Stikstof en de schuldvraag

Terwijl de beraadslagingen van het kabinet over stikstof hun hoogtepunt bereikten, publiceerde het Wereldnatuurfonds, in samenspraak met een aantal vooraanstaande natuur-onderzoeksinstituten in Nederland, de derde editie van het Nederlandse Living Planet Report.
In dit rapport is de relatie tussen natuur en landbouw centraal gesteld. Dat het rapport uiteindelijk wordt gelezen in relatie tot de stikstofproblematiek, mag februari 2020 geen verbazing wekken; de timing van het rapport is daarvoor te goed gekozen.
Al snel bleek dat de ingewikkelde boodschap dit in dit rapport is opgesloten, door de pers betrekkelijk eenduidig werd geïnterpreteerd. (Link 1)
De NOS bracht het nieuws groot op het journaal van donderdag 6 februari:
“WNF: helft minder wilde dieren op heide en boerenland door stikstof; In open gebieden als heidegronden en op het boerenland is het aantal wilde dieren in dertig jaar tijd met gemiddeld de helft afgenomen.
Op hoge zandgronden, zoals de Veluwe, zijn er zelfs 70 procent minder dieren dan in 1990. De teruggang treft vooral vogels, reptielen, vlinders en andere insecten. Stikstof uit de landbouw is de belangrijkste oorzaak, staat in een rapport van het Wereld Natuur Fonds Nederland.”
Maar dáár moet iets fout zijn gegaan; hoe kan de depositie van stikstof (ongeveer 22,5 kg/ha/jaar), invloed hebben gehad op de landbouwgronden, daar waar een jaarlijkse stikstofgift van 400 kg/ha/jaar niets bijzonders is. Sterker nog, ten tijde van de nog redelijk goede toestand van de natuur op het boerenland in de jaren tachtig en negentig, was een stikstofgift die ongeveer het dubbele hiervan bedroeg, niets bijzonders. In de tweede nationale milieuverkenning (RIVM, 1991) wordt de belasting van het grootste deel van Noord Brabant en de Gelderse vallei gezet op meer dan 800 kg N/ha.
Hoe kan de stikstofdepositie van 20 kg N/ha/jaar dan nu zulke desastreuze gevolgen hebben?
Het bleek op een misverstand te berusten. De teneur van het Het Living Planet rapport Nederland (verder: LPR3) was eigenlijk dat de structuurveranderingen binnen de landbouw inmiddels dermate ernstig waren dat de consequenties hiervan doorsijpelden naar alle natuur in Nederland, zoals kan worden afgeleid uit de volgende teksten:
“Na de Tweede Wereldoorlog was er aanvankelijk, ook onder natuurbeschermers, weinig weerstand tegen de door Mansholt bepleite productieverhoging door intensivering.
Maar de intensivering bleef doorgaan, ook toen allang voldoende voedsel werd geproduceerd. Vanaf begin jaren 60 begonnen natuurbeschermers zorgen te uiten over het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen en het mestoverschot dat was ontstaan en werd om structurele veranderingen gevraagd. Landbouwgebieden werden opgekocht en als natuurgebied veiliggesteld, nu ook door de overheid. Maar de invloed van de landbouw reikte inmiddels tot in de natuurgebieden, die versnipperd raakten, verdroogden en te maken kregen met bestrijdingsmiddelen en vermesting…
In het agrarisch gebied gingen voor boerenland karakteristieke wilde diersoorten sinds 1990 sterk achteruit (voor selectie kenmerkende soorten, zie: Van Strien et al., 2016). De populatieomvang van deze soorten nam over de hele periode gestaag af, gemiddeld met bijna 50 procent (CLO, 1580); 10 soorten gingen vooruit, 27 achteruit… De achteruitgang is een voortzetting van de grote afname tussen 1900 en 1990.
De grootste bedreigingen voor natuur op het land zijn vermesting en verzuring, momenteel hoofdzakelijk veroorzaakt door een hoge aanvoer van stikstofverbindingen die vanuit de atmosfeer op de bodem neerslaan.”
Maar toch zit er een opvallende twist in het verhaal waardoor het eigenlijk ook niet zo goed spoort met de hierboven weergegeven ecologische problemen die reactief stikstof klaarblijkelijk met zich meebrengt (en die de landelijke pers duidelijk ook is ontgaan):
De natuur deed het (anders dan eerder werd aangegeven) dus eigenlijk niet zo slecht. De dieren in het heidegebied wel, maar daar is al eerder uitgebreid op ingegaan, en daar zijn dus ook hele andere oorzaken voor aan te wijzen.
Maar juist de diersoorten die gewend zijn aan de hoogste stikstofdeposities (op landbouwgronden) deden het vanaf 1990 dus klaarblijkelijk veel slechter dan de dieren die in de vrije natuurgebieden ‘leden onder het stikstof’. Hoe is dat nu mogelijk? En waarom vanaf 1990?
In het onderstaande wil ik het dan ook hebben over de bovenstaande impliciete erkenning, door het WWF, van de werkelijke slachtoffers van de stikstofcrisis; de door Van Strien et al. (2016) aangewezen indicatorsoorten voor het boerenland: de weidevogels: Grutto, Kievit, Scholekster, Graspieper en Spreeuw. Om nog maar te zwijgen van het droeve lot van onze veldleeuwerik.

