wanneer de gang van zaken zoals deze nu al meer dan 15 jaar rondom de Natuurbeschermingswetgeving wordt afgezet met de wijze waarop dit is afgehandeld in de Wet milieubeheer, dan is het verschil schrijnend.
De Wet ammoniak en veehouderij kan door haar wettelijke status niet worden aangevallen/ getoetst worden door de Raad van State. Dat het hier ten opzichte van de Wet natuurbeheer een inhoudelijk flinterdunne toetsing betreft (geen nieuwe bedrijven en relevante uitbreidingen binnen 250 meter van een ‘Voor ammoniak kwetsbaar gebied’), is dus geen beletsel. Het is bovendien vreemd dat de inhoudelijke toetsing voor de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), het exclusieve toetsingskader voor de beoordeling van ammoniak bij vergunningverlening voor een veehouderij, zover af kan wijken van het toetsingskader in het kader van de Wet natuurbescherming.
Dat de Raad van State zelf ook de gang van zaken rondom de PAS duidelijk tegenstaat, moge blijken uit de hierboven aangehaalde passages uit het Jaarverslag van de Raad van State 2018. De gang van zaken rondom de vragen van  de fractievoorzitter van Forum voor Democratie, Thierry Baudet, is dan ook vreemd te noemen. Hij opperde bij de behandeling van de landbouwbegroting de oplossing voor het stikstofprobleem in Nederland.
“Hij constateerde dat in onze buurlanden dezelfde Europese richtlijnen gelden als in Nederland, terwijl de drempelwaarde voor de vergunningen in Duitsland veel hoger ligt dan in Nederland. “Wat nu direct moet gebeuren, is de Nederlandse regelgeving gelijktrekken met de Duitse”, aldus Baudet.
In de hoorzitting over de stikstofproblematiek in de Tweede Kamer, die deze week mede op initiatief van Baudet werd georganiseerd, zou duidelijk worden dat de Duitse regelgeving heel goed in Nederland toepasbaar zou zijn, betoogde Baudet.
Maar bij die hoorzitting kwam Baudet bedrogen uit. De verenigde juristen – van diverse pluimage – maakten duidelijk dat het Duitse systeem in Nederland niet gaat werken. Waarom niet? Omdat de Nederlandse en de Europese rechter dat systeem meer dan 10 jaar geleden al heeft afgeschoten.” (https://www.boerderij.nl/Home/Achtergrond/2019/10/Duitse-stikstofnorm-werkt-in-Nederland-niet-486425E/).
Dat is juist, zoals hierboven al behandeld, ten aanzien van wat de Nederlandse rechter betreft. In Europa heeft echter geen enkele rechter een dergelijke uitspraak ooit gedaan (en is het niet waarschijnlijk dat dit ooit zal gebeuren). Een Nederlandse ammoniakwet, die de Nederlandse rechter bindt, zou aansluiting bij de Duitse regelgeving wel degelijk kunnen bepalen.
De Wetgever is aan zet, hoezeer dit ook in strijd is met de wijze waarop van de kabinetten Rutte plegen te werken


De lessen voor het klimaatdebat

De wetenschap analyseert. Volgens Wikipedia betekent dat het volgende: “Een analytisch oordeel is een oordeel over een subject waarbij dat wat over het subject wordt gezegd (het predicaat) altijd al vervat ligt in het begrip van het subject: “goud is een metaal” en “de hond is een zoogdier” zijn voorbeelden van dergelijke analytische oordelen. Typisch aan een analytisch oordeel is dat het een a priori bewering is, en dus niet ontleend is aan de ervaring. Alle wiskundige stellingen zijn bijvoorbeeld analytisch.”
Een andere zijde van een analyse is dat het slechts Ă©Ă©n kant van een bepaald ‘subject’ belicht. Het zoogdier zijn van een hond zegt eigenlijk weinig over het betreffende subject zelf. Je weet Ă©Ă©n aspect van het hond-zijn, maar om meer te weten te komen over wat een  hond eigenlijk is, kun je niet volstaan met deze vrij summiere analyse.
