Weidevogels – liever geen beleid

Het eenzijdige beeld

In het onlangs verschenen Living Planet Rapport 3 van het Wereld Natuur Fonds worden alle vooroordelen over boeren en boerennatuur opnieuw bevestigd. We zijn ondertussen gewend aan teksten als:
“Vanaf begin jaren 60 begonnen natuurbeschermers zorgen te uiten over het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen en het mestoverschot dat was ontstaan en werd om structurele veranderingen gevraagd.
In het agrarisch gebied gingen voor boerenland karakteristieke wilde diersoorten sinds 1990 sterk achteruit. De populatieomvang van deze soorten nam over de hele periode gestaag af, gemiddeld met bijna 50 procent… Deze achteruitgang is een voortzetting van de grote afname tussen 1900 en 1990. De grootste bedreigingen voor natuur op het land zijn vermesting en verzuring, momenteel hoofdzakelijk veroorzaakt door een hoge aanvoer van stikstofverbindingen die vanuit de atmosfeer op de bodem neerslaan.”
De boerennatuur wordt ernstig bedreigd. Zo constateerde ook de winnaar van de Jan Wolkers Prijs 2016 voor het best natuurboek, Albert Beintema, in zijn prijswinnende boek ‘De Grutto”:
“Wij denken maar al te graag dat wij hier in Nederland zuinig zijn op ons groene landschap. Niets is minder waar. Bijna nergens anders in Europa is het boerenland biologisch zo verziekt als Nederland. Wat verlies van biodiversiteit op agrarisch land betreft staat Malta van alle landen onbetwist op de eerste plaats (…) Minder bekend is dat qua biodiversiteitsverlies bij de boer, Nederland in heel Europa, na Malta, op de tweede plaats komt. Een zilveren medaille. Nergens in Europa is de intensivering van het boerenbedrijf zo ver doorgevoerd als in Nederland en nergens anders in Europa zijn daar op zo’n grote schaal natuurwaarden aan opgeofferd.”
Nu is Malta, qua oppervlakte, net iets kleiner dan de gemeente Ede, intensief bewoond door mensen (3 maal zoveel inwoners per vierkante kilometer dan Nederland) en nogal toeristisch (2 miljoen toeristen per jaar). Slechts de helft van het eiland is geschikt voor landbouw (158 km2; net zoveel als Texel), waarbij de bedrijven afhankelijk zijn van geïmporteerde vulkaangrond  omdat op de oorspronkelijke kale rotsgrond maar weinig groeit. Het lijkt mij dan ook logisch dat de eerste prijs voor nationaal verlies aan biodiversiteit  Nederland toekomt.
Dat volgens de algemene opinie de schuld bij ‘de boer’ en bij niemand anders ligt, wordt ook duidelijk uit de smalende berichtgeving rondom het mislukken van ‘agrarisch natuurbeheer’. Vrolijk werd het overheidsrapport waarin dit (nogal on-typisch) breed wordt uitgemeten geciteerd: “Natuurbeheer door boer groot fiasco” (Trouw mei 2013):
“Volgens Frank Berendse, hoogleraar Natuurbeheer en Plantenecologie aan de Wageningen Universiteit, wordt er per jaar zo’n 42 miljoen euro subsidie verstrekt voor agrarisch natuurbeheer. Dit is slechts een paar miljoen minder dan de grote terreinbeherende organisaties krijgen (…) het de dramatische achteruitgang van weidevogels als de grutto en veldleeuwerik, niet gestopt. Dit stelt de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (RLI) in een rapport dat donderdag is overhandigd aan staatssecretaris Sharon Dijksma (natuur).”

Alleen in Nederland

We zijn ondertussen 7 jaar verder en moeten eigenlijk tot de conclusie komen dat de trend zich heeft voortgezet. Een eerste plaats in Europa; niet alleen het natuurbeheer door de boer, maar ook dat van de overheid is blijkbaar evenzeer uitgelopen op een groot fiasco. Het grote verschil met Malta en Nederland is eigenlijk alleen dat ons land miljarden aan ‘milieu-investeringen’ nodig had om aan de top van de slechtst presterende agrarische natuur te komen.
Zoals uit het WNF-rapport (waaraan alle grote natuurbeschermende instanties hebben meegewerkt) blijkt, heeft ook de Nederlandse ecologische geschiedschrijving eigenlijk geen idee waar de grote teloorgang van de boerennatuur nu eigenlijk door is veroorzaakt.
De “grote afname tussen 1900 en 1990” heeft immers een volledig ander karakter dan de forse afname na 1995. De “grote afname tussen 1960 en 1990” (deze periode wordt waarschijnlijk bedoeld) was inderdaad een internationaal fenomeen, die alles te maken had met de noodzakelijke structuurveranderingen in de landbouw, waarbij het hooiland op grote schaal plaats moest maken voor kuilvoer-weiden. Het intensiever gebruik van de landbouwgronden betekende dat soorten zich aan moesten passen, of zelfs, zoals de Kemphaan, zich niet konden handhaven.
De grote afname na 1990 is echter, anders dan in overheidsrapporten bij voortduring wordt beweerd, een typisch Nederlands iets. Er was Europees gezien inderdaad enige afname. De Farmland Bird Index ( van het Pan-European Common Bird Monitoring Scheme (PECBMS) 2015) laat bijvoorbeeld een indexafname zien van een tiental punten voor heel West Europa gedurende de periode 1990-2015.
Echter, voor Nederland was de indexafname van weidevogels gedurende deze periode echter bijna 50 punten volgens het SOVON!
Deze grote afname was onverklaarbaar volgens onze grote weidevogelexpert Albert Beintema: “[Halverwege de jaren negentig] dachten we dat we de grootste achteruitgang van de grutto achter ons hadden liggen. Er waren behoorlijke oppervlakten aan reservaten gerealiseerd en ook de beheersovereenkomsten leken goed te lopen. Daarnaast waren er twee ontwikkelingen die ons positief stemden. Ten eerste was er de door de EU opgelegde melkquotering (…) Ten tweede kwam er mestregelgeving, bedoeld om de voor milieu en atmosfeer desastreuze uitstoot van ammoniak en methaan aan banden te leggen. (….) Ook lieten de grafiekjes van de trends in aantallen grutto’s na een periode van dramatische neergang een duidelijke afvlakking zien.
Al met al dachten we dat we er wel zo ongeveer waren. Niet dus! Wat we daarover in de weidevogelatlas hebben geschreven is volledig achterhaald.” (Beintema, 2015) 