De dieren van het boerenland

Het boerenland heeft in de periode tot 1990 structurele ontwikkelingen doorgemaakt, opgedrongen door de noodzaak tot productieverhoging, de hogere arbeidslonen betekenden dat de agrarische productiviteit flink moest stijgen om het boerenbedrijf nog rendabel te houden.
En dat is, volgens velen, veel te goed gelukt. De winnaar van de Jan Wolkers Prijs 2016 voor het best natuurboek, Albert Beintema, verwoordt het in zijn prijswinnende boek ‘De Grutto”, als volgt:
“Wij denken maar al te graag dat wij hier in Nederland zuinig zijn op ons groene landschap. Niets is minder waar. Bijna nergens anders in Europa is het boerenland biologisch zo verziekt als Nederland. Wat verlies van biodiversiteit op agrarisch land betreft staat Malta van alle landen onbetwist op de eerste plaats (…) Minder bekend is dat qua biodiversiteitsverlies bij de boer, Nederland in heel Europa, na Malta, op de tweede plaats komt. Een zilveren medaille. Nergens in Europa is de intensivering van het boerenbedrijf zo ver doorgevoerd als in Nederland en nergens anders in Europa zijn daar op zo’n grote schaal natuurwaarden aan opgeofferd.
Dat begint al met de waterhuishouding (…) paradoxaal genoeg is in ons natte klimaat verdroging van de natuurgebieden die aan boerenland grenzen een van de grootste problemen.
Vervolgens hebben we de mest (…) op onze maïsakkers kunnen we alle overtollige mest uit onze stallen kwijt. We gebruiken die mest niet op onze weilanden en graanakkers. daar strooien we liever geïmporteerde kunstmest, want dat is zinlijker en die is veel gemakkelijker te doseren. Al met al is er geen land ter wereld waar zoveel stikstof per hectare op het land wordt gegooid als in Nederland (…) Nergens anders ter wereld halen we zulke hoge productiecijfers per hectare als in Nederland. Iets om trots op te zijn en goed voor de export. Maar de mest verdwijnt in de sloten en in het oppervlaktewater van heel Nederland (…)
Veel van die meststoffen komen in de atmosfeer terecht. Dat is vooral een groot probleem in de jaren tachtig, toen minister van landbouw Gerrit Braks op het lumineuze idee kwam om van Noord-Brabant een varkensparadijs te maken. Uit de grote ligboxstallen (? foutje?, die is voor de koeien, EJ) steeg de ammoniak bij tonnen tegelijk op, de lucht in, om vervolgens als zure regen weer naar beneden te komen vallen. We dachten toen dat onze bossen daar allemaal aan dood zouden gaan (…) Zo komen we bij het derde van wat we in de jaren tachtig de VER-thema’s noemden: na ver-droging en ver-mesting de ver-zuring.”
Een fraai stukje proza wat de zaak flink plat slaat en  nauwelijks gehinderd door enige recente inzichten, maar het geeft wel een goed sfeerbeeld over hoe er door de ‘vergroende burgerij” tegen de agrarische bedrijfstak  wordt aangekeken.
De opstellers van het LPR3 rapport (2020) lijken zich de VER-thema’s overigens nog te herinneren wanneer gesteld wordt: “Bestrijdingsmiddelen en meststoffen verspreiden zich via bodem, lucht en water naar natuurgebieden, waar vervuiling, vermesting en verzuring optreden (hoofdstuk 2).”
De fijne nuance is verdwenen en de schuldige is al in een vroeg stadium aangewezen. Maar toch was er, met name voor vogelspotters, nog het nodige te genieten op het boerenland in 1990 (zeg ik als ervaringsdeskundige, maar ook volgens het SOVON rapport 2018/31 door Jessica van der Wal & Wolf Teunissen).
Voor sommige soorten waren de ontwikkelingen op het boerenland blijkbaar niet eens zo slecht geweest. De Grutto had zich als moerasvogel op het boerenland gestort na de tweede wereldoorlog en piekte qua populatie in de jaren zeventig van de vorige eeuw, en deze populatie had zich sinds halverwege jaren negentig schijnbaar gestabiliseerd. (zie link 2) Ook de aantallen Scholeksters namen nog steeds spectaculair toe, het aantal Kieviten was ook flink gegroeid en de Tureluurs en de Wulpen bleven eigenlijk steeds rondom eenzelfde niveau tot 1990. Het aantal broedparen Veldleeuweriken lag tussen de 175.000 en 300.000.
Zelfs de hierboven al geciteerde Beintema was naar eigen zeggen: “halverwege de jaren negentig behoorlijk optimistisch.
Toen ik in 1995 met Oene Moedt en Danny Elinger de Ecologische Atlas van de Nederlandse Weidevogels mocht samenstellen, dachten we dat we de grootste achteruitgang van de grutto achter ons hadden liggen. Er waren behoorlijke oppervlakten aan reservaten gerealiseerd en ook de beheersovereenkomsten leken goed te lopen. Daarnaast waren er twee ontwikkelingen die ons positief stemden. Ten eerste was er de door de EU opgelegde melkquotering (…) Ten tweede kwam er mestregelgeving, bedoeld om de voor milieu en atmosfeer desastreuze uitstoot van ammoniak en methaan aan banden te leggen. (….) Ook lieten de grafiekjes van de trends in aantallen grutto’s na een periode van dramatische neergang een duidelijke afvlakking zien.
Al met al dachten we dat we er wel zo ongeveer waren. Niet dus! Wat we daarover in de weidevogelatlas hebben geschreven is volledig achterhaald (…) De Friese natuurjournalist Halbe Hettema schreef in 2004 een boek over de grutto (…) Daarin publiceerde hij interviews met mensen die iets over grutto’s wisten te vertellen. Mij citeerde hij daarin als: ‘Albert Beintema begrijpt het niet.’ En inderdaad, ik begreep er geen bal van. ” (Beintema, 2015)
Maar het ging niet alleen over de grutto.  Over de gehele linie zonken de aantallen weidevogels, na de jaren tachtig, naar een nooit eerder gehaald minimum. Dat veranderde dus drastisch. Hoe kon het ineens zo hard gaan over de hele linie van weidevogels?
Uit tal van onderzoeken kan worden afgeleid dat de teruggang van de weidevogels alles te maken moet hebben met de vreemde afname van de belangrijkste voedselbron van deze weidevogels; de insecten.
Ook het LPR3 rapport signaleert dat de afname van insecten de afgelopen jaren veel aandacht trok, maar het kan het hier uiteraard niet zoveel mee. Inventarisaties van afname van soorten beperkt zich helaas tot de soorten die voor de mensen leuk zijn, of een grote aaibaarheidsfactor hebben, zoals Midas Dekkers het zou benoemen.
Het LPR3-rapport staat uitgebreid stil bij de populatieontwikkeling van vlinders, boerenlandvogels en zoogdieren. Maar naar alle andere diersoorten blijft het raden; alleen op blz. 23 wordt in het rapport in 4 alinea’s onder de kop “Insecten verdwijnen”,  verwezen naar een Duits onderzoek waarin werd vastgesteld dat het aantal insecten in de periode 1989-2016 met maar liefst 75% was afgenomen. “De oorzaak was onbekend, maar er was duidelijk iets mis.” Vervolgens gaat het rapport verder met:
“De vraag rees of hetzelfde in Nederland gebeurd is. De weinige gegevens die beschikbaar zijn, wijzen daar wel op (Hallmann et al., 2018, 2019)…
De afname kan gevolgen hebben voor bestuiving en natuurlijke plaagbestrijding, en voor insectenetende vogels en zoogdieren. Zo is duinpieper als broedvogel uit Nederland verdwenen. Maar tot nu toe zijn niet alle insecteneters getroffen.”
Dat laatste is uiteraard goed om te horen en fijn relativerend, maar in feite zijn vrijwel alle jonge vogels insecteneters. Wat gebeurde er nu precies met de belangrijkste voedselbron voor de weidevogels? En waarom zoomt het LPR3 rapport hierop niet in?

De situatie na 1990

Het LPR3 rapport citeert als belangrijkste factoren voor de achteruitgang van de insectenpopulatie de volgende factoren:
“De achteruitgang wordt waarschijnlijk veroorzaakt door een combinatie van factoren (Goulson et al., 2015), met als belangrijkste het gebruik van kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen in de landbouw, klimaatverandering, het opkomen van exoten zoals de parasitaire varroamijt en, in natuurgebieden op arme zandgronden, de stikstofdepositie  (Kleijn et al., 2018).”
Het is een merkwaardige opsomming. Het gebruik van kunstmest en de toepassing van chemische bestrijdingsmiddelen zijn niet bepaald pas in 1990 begonnen. Sterker nog, we zien hier juist een afname van het kunstmestgebruik vanaf 1990 en een veel scherper toelatingsbeleid voor gewasbeschermingsmiddelen (om die term maar eens te gebruiken). (zie link 3)
Van de effecten van klimaatverandering zou je veel kunnen verwachten, maar voor zover deze heeft toegeslagen na 1990, is bepaald vreemd dat aangenamer temperaturen en zachtere winters een uitsterven van de insecten met zich mee zouden brengen.
De varroamijt kan zich alleen voortplanten op het broed van honingbijen en zorgt daar voor schade (bij met name de gedomesticeerde bijensoorten). Maar of die nu verantwoordelijk kan zijn voor het uitsterven van een belangrijk deel van de insectenpopulatie in Nederland?
Hoe stikstofdepositie de insectenpopulaties zou kunnen beïnvloeden wordt over gelaten aan de fantasie van de lezer, maar wordt bovendien alleen in verband gebracht met “natuurgebieden op arme zandgronden”. Maar ook dit biedt dus geen verklaring voor de afname van de boerennatuur.
Wat veranderde nu echt in de jaren negentig van de vorige eeuw?