Een belangrijk aspect van de wetenschap, en bron van het feit dat wetenschappelijke kennis nogal eens wordt overschat (ook door de wetenschappers in kwestie zelf), is dat een wetenschappelijke stroming altijd bezig is met Ă©Ă©n facet van een subject. Zo houdt de psychologie (met haar talrijke onderdisciplines) zich bezig met het geestelijke van de mens, de sociologie, zich met de mens in gezelschap, de rechtswetenschap zich met de mens als rechtspersoon, de medische wetenschap zich met de fysieke kant van de mens, maar dan wel in samenhang met het psychologische (vaak), etc.
Voor iedere wetenschap is er een facet-mensbeeld wat past bij de facet wetenschap van waaruit hij zijn subject bestudeert.
Problemen ontstaan wanneer de vakgebieden hun vakgereedschappen gaan richten op aspecten, waar de studie in kwestie helemaal niet voor is bedoeld. Het ‘schoenmaker blijft bij je leest’ is misschien wel bij uitstek bedoeld voor wetenschappers. Maar juist hier belemmert het menselijke ego (grootmeester van de analyse) het zicht op het grotere geheel en zorgt dit voor narigheid.
De problemen bij de stikstofdiscussie zijn voor een belangrijk deel veroorzaakt door de wetenschappers en juristen die zich de teloorgang van de Nederlandse natuur hebben aangetrokken (vooral ten tijde van de opkomst van de Çlub van Rome’ en de ‘Zure regen-crisis’) en dit proberen te stoppen.
Dit heeft wel tot gevolg gehad dat het ‘Stikstofbeleid” in Nederland al meer dan 40 jaar wordt gedomineerd door (voor een belangrijk deel dezelfde)  ‘zure regen-deskundigen’ en met de handvatten die deze tak van wetenschap biedt, de  mestproblematiek en haar  mogelijke oplossingen heeft geanalyseerd.
Ook Prof. Piersma, promotor van de in een latere fase (bij de behandeling van het WWF-rapport) nog te bespreken studie van de Rijks Universiteit Groningen door dhr. Onrust, over het gedrag van wormen in boerenland, verbaast zich hierover. Hij verzucht na Wageningse kritiek op zijn onderzoek (zie:  https://www.foodlog.nl/artikel/wonderlijk-dat-nederland-nooit-onderzoek-heeft-gedaan-naar-de-ecologische-e/):  “De vraag is natuurlijk: waarom zijn de problemen die wij nu in kaart brengen tijdens meer dan 20 jaar drijfmestproblematiek nimmer onderzocht? Hoe is het mogelijk dat zo’n ingrijpende maatregel voor zowel agrariĂ«rs als natuurwaarden zonder een degelijke samenwerking tussen bodemkundigen en ecologen tot stand kon komen (zie Clark et al. 2016)?”
Deze soort van problematiek laat dan ook de beperkingen en valkuilen van het wetenschap bedrijven in optima forma zien. De geaccepteerde basisovertuiging zorgt voor een steeds verdergaande verdieping van de overtuiging zelf, met voorbijgaan aan alle alternatieven.
Wanneer de basisovertuiging zelf onvoldoende gegrond is, helpt geen enkel wetenschappelijk onderzoek om de fout bloot te leggen. Erger wordt het nog wanneer een ecologisch probleem vanuit twee verschillende vakgebieden wordt bestudeerd. De Nederlandse ammoniaksdiscussie is een uitstekend voorbeeld van een dergelijke wetenschappelijke tour de force.
De wetenschappelijke bijdrage van de Nederlanders aan de wetenschappelijke discussie over zure regen, verzuring door ammoniak, is, in ieder geval tot 2010, altijd een overwegend Nederlandse aangelegenheid geweest. Bijvoorbeeld in het onderzoek: “Kwetsbaarheid van de Nederlandse bodem voor verzuring; Een voorlopige indicatie in het kader van de Richtlijn Ammoniak en Veehouderij” (W. de Vries, et al, 1989), is een indrukwekkende literatuurlijst van 92 onderzoeken gegeven. Nadere studie laat zien dat hiervan 18 buitenlandse onderzoeken/ studies zijn opgenomen, waarvan er in slechts 2 studies mogelijk iets is opgenomen wat relevant was voor het onderwerp van het betreffende onderzoek ten aanzien van ammoniak. Het onderzoek van De Vries, et al. diende overigens ter rechtvaardiging van forse uitbreidingsbeperkingen voor de agrarische sector en moest daarom over de best mogelijke wetenschappelijke onderbouwing beschikken.