Mestbeleid

Er waren, vanaf het begin al, vanuit de boerenpraktijk grote twijfels geuit over de positieve effecten van het belangrijkste onderdeel van de door de natuurbeschermers zo toegejuichte mestwetgeving; de onderwerkplicht, ingesteld halverwege de jaren negentig. Deze twijfels werden echter in een groot aantal onderzoeksrapporten van gerenommeerde onderzoekers ‘weggeschreven’.
In een gecombineerde eind-evaluatie van de overheid door SOVON en WUR (Huijsmans, et al. 2008) naar de effecten van de mestonderwerkplicht op weidevogelpopulaties, wordt simpelweg gesteld: “In vergelijking tot andere agrarische activiteiten zijn de verliezen door EMT vergelijkbaar met vertrapping door vee, maar blijven nog achter bij maaiverliezen, tenzij er bescherming plaatsvindt.”
De belangrijkste wetenschappelijke instituten op het gebied van weidevogels hadden dus een uitgebreide evaluatie gedaan en klaarblijkelijk had dit ook voor weidevogeldeskundigen als Beintema blijkbaar dermate veel gewicht, dat kritisch aanvullend onderzoek achterwege bleef. Maar misschien er was nog andere reden. De mestwetgeving had vorm gekregen dankzij een sterke milieulobby. Moest zij nu gaan aantonen dat het miljarden kostende beleid niet deugde?
Het meest in het oog springende probleem van de onderwerkplicht (verlies van nesten en eieren) is ongetwijfeld goed bestudeerd door de belangrijkste wetenschappelijke instituten op het gebied van weidevogels. Maar vervolgens is hierbij dan toch volledig voorbij gegaan aan het belangrijkste probleem van de onderwerkplicht; de beschikbaarheid van voer voor insecten en wormen; mest!

De hongersnood van de kuikens

Een eerste aanzet om deze problematiek te bestuderen is gedaan in het onderzoek van dhr. Onrust, begeleid door de bekende professor T. Piersma, van de universiteit van Groningen. Hij constateerde dat de beschikbaarheid van wormen voor weidevogels, als gevolg van de onderwerkplicht, ernstig achteruit was gegaan.
Het grootste probleem van de populatie van grutto’s in Nederland, is echter dat de jonge kuikens nauwelijks nog weten te overleven. En daardoor is waarschijnlijk nog belangrijker dan de beschikbaarheid van wormen, dat van de beschikbaarheid van het basisvoedsel voor jonge kuikens van weidevogels. Dat zijn dus geen wormen, maar vliegjes en mugjes (bijvoorbeeld: één gruttokuiken eet zo’n 10.000 kleine vliegbeestjes per dag!).
Maar van de aantallen vliegbeestjes, zoals dat van de voormalig belangrijkste voedselbron: de geelharige strontvlieg (Scathophaga stercoraria), is de beschikbaarheid direct afhankelijk is van de beschikbaarheid van mest. 
Hoe moeten deze diertjes aan hun voedsel bron geraken wanneer deze bij de aanwending gelijk enkele centimeters onder de grond verdwijnt? 
Onderzoeken laten zien dat de belangrijkste huidige oorzaak van de zeer grote kuikensterfte onder de weidevogels, voedselgebrek is.
De door natuurbeschermers zo gewenste mestwetgeving blijkt dus een ‘killer’ voor de weidevogels te zijn. Iets wat onder meer ook door de, op een later tijdstip (de periode 2000-2007), verplichte onderwerkplicht in Vlaanderen ook nog eens duidelijk wordt gedemonstreerd. (zie figuur)
Het mislukken van agrarisch natuurbeheer heeft dan ook een hele logische oorzaak. Ook agrarisch natuurbeheer kon niet ontkomen aan de onderwerkplicht, onderdeel van het strenge ammoniakbeleid van Nederland; maar ook boeren kunnen geen insecten maken vanuit het niets…