Het Nederlandse Mestbeleid

Er blijft voor mijn gevoel maar één logische oorzaak over, waarvoor het lijkt alsof vrijwel alle natuuronderzoekers één blinde vlek in haar historische beschouwingen over de landbouw in Nederland gemeen hebben: de (ook door Albert Beintema zo enthousiast ontvangen) ontwikkeling van het Nederlandse mestbeleid. Opgedrongen door een fanatieke lobby van natuurbeschermers, ontvangen onder een luid boerenprotest, kon dit natuurlijk geen relatie hebben met enig natuurverlies. Uitgebreid (Wagenings) onderzoek hadden dergelijke claims immers ook al naar het rijk der fabelen verwezen…
De productie van dierlijke mest nam flink af, vanaf 1986, toen het mestbeleid door de Nederlandse overheid werd opgepakt (zie link 3). Dat had echter toch nog te weinig effect volgens een groot aantal onderzoekers die zich destijds geconfronteerd wisten met een natuur-catastrofe: de zure regen. En een belangrijke bron van de zure regen was volgens deze wetenschappers in die tijd (zoals we hierboven al uit de bespiegelingen van Beintema konden herleiden): de ammoniak-emissie van de Nederlandse landbouw.
Het grootste deel (ongeveer 80%) van de mestproductie wordt op Nederlandse landbouwgrond uitgereden, waarmee het uitrijden van mest de grootste bron van ammoniak-emissie door de veestapel werd. (zie link 3)
Eind jaren tachtig bleek dat de afname van de ammoniakemissie uit de landbouw toch nog achter bleef bij de doelstelling (70% reductie in 2000 ten opzichte van 1980). Daarop is in 1989 het ‘Plan van aanpak beperking ammoniakemissie van de landbouw’ opgesteld. Dit plan is in 1990 door de regering vastgesteld.
Het plan bevat acties en maatregelen op de volgende punten:
– beter benutten van stikstof in veevoer;
– stimuleren van emissiearme stalsystemen;
– afdekken van mestopslagen;
– bewerken en verwerken van dierlijke mest;
– emissiearm toedienen van dierlijke mest.
Dit laatste aandachtspunt werd tevens het grootste succes van het plan uit 1990. De evaluatie van het Planbureau voor de leefomgeving (verder “de PBL-evaluatie) van het emissiearme uitrijden, uitgevoerd op verzoek van de ministeries van LNV en VROM (2009) is duidelijk in haar conclusies:
“Emissiearm bemesten is effectief; negatieve effecten zijn beperkt of niet duidelijk aangetoond. Door emissiearm te bemesten is de ammoniakemissie bij bemesten met 60% tot 70% afgenomen. Deze emissiereductie is gerealiseerd ten opzichte van de wijze waarop het in de tachtiger jaren van de vorige eeuw gebruikelijk was te bemesten. Bij emissiearm bemesten wordt de mest in sleufjes in de grond gebracht of in smalle stroken op de bodem gelegd en niet in een brede waaier over het land verspreid (‘breedwerpig bovengronds bemesten’). Het oorspronkelijke doel uit 1990 (80% emissiereductie bij bemesten) wordt niet volledig gehaald. Toch levert emissiearm bemesten de grootste bijdrage (80-90 kiloton) aan de afname van de ammoniakemissies. Deze afname is nodig om het plafond van 128 kiloton voor 2010 te halen.
Emissiearm bemesten werd niet alleen verplicht in Nederland, maar (op basis van het Nederlandse ‘succes’) later ook elders in Europa waaronder België (Vlaanderen) en (onder voorwaarden) in Duitsland.”
Implementatie van het mestbeleid en dan met name de nieuwe manier van emissiearme mesttoepassing (EMT) leidde tot felle protesten van de boeren, omdat de maatregel o.a. desastreus zou zijn voor het bodemleven en de weidevogelstand.
Ook nu nog is het bovengronds uitrijden van drijfmest met de ketsplaat, het belangrijkste agendapunt van de Vereniging tot Behoud van Boer en Milieu (VBBM). Al bijna 30 jaar strijdt de VBBM voor bovengronds mest uitrijden, mits de mest aan een aantal strenge voorwaarden voldoet. Om de ‘ketsplaat’ te behouden, diende VBBM, nog in 2019 een manifest in bij de commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Een nadere toelichting is te vinden op de site: https://www.boerenbusiness.nl/video/bb-tv/video/10878972/drijfmest-hoort-op-en-niet-in-de-grond.
De PBL evaluatie benoemt dit ook:
“De voorgeschreven wijze van emissiearm bemesten stuit bij een deel van de boeren op grote weerstand. Volgens een artikel in Boerderij (Wellink, 2007) gaat het om een groep van ongeveer 400 boeren die (citaat Boerderij) ‘koste wat het kost bovengronds wil uitrijden. (…) niets erger dan mest te injecteren. Dat verpest de bodem, de basis van alles (…) Aan die basis morrelen tast onvermijdelijk de gezondheid en het milieu aan’.
Ook uit Van der Wulp (in voorbereiding) blijkt dat 20% van de boeren liever bovengronds dan op de voorgeschreven manier bemest. Verder bleek dat tijdens maatschappelijke klankbordbijeenkomsten die gedurende de evaluatie zijn gehouden dat met name boeren die het zogenaamde ‘Natuurlijk Kringloop Systeem’ aanhangen zich zorgen maken over de zuurstofloze condities in de mest die bij het bemesten in stroken van 5 cm ontstaan. Dit zou een negatief effect hebben op de mestkwaliteit, waardoor het bodemleven wordt aangetast. Verder zou dit een negatief effect op de gezondheid van het melkvee hebben. Dit is echter niet onderzocht en daardoor kan ook geen oordeel worden gegeven.”
Geconcludeerd wordt:
“Een klein deel van de boeren wil af van de verplichting tot emissiearm bemesten in verband met mogelijke schade aan bodemleven en bodemstructuur. Uit onderzoek is gebleken dat schade aan het bodemleven als gevolg van emissiearm bemesten van tijdelijke aard is, niet optrad of niet duidelijk aangetoond kon worden. Schade aan de bodemstructuur (bovenste 20-30 cm) blijkt gering of afwezig te zijn…
Ten opzichte van andere maatregelen om de emissie van ammoniak te beperken, is emissiearm bemesten relatief goedkoop: het kost iets minder dan 1 euro om de emissie van 1 kg ammoniak te voorkomen. Ter illustratie: bij de luchtwasser, die wordt toegepast in de intensieve veehouderij, kost het ‘afvangen’ van 1 kg ammoniak uit de stallucht 4 tot 6 euro.
Voor boeren bedragen de meerkosten van emissiearm bemesten jaarlijks ongeveer 60 tot 70 miljoen euro. Doordat er bij emissiearm bemesten minder ammoniak vervluchtigt en dus meer stikstof in de bodem beschikbaar is voor het gewas, hoeft minder kunstmest te worden gebruikt dan bij bovengronds bemesten. Indien daadwerkelijk minder kunstmest wordt gebruikt, kunnen de besparingen van verminderd kunstmestgebruik ongeveer 70-90 miljoen euro bedragen.”
Een en ander wordt geïllustreerd met de volgende afbeelding:
Bij dit alles is er, volgens het PBL toch duidelijk sprake van een klassieke win-win-situatie: het emissiearm uitrijden levert de boeren ook nog eens tot wel 30 miljoen euro per jaar op! Daarnaast zijn de effecten op bodemstructuur, bodemleven en weidevogels “niet duidelijk aangetoond”; waar komen die bezwaren dan vandaan?
In 2009 werd door het Planbureau voor de leefomgeving het mestbeleid geëvalueerd. Het onderzoek, uitgevoerd door de meest gerespecteerde onderzoeksbureau’s op het gebied (de WUR, samen met het SOVON) laat geen ruimte voor kritiek. Emissiearme mesttoepassing is een zegen voor de boerenstand en het milieu. (een wat ruimere samenvatting is hier te vinden) Maar het PBL stelt ook nog voorzichtig: “Een klein deel van de boeren wil echter af van de verplichting tot emissiearm bemesten in verband met mogelijke schade aan bodemleven en bodemstructuur.”
Ondanks alle voordelen, blijkt toch maar een marginale meerderheid van 60% van de boeren vóór en blijft 20% van de boeren tegen het emissiearme bemesten. Sterker nog: “Als de overheid weer zou toestaan om bovengronds te bemesten zonder onder te werken, dan zou 40% van de boeren een sterke of lichte voorkeur hebben om bovengronds te bemesten.” (PBL, 2009) Dat is toch echt meer dan “een klein deel”. Hoe is dit allemaal met elkaar in overeenstemming te brengen?