Het is al met al een indrukwekkende studie geworden waaruit eens te meer blijkt dat wanneer de eerste stap is gezet (de hypothese ammoniak is verzurend wordt geaccepteerd) vele pagina’s kunnen worden gevuld met het beschrijven van de schadelijke effecten van deze verzuring, daarmee impliciet ammoniak bedoelend, met ontelbare literatuurverwijzingen en steeds verdergaande abstracties.
Ik wil hier een typisch voorbeeld van deze wijze van bewijsvoering wat uitgebreider bestuderen. Het gaat in dit geval over de vraag of beekeerdgronden al dan niet voor verzuring gevoelig zijn:
“In veel beekeerdgronden in kwelgebieden is in de afgelopen decennia de GLG [grondwaterstand] enigszins verlaagd door onttrekking van grondwater en door ontwatering ten behoeve van de landbouw. Hierdoor hebben ze momenteel veelal een Gt III waarvan de GLG ca. 110 cm beneden maaiveld is. In deze situatie kunnen de beekeerdgronden wel als verzuringsgevoelig worden aangemerkt omdat atmosferische depositie hier snel tot een pH-daling leidt. In situaties waar de basenverzadiging en daarmee de pH reeds duidelijk is gezakt, kan zure depositie bovendien op relatief korte termijn tot Al-mobilisatie leiden. Dit kan als volgt worden geĂŻllustreerd. Uitgaande van een gemiddeld organische stofgehalte van 4% in de bovenste 40 cm, een gemiddeld lutumgehalte van 2% en een basenbezetting van 40% is de totale basenvoorraad ca. 125 kmol ha . Uitgaande van een gemiddelde zuurdepositie van 5 kmol ha jr (Erisman et al., 1987) gedurende 20 jaar (totaal 100 kmol ha” ) zal de basenvoorraad dalen tot 25 kmol ofwel ca. 8%. In het bovenstaande voorbeeld is uitgegaan van een verwaarloosbare buffering door HCO- of door een basenverwering. Beide aannamen zijn reĂ«el voor een situatie waarin de aanvoer van grondwater gering is.
Overigens dient wel te worden bedacht dat een pH-daling in beekeerdgronden als gevolg van verlaging van de drainage basis (GIG) (verdroging) niet alleen aan atmosferische depositie behoeft te worden toegeschreven. De toenemende aëratie van de bovengrond waardoor een versterkte oxidatie (nitrificatie) optreedt waarbij H wordt geproduceerd, gecombineerd met een toenemende infiltratie waardoor Ca2+ ionen uit de wortelzone worden afgevoerd terwijl geen HC0- ionen meer worden aangevoerd kunnen een pH-daling van ca. 6 naar 4.5 goed verklaren (Kemmers en Jansen, 1985b).
Uiteraard zal dit proces door atmosferische depositie wel worden versneld. Bovendien zal in gronden met een lage basenbezetting uitsluitend een sterke Al-mobilisatie plaatsvinden als gevolg van de externe zuurbelasting waardoor zeer hoge toxische Al-concentraties (Al/Ca-ratio’s) kunnen ontstaan.
Op grond van bovenstaande overwegingen zijn alle kalkloze zandgronden als verzuringsgevoelig aangemerkt met uitzondering van beekeerdgronden met Gt II.”
De ketens van oorzakelijke oorzaken en gevolgen volgen elkaar op in een duizelingwekkend tempo, waarvan van de lezers nogal wat inhoudelijke kennis wordt gevraagd om een en ander ĂŒberhaupt te kunnen volgen. De logische basis echter simpel: “atmosferische depositie leidt snel tot een pH-daling bij lagere grondwaterstanden.”