Gediplomeerd onderzoek

De laatste jaren is er een regelmatig patroon in het Nederlandse weidevogelonderzoek te herkennen. Er zijn volgens sommige onderzoeken wél degelijk indicaties dat emissiearme mestaanwending invloed heeft op de weidevogelpopulatie, waarna een vrijwel onmiddellijke reactie van Wageningse hoogleraren volgt, waarin met zoveel woorden wordt gesteld dat het wetenschappelijke onderzoek in kwestie “niet voldoet aan de hieraan te stellen criteria”. Maar zelfs als dit juist is, het is ook wel gemakkelijk als je vervolgens weigert om zelf onderzoek te verrichten om de kwestie dan wel op een goede manier op te lossen.
En onderzoek naar het wel en wee van onze weidevogels is inmiddels ruim voldoende beschikbaar. 
De hieronder behandelde onderzoeken hebben overigens vooral betrekking op onze “Nationale vogel”, de Grutto. Dit met excuus aan de Kievit, Tureluur Scholekster, Veldleeuwerik en vele anderen.
Ten aanzien van al het onderzoek waaruit zou moeten blijken dat het emissiearm uitrijden van mest alleen verwaarloosbare effecten heeft, maakt het WUR-rapport van Huijsmans et al. (2008), wat in samenwerking met het SOVON werd opgesteld, een lichte uitzondering, maar is aan de andere kant ook weer zeer typisch:
“De meeste weidevogelsoorten vertonen een (sterke) achteruitgang en dit leidt tevens tot een achteruitgang in de biodiversiteit van het agrarisch gebied. Weidevogels komen overal in het agrarisch gebied voor, maar de belangrijkste gebieden liggen in de veen- en kleigebieden van West- en Noord-Nederland. Veengebieden worden vooral door de kritische, aan vochtige graslanden gebonden soorten, geprefereerd. Ontwatering ten behoeve van agrarische activiteiten vroeg in het voorjaar zal in die gebieden sterke gevolgen kunnen hebben.
Vervroeging van de agrarische werkzaamheden zal in toenemende mate leiden tot conflicten met de broedcyclus van veel weidevogels. Vooral weidevogels die meer dan één legsel per jaar dienen te produceren om de populatie op peil te houden komen hierdoor in de verdrukking.
In vergelijking tot bemestingsvormen als kunstmest uitrijden leidt emissiearme toepassing tot grotere verliezen van legsels. Zelfs als legsels tijdens het bemesten worden beschermd neemt de overleving nog met 13% af en zonder bescherming tot 79% ten opzichte van de ongestoorde situatie. In de jaren tachtig, toen bovengronds uitrijden (BMT) nog gebruikelijk was, leidde bemesting al tot een verlaging van het uitkomstsucces. Een directe vergelijking tussen BMT en emissiearm uitrijden (EMT) op het uitkomstsucces van weidvogels is niet mogelijk, omdat hiervoor gegevens ontbreken.
In vergelijking tot andere agrarische activiteiten zijn de verliezen door EMT vergelijkbaar met vertrapping door vee, maar blijven nog achter bij maaiverliezen, tenzij er bescherming plaatsvindt.”
Een wat uitgebreidere samenvatting valt hier te lezen (link 4), waarin ook inhoudelijk wordt ingegaan op dit onderzoek.  De teneur van de evaluatie zal echter duidelijk zijn; het valt allemaal wel mee, met andere woorden…

Valt het allemaal wel mee?

In een “Paper presented to the International Fertiliser Society at a Conference in Cambridge, on 10 th december 2009”  (Proceedings 655) wordt door een trotse Huijsmans, samen met R. Schils (Alterra Wageningen) het effect van het emissiearme aanwenden van mest besproken. In deze setting wordt breed uitgemeten dat de emissie van ammoniak spectaculair is gedaald door de nieuwe Nederlandse manier van mest aanwenden. Op basis van ‘state of the art maesurements in the Netherlands’, kwam men tot de conclusie dat de gemiddelde emissie (uitgedrukt als het percentage van het totale ammoniak-stikstof) op grasland 16%  was, terwijl dat bij een traditionele bemesting 74% bedroeg.
Maar het internationale gezelschap was blijkbaar ook geïnteresseerd in de neven-effecten van dit succesverhaal.
Huijsmans verwijst daarop naar zijn eigen onderzoek een jaar eerder, waarin hij (volgens deze ‘paper’) tot de conclusie was gekomen dat: “emissiearme aanwending normaliter geen gevolgen heeft voor de bodemstructuur, bodemleven, noch de oogst, vergeleken met normale mestaanwending. Wel wordt eerlijkheidshalve toegegeven dat: “het broedseizoen van weidevogels en de periodes die het meest geschikt zijn voor mestaanwending in sommige jaren kunnen samenvallen. In die situatie zal het emissiearme aanwenden van mest leiden tot een groter verlies van kuikens.”
Toch besluit het verhaal positief: “However, the strong decline of meadow bird numbers in The Netherlands is mainly caused by other agricultural interventions. The well-drained farm land, moderate precipitation, flat land and an effctive network of contractors to apply manure are part of the wide acceptance of low-emission applications in the Netherlands.” (p.27)
Het is geen aanname, eerder onderzoek wat de auteur had gedaan had uitgewezen dat: “the strong decline of meadow bird numbers in The Netherlands is mainly caused by other agricultural interventions.” Maar toch is dit eigenlijk een rare conclusie, want juist in dat onderzoek uit 2008 had Huijsmans nog geconcludeerd: “Een directe vergelijking tussen het effect van emissiearme aanwending en breedwerpig toedienen van mest op het uitkomstsucces van weidevogels is niet mogelijk, omdat de gegevens hiervoor ontbreken.” (Huijsmans et al., 2008)
Dit was geen grootspraak van een enkele auteur. Dit was een wetenschappelijk inzicht (een feit) dat destijds breed werd gedeeld. En bovendien, er werd ook stevig gewerkt aan oplossingen. 
Beleid
In de Derde Nota Ruimtelijke Ordening uit 1974 werd al aangegeven dat naast natuurgebieden ook oude cultuurlandschappen bescherming verdienden vanwege hun ecologie, geomorfologie, wordingsgeschiedenis, cultuurhistorie of ‘belevingswaarde’.
Dit beleidsuitgangspunt werd in 1975 geconcretiseerd, toen de de Tweede Kamer de Relatienota vaststelde.
Ook in 1975 was ‘vroeger alles beter’ en in de relatienota kan onder meer de stelling worden gevonden dat: ‘tot ongeveer 1900 de kwaliteit van natuur en landschap positief beïnvloed werd door het duurzame karakter van de landbouw, maar dat nadien het effect van landbouwproductie op natuur en landschap steeds negatiever werd.’
In de Relatienota staan plannen om een tweetal nieuwe beleidscategorieën in te voeren: beheersgebieden en reservaatgebieden.
In de beheersgebieden moet de agrarische bedrijfsvoering afgestemd zijn of worden op natuur- en landschapsbeheer. Onderkend wordt dat de landbouw een essentieel onderdeel is van het waardevolle cultuurlandschap. Als de natuur- en landschapsbeheersaspecten meer aandacht krijgen, zal de landbouwproductie echter afnemen. Daarom krijgen boeren als compensatie een (beheers)vergoeding. Uiteindelijk zou ongeveer 100.000 hectare landbouwgrond deze bestemming moeten krijgen.
Met het uitbrengen van het Natuurbeleidsplan in 1990 waren de Relatienotagebieden opgenomen in de ecologische hoofdstructuur (EHS). Doel van de EHS was om aan de in 1990 bestaande 453.500 hectare natuur nog 275.000 hectare toe te voegen, inclusief de eerste en tweede tranche van de Relatienota. Behalve om gebieden uit de Relatienota ging het ook om 50.000 hectare natuurontwikkelingsgebied.
Er is ondertussen een verschuiving van aankoop naar beheer door particulieren. Van de nieuwe ambities was in 2009 ongeveer 30.000 hectare verwezenlijkt. Eind 2010 was 55% van de beoogde extra gronden voor de EHS verworven. 
Het is duidelijk. De teloorgang van de Nederlandse agrarische natuur wordt hier tegengegaan door de “other agricultural interventions” op te heffen in aangewezen “weidevogelgebieden”.
De ontwikkeling van grote oppervlaktes beschermd vogelgebied kan onder meer in beeld gebracht worden door in te zoomen op agrarisch natuurbeheer.
In 1980 werden de eerste overeenkomsten tussen boeren en de overheid afgesloten, maar pas na 1990 werd de oppervlakte landbouwgrond waar een overeenkomst voor gold, substantieel (meer dan 20.000 hectare).
Maar het animo om deel te nemen aan agrarisch natuurbeheer bleek onverwacht groot te zijn. Het areaal waarop boeren natuur beheren groeide van 20.397 ha eind 1991 (Engelsma & Waardenburg 1994) tot 72.974 (RBON en SAN) hectare in 2001 (DLG 2002, LASER 15 mei 2001, zie tabel 2, box 1); een groei van gemiddeld 5200 ha per jaar. In 2000 was de oppervlakte beheersovereenkomsten nog 69.390 ha (DLG 2001).
De toename van 2000 naar 2001 was 3584 ha. Daarnaast zijn er, via het faunafonds de afgelopen winter, 14.900 hectare overeenkomsten voor ganzenopvang afgesloten (mondelinge mededeling faunafonds). In totaal zijn er overeenkomsten afgesloten voor 87.874 ha (65%) van de taakstelling 135.000 beheersgebied (Nota NVM).
In de publicatie “Onbeperkt houdbaar”uit mei 2013 werd de ontwikkeling van het areaal agrarisch natuurbeheer als volgt weergegeven: 
In het Natuurplanbureau Werkdocument 2002 – 03 wordt aangegeven dat: “Eind 2001 heeft 13 % van de taakstelling 120.000 ha weidevogelgrasland, inmiddels een beheersovereenkomst via de subsidieregelingen van Programma Beheer (12.525 ha SAN, 3094 ha SN). Hoeveel ha weidevogelovereenkomsten er via de RBONregeling zijn afgesloten, is onbekend.”
Ook onder de deelnemers is er volgens het Natuurplanbureau in 2003 voldoende draagvlak voor het uitvoeren van de maatregelen, waarbij een belangrijke rol is weggelegd voor Agrarische natuurverenigingen (ANVs): “Veel deelnemers aan agrarisch natuurbeheer bundelen dan ook hun activiteiten in Agrarisch Natuurbeheer Verenigingen (ANV’s). Hun aantal is eveneens, vanaf het ontstaan van de eerste ANV’s in het begin van de jaren 90, sterk gegroeid tot circa 100 nu (Oerlemans, et al., 2001, Natuurbalans 2001).
Er wordt stevig ingezet op weidevogelbeheer. “The strong decline of meadow bird numbers in The Netherlands” die toch “mainly caused by other agricultural interventions”, wordt aangepakt, waarbij kosten noch moeiten (overigens medegefinancierd door de Europese Unie) worden gespaard. De “andere agrarische interventies” worden in de beheersgebieden gecompenseerd en daadkrachtig aangepakt om de  weidevogelpopulaties in stand te kunnen houden.
Toch kwam de klad er al vroeg in. Wikipedia meldt dat er in 2009 nog slechts 60.000 ha. beheersgebied was.
Het definitieve failliet kwam in 2013 met de al eerder genoemde onderzoek van de “Raad voor de leefomgeving en infrastructuur”: “Onbeperkt houdbaar; naar een robuust natuurbeleid”. Voor de pers  konden de ronkende teksten uit dit rapport letterlijk worden overgenomen (wat ook gebeurde), omdat er aan duidelijkheid over het tot dan gevoerde beleid niets te wensen over werd gelaten: 
“Nederland liep met de relatienota ver voorop in Europa. Zelfs Engeland kwam pas in 1987 en 1991 met vergelijkbaar beleid in de vorm van de Environmentally Sensitive Areas Schemes en de Countryside Steward Schemes. Alleen is het Nederlandse beleid om de natuur in het agrarische landschap te redden op een groot fiasco uitgelopen, ondanks de goede bedoelingen (…)
De rijksoverheid besteedde in 2005 42 miljoen euro aan agrarisch natuurbeheer. Ter vergelijking: aan natuurbeheer via de terreinbeherende organisaties werd 49 miljoen euro uitgegeven (MNP, 2007), exclusief de kosten van verwerving en inrichting van gronden (1.367 euro per verworven ha; Boers & Luit, 2005). (…)
In onderzoek dat in opdracht van de raad is uitgevoerd (Kleijn, 2012) en in ander onderzoek is aangetoond dat een groot deel van het agrarisch natuurbeheer weinig effectief was en nauwelijks bijdroeg aan het stoppen van de achteruitgang van de aantallen weidevogels (Kleijn et al., 2001; Berendse, 2004; Breeuwer et al., 2008). (…)
Op landbouwgronden komen echter nog nauwelijks diersoorten voor die bescherming behoeven (Kleijn et al., 2006). Op de langere termijn biedt agrarisch natuurbeheer in de huidige vorm dan ook geen bijdrage aan de instandhouding van dergelijke soorten (…)
Op korte termijn zijn ingrijpende maatregelen nodig om te voorkomen dat deze soorten verdwijnen (Schroeder et al., 2009). Stoppen met bestrijdingsmiddelen of drastisch verhogen van de grondwaterstand raakt echter een economisch rendabele bedrijfsvoering in de kern (Kleijn, 2012).”
De pers was snel klaar met een samenvatting van het rapport. “Natuurbeheer door boer groot fiasco” kopt Trouw op donderdag 16 mei 2013, om dit vervolgens toe te lichten met:  “UTRECHT- Het beheer van natuur door boeren is ‘een fiasco’. De miljoenen euro’s subsidie die zij krijgen om natuur te beheren, hebben amper tot verbetering geleid.”
Maar lag dit nu aan alle betrokken boeren, of juist aan de aard van de maatregelen die getroffen moesten worden om het tij voor de weidevogels nog te keren?