Deze, in de weergegeven passage wat onopvallende bijzin, volgt ten aanzien van verzuring door ammoniak (en daar ging het toch om) alleen uit het eerdere onderzoek van Van Breemen (1983) en kon volgens latere onderzoeken klaarblijkelijk alleen worden bevestigd in situaties met een situatie met een zeer zware belasting met ammoniak in de nabijheid van intensieve veehouderij! (iets wat door het recente onderzoek van Tian, 2018) ook voor de situatie in China wordt bevestigd.

Ook het gegeven dat toenemende aëratie van de bodem leidt tot nitrificatie waardoor een pH van 4.5 kan worden bereikt, zou alleen een feit kunnen zijn wanneer er bodemorganismen zouden worden gevonden die bij dergelijke zure omstandigheden vrolijk doorgaan met nitrificatie. Ook hiervoor is nog steeds geen bewijs gevonden.
Maar ook het gegeven dat vrijgemaakte Al3+ ionen verantwoordelijk zijn voor een toxische bodemcoctail, bleek bij nader onderzoek niet terug te vinden, hetgeen Ulrich een aantal jaren later (1995) tot en herroeping van zijn eerdere onderzoek (4 van de 18 genoemde buitenlandse onderzoeken in het onderzoek van De Vries zijn van de hand van Ulrich).
Maar ondanks dit alles, het is geen slecht wetenschappelijk onderzoek van De Vries et al., wat diende als onderbouwing van de richtlijn Ammoniak en veehouderij. Het is wel typerend in die zin dat er in onverantwoord grote mate stellingen worden opgeworpen die zich baseren op afgeleide bewijsvoeringen uit het eigen vakgebied  (bodemwetenschappen). Het feitenmateriaal zelf, waaromheen het onderzoek is opgebouwd, is afkomstig van een gering aantal onderzoeken, die op dat moment nog nauwelijks kritisch zijn getoetst.
En wat misschien nog belangrijker is; de op dat moment beschikbare, zeer recente (internationale) onderzoeken met de bevindingen van andere wetenschappen, zoals de genoemde studies waarin ecologische oorzaken en gevolgen voor de zure regenproblematiek worden benoemd, worden totaal verwaarloosd.
Deze tekortkomingen zijn onherstelbaar. Wanneer niet ook alternatieve mogelijkheden worden genoemd en wordt beargumenteerd waarom de gehanteerde basis-feiten de juiste feiten zijn, zijn de getrokken conclusies eigenlijk nauwelijks bruikbaar als basis voor beleid, waarmee vele miljarden euro’s gemoeid zijn. Het is zaak om de basis-feiten te benoemen en te motiveren, om het betreffende onderzoek voor de anderen leesbaar te laten zijn en het te kunnen beoordelen. Uiteraard speelt dit bij de klimaatdiscussie (de leesbaarheid van de IPCC-rapporten) nog een veel grotere rol.
Zo ook was het bijvoorbeeld een heel goed idee geweest als er een deskundige archeoloog (de ontwikkeling van de betreffende cultuurlanden door de eeuwen heen), agrarisch specialist (de rol van stikstof bij de bemesting van het land), ecoloog (de wisselwerking van het habitat met zijn omgeving en de ontwikkeling van successie reeksen), rechtsgeleerde (de consequenties van een harde stikstof-norm) en zo mogelijk ook een internationaal gerespecteerde deskundige op het vakgebied, had meegekeken op het moment dat er juridisch harde “kritische depositie waarden” worden geformuleerd. Maar goed, dat kan nog altijd…
Vanaf de tijd dat conclusies worden opgeschreven en stellingen worden ingenomen, is er niet langer discussie mogelijk, het wordt dan een strijd van ego’s en een hieraan gekoppeld fanatisme, dat het altijd beter weet. In dit geval met een hele samenleving, en ook boerennatuur, als de grote verliezer. Een strijd die overigens bij het klimaatdebat nog veel grotere pieken heeft bereikt.