Geschiedvervalsing

Opvallend is ook de in 2013, in het bovengenoemde spectaculaire “Onbeperkt houdbaar”-rapport, er blijkbaar een  stelselmatige ontkenning noodzakelijk is van iedere rol die het nieuwe mestbeleid zou kunnen hebben gehad op de weidevogelstand. Niet het nieuwe mestbeleid,maar het feit dat de beleidsovereenkomsten pas na 1980 werden getekend wordt aangevoerd als reden voor het verdwijnen van de weidevogels:
“Tegelijkertijd vond er tussen 1975 en 1990 een dramatische biologische verarming van het Nederlandse agrarische landschap plaats door de steeds verdergaande intensivering van de landbouw. De kemphaan en watersnip verdwenen vrijwel geheel van de reguliere agrarische bedrijven, en een vroeger algemene soort als de veldleeuwerik nam met meer dan 80% af. Op het moment dat aan de uitvoering van het relatienotabeleid, hoe  weldoordacht ook, kon worden begonnen, was de biologische verarming al vergevorderd.”
Dit is niets minder dan geschiedvervalsing. Zoals hierboven gezien was er halverwege de jaren negentig alle reden om de weidevogel-toekomst met een zonnige blik tegemoet te zien. Met de met name genoemde veldleeuwerik was het volgens het SOVON eigenlijk niet goed duidelijk hoe de aantalsontwikkeling verliep tot 1987 (zie: Atlas van de Nederlandse vogels (SOVON , 1987)). Pas in de SOVON inventarisatie uit 2002 wordt alarm geslagen: “Op veel plekken in de duinen en het cultuurland is het al angstig stil… De langetermijntred in akkergebieden is onbekend. Sinds 1984 namen de aantallen hier met 45% af (in dezelfde periode in grasland met 54% en in de duinen met 74%)”.
De watersnip, was, ook volgens Thijsse (1903), een vogel van de duinen en venige heide , die juist werd bedreigd door de  “voortdurende ontginning en ontwatering”. Volgens Wigman (1917) kwam deze soort: “veel minder algemeen voor dan de voorgaande species [de kemphaan], en behalve op den trek, buiten de broedtijd, zult u ze niet bijzonder vaak ontmoeten. Niet alleen in den drassige polder, maar ook in duinpannen en moerassen woont de watersnip.” Dit lijkt ook niet echt het goede voorbeeld van een typische weidevogel waarmee het slecht ging in de genoemde periode.
Maar aan de hand van het lot van de kemphaan kan wel een belangrijke (internationale) ontwikkeling van het boerenland en die van de weidevogels worden geïllustreerd. Het is dan ook de moeite waard om hier wat langer bij stil te staan. 
Hoewel er voor 1960 niet aan vogeltellingen werd gedaan kan aan de hand van oudere geschreven teksten wel een beeld van de populatie van de kemphaan worden geschetst. Herman Alberda (1866) vogelkenner te Friesland, schrijft nog over ontelbare broedende kieviten, grutto’s, tureluurs en kemphanen in ‘zijn provincie’.
Toch had Thijsse (1903) er als kind al een hard hoofd in of hij ooit kemphaantjes te zien zou krijgen. Hij leerde later dat het vinden van deze soort toch niet zo moeilijk was:
“Toen ik als kind van kemphaantjes hoorde dacht ik: “die zal ik toch wel nooit zien.”… en ik zal u maar meteen vertellen, dat gij kemphaantjes te zien kunt krijgen overal waar vochtig wei- of heiland te vinden is… en wanneer we eens gingen navragen dan zou het blijken, dat in een kring met een straal van een paar uur gaans rondom de woonplaats van een goed waarnemer overal wel kemphaantjes te vinden zijn.”
Wegman (1917) vertelt een soortgelijk verhaal: “Ik heb deze wonderbaarlijke dieren op vele plaatsen in ons land aangetroffen, zag ze op Texel aan den Montweg, op Schouwen bij ’t Daekenest, in de Gedlerse Vallei aan den Ulenplas en op meer dan éen plekje in onze lage streken vanuit den trein., maar in zo verbazend  grote getale als in Friesland vond ik ze nog nergens.”
Het verhaal van Herman Alberda was dus wellicht wat overtrokken, maar feit is dat we hier, naast de wellicht talrijker soorten als Kievit, Grutto, Tureluur, Scholekster en Leeuwerik wel degelijk te maken hadden met een typische weidevogelsoort, die plaatselijk veel voorkwam, maar die plotsklaps (vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw) uit ons landschap verdween. Is dit dan niet een duidelijke indicatie daarvoor dat de teloorgang van het landschap al ver voor het begin van de jaren negentig, was begonnen?
Naar mijn idee echter nauwelijks. De teloorgang van de Kemphaan had te maken met een belangrijke structuurwijziging binnen de landbouw, die inderdaad zorgde voor een forse (ook internationaal gevoelde) achteruitgang van de weidevogelpopulaties, maar die het boerenland zeker nog niet onleefbaar voor (de meeste) weidevogels maakte. De nu volgende uiteenzetting over deze structuurwijziging is grotendeels ontleend aan “Ontwikkeling voedervoorziening op melkveebedrijven in Nederland” (Van Dijk et al. 2015)

Boerengeschiedenis

Gras is het belangrijkste landbouwgewas in Nederland. In 1960 was er 1,33 miljoen ha grasland. Geleidelijk is deze oppervlakte gedaald tot ca. 990.000 ha nu, vooral door omzetting van grasland in snijmaisland. Het areaal snijmaïs is vanaf 1970 vrij snel uitgebreid tot ca. 230.000 ha.
Daarnaast is ook heel wat grasland gebruikt voor uitbreiding van wegen, woningbouw, bedrijventerreinen en natuur. Niet alle grasland is in gebruik voor melkvee; een aanzienlijke oppervlakte wordt benut door schapen, vleesvee, paarden, etc.
Het grasland ligt op alle grondsoorten; klei, zand, veen en ook löss. De veengebieden met een hoge(re) grondwaterstand (vooral in het westen en noorden van Nederland) bestaan overwegend uit grasland. Vóór 1970 was bijna alle grasland blijvend, d.w.z. ouder dan 5 jaar. Wisselbouw kwam weinig voor. De laatste 20 jaar is het areaal blijvend grasland gedaald tot 70 %, vooral door afwisseling met snijmaïs of door ruiling met akkerbouwers voor de teelt van aardappelen, bloembollen, etc.
De kwaliteit van de grasmat liet vroeger, botanisch gezien, op veel percelen te wensen over. Dat gold met name voor percelen die ver van de boerderij lagen, als gevolg van een lage bemesting en maaien in een laat stadium.
Vanaf 1960 vond een sterke intensivering in de landbouw plaats, vooral door sterk stijgende arbeidskosten. Deze noodzakelijke intensivering werd gestimuleerd door onderzoek en voorlichting op voorbeeld- en stikstofproefbedrijven. Door de hogere bemesting en beter gebruik van het grasland steeg de grasproductie en nam het aantal koeien per ha toe. In die periode kwamen er ook steeds meer ligboxenstallen en veranderde de stalmest en gier in mengmest (drijfmest). Tevens is in die jaren het aantal varkens en kippen sterk toegenomen met name in de zandgebieden. Dit betekende een geweldige toename van de hoeveelheid organische mest.
Het weiden van melkvee in de zomerperiode was vroeger algemeen. Het vee ging in het voorjaar naar buiten en kwam in de herfst weer op stal. De koeien bleven dag en nacht buiten en werden in het land gemolken. In de loop der jaren is er veel veranderd. Het aantal koeien per bedrijf nam sterk toe, evenals de noodzaak van een hogere opbrengst van het grasland en van het vee. Ook de wijze van graslandgebruik veranderde sterk. Tot ongeveer 1970 werd veelal het systeem van standweiden of extensief omweiden toegepast, d.w.z. de koeien bleven vrij lang op een perceel.
Daarnaast werd een beperkte oppervlakte grasland in een vrij laat stadium gemaaid voor wintervoer (meestal hooi). Door onderzoek en voorlichting werden de veehouders gestimuleerd om de beweiding en de voederwinning aan te passen. Er kwamen meer vormen van beweiden en andere methoden van voederwinning. Tevens kwamen er meer ligboxenstallen, waardoor de koeien niet meer in het land, maar op stal werden gemolken. Dit gaf de mogelijkheid om de koeien langer op stal te houden en dan bij te voeren.
De voederwinning heeft in de periode 1960 – 2015 sterke veranderingen ondergaan. In de jaren tot ongeveer 1970 was hooi het belangrijkste wintervoer. Tot die tijd werd het gras veelal in een vrij oud stadium gemaaid en vooral op percelen die verder van het bedrijf lagen. De kwaliteit van het hooi liet vaak te wensen over, mede door het wisselende klimaat in Nederland. Om het weerrisico te beperken ging men steeds meer het gras inkuilen. Dit werd ook gestimuleerd door de opkomst van nieuwe/betere methoden van inkuilen. Deze verschuiving van hooi naar kuil betekende een verbetering van de kwaliteit van het voer. Het was ook gunstig voor het graslandgebruik. Men ging meer percelen in een jonger stadium maaien en weiden en maaien werd meer afgewisseld. De meeste percelen werden minstens één keer gemaaid maar vaak ook twee keer voor wintervoer. Daardoor kunnen de koeien regelmatig over jong en schoon weidegras beschikken.
Door de gunstige ontwikkelingen bij het winnen en opslaan van kuilvoer is de hoeveelheid hooi na 1970 sterk gedaald. Van het gemaaide gras voor wintervoer wordt de laatste 10 jaren niet meer dan ca. 5 % bestemd voor hooi. 
In slechts enkele jaren verdween dus het hooiland als dominante vorm van graslandbeheer en voor de diergroepen die juist het hooiland hadden uitgezocht als broed-habitat was dat een hard gelag.
Iets wat dus onder meer gold voor… de kemphaan. Herman Albeda stelde vast over de kemphaan, waarvan de populatie met name in zijn provincie zo geweldig tot bloei was gekomen: “in de lage hooilanden overal broedende.”
Dit komt dus ook tot uitdrukking in de populatieaantallen van weidevogels, zoals in beeld gebracht door het SOVON. Vanaf 1960 verdween de kemphaan uit Nederland. Ook internationaal gezien ging het door de bovenstaande snelle ontwikkelingen niet best met de meeste soorten weidevogels.
Toch waren er ook andere vogelsoorten, vooral die welke wat meer gebaat waren bij een lagere grashoogten, die het eigenlijk zo slecht nog niet deden. De aantallen kieviten, (waarvan bekend is dat jonge vogels gemaaide graslanden als voedselgebied prefereren), tureluur, (waarvan bekend is dat de bescherming van de nesten bij voorkeur geschiedt door de kievit) en die van de scholekster (vanwege de toename van beschikbare prooidieren?), stegen opvallend genoeg, terwijl ook de populatie van de grutto zich in de periode tussen 1980 en 1990 eigenlijk weer stabiliseerde.
Het is wel degelijk de periode na 1990 is geweest die de nekslag heeft betekent voor tal van weidevogels. In het inmiddels beruchte rapport “Evaluatie Agrarisch Natuurbeheer: effecten op weidevogeldichtheden” (Willems et al. 2004), wordt dit ook min of meer erkend als wordt gesteld:  “Vanaf 1994 is de populatie van de Grutto in Nederland sterk afgenomen (jaarlijks met ongeveer 4,5%, Teunissen, et al. 2003).”
Maar dat alles is volgens het ‘Onbeperkt houdbaar’-beleidsrapport helemaal niet zo’n probleem voor de synergie tussen landbouw en natuur. Volgens het rapport ging het in de hele EU slecht met de vogels in agrarische gebieden… “Het Nederlandse soortenverlies is vergelijkbaar met dit gemiddelde.”
Toch kunnen de aantallen die vervolgens genoemd worden in het rapport, in geen enkel ander land worden teruggevonden: “De veldleeuwerik verloor naar schatting 750.000 tot 1,1 miljoen broedparen (afname van minstens 96%) en werd in grote delen van het land een schaarse verschijning. Dan volgen patrijs (afname van 93%), zomertortel (afname van 92%), ringmus (afname van 93%) en grutto (afname van 68%).”
Bijvoorbeeld in een studie van C. Eraud & J-M Boutin (2002) naar het broedgedrag van veldleeuweriken in Frankrijk, wordt inderdaad uitgewerkt dat vanaf 1970 het boerenland ook wordt gebruikt voor snelgroeiende ‘nieuwe gewassen’ (zoals mais) die mede dankzij kunstmestgebruik egaal veel hoger opschieten en een duidelijk negatief effect hebben op de veldleeuweriken-populatie. Ook in Frankrijk ontwikkelt de landbouw zich op een vergelijkbare wijze als in Nederland, maar vervolgens volgt hier wel een stabilisatie van deze populatie op een lager niveau.
Alleen in Nederland verdween de veldleeuwerik nagenoeg geheel, daar waar het in de jaren zeventig waarschijnlijk nog de meest algemene broedvogel van Nederland was. De leeuwerik is hier als voorbeeld genomen, maar in zijn algemeenheid geldt dit voor Europa. Er is in de tweede helft van de twintigste eeuw een duidelijke afname van boerenlandvogels, die met vrij grote zekerheid is terug te voeren op de bovenstaande structuurveranderingen in de landbouw, maar op enig moment stabiliseren zich de aantallen op een bepaald niveau. Iets wat voor West Europa rond 1990 plaats vindt.
Ter illustratie zijn deze data voor (onder andere) West Europa door het Pan-European Common Bird Monitoring Scheme (PECBMS) 2015) hierboven weergegeven.
Het index-cijfer voor West Europa daalt inderdaad een tiental punten (van ongeveer 70 naar ongeveer 60) in de periode van 1990 naar 2015, ten opzichte van de 100 die in 1980 gescoord wordt.
Maar dat is dus niet wat in Nederland gebeurt, waardoor de situatie in Nederland ook niet vergelijkbaar is met wat de andere landen van de EU laten zien. 
De Nederlandse index over deze jaren geeft immers het volgende beeld:
Het index-cijfer voor 1980 is hier op ongeveer 120 gezet, maar de afname gedurende de periode 1990-2015 is dan maar liefst ongeveer 50 punten!
Nu is deze grafiek misschien wat misleidend, omdat niet alle farmland-birds dezelfde zijn als de door Nederland geïndexeerde soorten. Dit vergelijk is moeilijk, maar wellicht dat voor één soort, die nogal gemakkelijk op het internet te vinden is, er dan toch wat conclusies te trekken zijn. 
De Kievit heeft in Nederland duidelijk klappen gehad. Maar in het Verenigd Koninkrijk doet de ‘lapwing’ het eigenlijk helemaal niet zo slecht. Voor de lange termijn (1970-2017) is er een ‘weak decline’ en voor de korte termijn (2012-2017 is er ‘little change’ volgens het het Ministerie voor omgeving en voedsel en agrarische zaken van het Verenigd Koninkrijk (Wild Bird populations in de UK, 1970-2018).
Vlaanderen daarentegen heeft ook werk gemaakt van ammoniak beleid: “De totale ammoniakemissie in Vlaanderen nam met 28% af in de periode 2000-2017. Dit was vooral te danken aan een emissiedaling in de veeteelt in de periode 2000-2007 door de verhoogde voederefficiëntie, een dalend aantal dieren, de invoering van emissiearme stallen en de emissiearme aanwending van dierlijke mest (mestinjectie en onmiddellijk inwerken).” (https://www.boerenbond.be/actualiteit/nieuwe-cijfers-ammoniak) Maar het resultaat mag er dan ook zijn:
Het “Onbeperkt houdbaar”-rapport maakt evenwel wel geen probleem van de afname van het aantal weidevogels. Wel worden andere problemen gesignaleerd. Dit wordt uitgewerkt in paragraaf 5.3.2 van het rapport:
“Sommige vormen van landbouw hebben negatieve effecten op de Nederlandse natuur, bijvoorbeeld door grondwaterstandsverlaging. In Nederland daalt de milieudruk sinds de jaren negentig. Deze positieve trend stagneert echter voor bestrijdingsmiddelen en ammoniak (…) 
Het halen van cruciale milieudoelstellingen is daardoor nog niet binnen bereik (Wamelink et al., in prep.). Veel stikstofgevoelige habitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden van soorten waarvoor Nederland beschermingsmaatregelen neemt, bevinden zich op landelijk niveau dan ook in een ongunstige staat van instandhouding (Raad van State, 2012). De grootste knelpunten in de stikstofbelasting treden op in de natuurgebieden op de zandgronden van Overijssel,Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg. Deze natuur is zeer gevoelig voor vermesting en verdroging, terwijl juist in deze gebieden de Nederlandse varkens en pluimveehouderij geconcentreerd is (…)
Het wegnemen van ineffectiviteit van het agrarisch natuurbeheer voor wat betreft de instandhouding van soorten vergroot de legitimiteit van overheidsvergoedingen, het rendement van ingezette middelen voor natuur en het inkomen van boeren. Dat kan door bepaalde vormen van agrarisch natuurbeheer, zoals weidevogelbeheer, drastisch aan te passen. (…) in weidevogelgebieden dienen de beheerpakketten niet alleen te gaan over aanpassing van het maaitijdstip, maar ook over substantiële maatregelen voor grondwaterstand en bemesting.”
Terwijl dus alweer wordt gewaarschuwd voor een nieuw stikstof-armageddon (op een moment dat de achtergrond-depositie ten opzichte van een tiental jaren eerder ongeveer was gehalveerd), bleef men betrekkelijk rustig over de vraag of het aangekondigde maatregelenpakket nu inderdaad datgene was waar de weidevogels op zaten te wachten… Achteraf bezien kan deze vraag in ieder geval duidelijk genoeg worden beantwoord: neen!
De aantallen weidevogels bleven kelderen, ondanks alle goede bedoelingen en aanzienlijke kosten die met de uitvoering van deze maatregelen gemoeid waren.
Nieuw onderzoek
 Een voorzichtige wetenschappelijke tegenstem kan worden gevonden in het Journal of Applied Ecology van februari 2019, waarin de wetenschapper met de toepasselijke naam J. Onrust, onderzoeker aan de Groningse universiteit, constateerde dat de structuur van landbouwgronden wel degelijk te lijden had door emissiearme toepassingen.
In de samenvatting van het artikel, te vinden op https://www.mestverwaarding.nl/kenniscentrum/254/mestinjectie-schaadt-weidevogels-via-hun-voedsel, kan vervolgens worden gelezen:
“Op weilanden waar drijfmest in de bodem is geïnjecteerd zijn minder wormen beschikbaar dan op weilanden waar ruige stalmest is opgebracht. Door het opensnijden van de grasmat tijdens het injecteren droogt de toplaag zo sterk uit dat de wormen zich niet meer aan het oppervlak laten zien. In dergelijke weilanden hebben de weidevogels die van wormen leven duidelijk minder te eten. Dat stelt onderzoeker Jeroen Onrust van de Rijksuniversiteit Groningen in een publicatie in het wetenschappelijk tijdschrift Journal of Applied Ecology. Overigens hebben Wageningse onderzoekers inmiddels kritische kanttekeningen geplaatst bij de conclusies van dit onderzoek.”
Wageningen reageerde dus bijzonder snel en wel in het vakblad “De Boerderij”:
“De bodembiologen Jan Willem van Groenigen en Ron de Goede van de Wageningen Universiteit plaatsen kritische kanttekeningen bij de conclusies die onderzoeker Jeroen Onrust van de Rijksuniversiteit Groningen trekt in een onderzoek naar de effecten van mestinjectie op regenwormen. Onrust vermoedt dat het injecteren van drijfmest resulteert in een drogere bodem en dat zou een negatief gevolg hebben op de hoeveelheid wormen in de bodem. De Goede en Van Groenigen achten de opzet van het onderzoek niet geschikt om een relatie tussen het aantal wormen in de bodem en het injecteren van mest aan te tonen.
Van Groenigen en De Goede (overigens ook betrokken bij het bovenstaande positieve rapport over EMT door Van Heijningen, 2008) zijn het wel eens met de stelling dat het aantal wormen daalt bij een droge bodem, maar ze vinden dat de link die Onrust legt tussen mestinjectie en droge grond niet hard wordt gemaakt. Die mogelijke link wordt gesuggereerd, maar niet onderbouwd met relevant onderzoek van anderen.”
De Groningse onderzoekers lieten het er (ongebruikelijk) niet bij zitten:
Theunis Piersma, ongekroond opvolger van Albert Beintema als dé weidevogelexpert van Nederland, begeleider van Onrust bij zijn onderzoek naar de regenwormen, komt op foodlog.nl met een repliek: “De kritiek van onze Wageningse collega’s komt er op neer dat we weliswaar tot de conclusie komen dat het in de bodem aanbrengen van drijfmest tot de uitdroging van de toplaag van het grasland leidt, maar dat we dat niet experimenteel aantoonden.
Dat klopt helemaal. In ons onderzoek probeerden we te begrijpen wanneer en waarom regenwormen beschikbaar zijn als voedseldieren voor weidevogels. Zoals we hieronder zullen uitleggen, legde onze aanpak de negatieve ecologische gevolgen van het insnijden van drijfmest bloot. Wij denken zelfs dat er niet alleen grote ecologische bezwaren kleven aan het meerjaarlijks insnijden van drijfmest, maar dat er ook landbouwkundige bezwaren aan kleven. Die laatste bewering is een logische gevolgtrekking op grond van onze waarnemingen.
Voor weidevogels zijn twee groepen regenwormen van belang: rode en grijze wormen. Rode wormen onderscheiden zich van grijze wormen door hun dieet; rode wormen komen naar het oppervlakte om voedsel te verzamelen, grijze wormen niet. Door organisch materiaal de bodem in te brengen en te mengen met het minerale deel van de bodem, staan rode wormen er ook om bekend dat ze gunstig zijn voor de bodemstructuur en nutriëntenkringloop. Voor de stand van weidevogels, maar ook voor die van doortrekkende en overwinterende Goudplevieren, Stormmeeuwen, Kramsvogels, en zelfs de predatoren van weidevogels zoals Vossen en Steenmarters, is het aantal rode wormen dat beschikbaar is aan het oppervlakte van de grasmat van doorslaggevend belang.
Logische conclusie
In onze studie in Agriculture, Ecosystems & Environment (Onrust & Piersma 2019) hebben we onderzocht of het type bemesting van invloed is op de aanwezigheid van rode en grijze wormen in agrarische graslanden. Daaruit bleek dat het aantal rode wormen in graslanden die alleen met ruige stalmest werden bemest, hoger ligt dan in percelen waarop alleen drijfmest wordt toegepast.
Die conclusie hebben we getest in een lab-experiment waarin we rode en grijze wormen op een dieet van drijfmest, ruige stalmest en strooisel hebben gezet. We ontdekten dat rode wormen beter groeien, en dus gebaat zijn, bij ruige stalmest en niet bij drijfmest. Aangezien alleen rode wormen naar het oppervlak komen, is het bemesten met drijfmest nadelig voor weidevogels en andere wormeneters.
In het Journal of Applied Ecology (Onrust et al. 2019) rapporteren wij over ons onderzoek naar de relatie tussen grondwaterstand en de beschikbaarheid van rode wormen. Steeds wordt beweerd dat een hogere grondwaterstand zou maken dat wormen actiever worden en daarom beter beschikbaar zijn voor weidevogels. “We vergeleken gangbaar gebruikte graslanden die zoveel mogelijk op elkaar leken en alleen verschilden in grondwaterstand. Al deze graslanden werden bemest met ingesneden drijfmest. In het veld zagen we dat rode wormen alleen naar het oppervlakte kwamen als de bodems voldoende vochtig waren.”
Tot onze verrassing vonden wij echter geen verband met grondwaterstand. Dat bleek het gevolg van de uitdroging van de toplaag in alle onderzochte graslanden. In de loop van het voorjaar toonde dat fenomeen zich overal in bodems die ondoordringbaar waren geworden voor weidevogelsnavels…
Wij vinden het verwonderlijk dat er sinds begin jaren negentig van de vorige eeuw, toen drijfmest voor het eerst verplicht geïnjecteerd moest worden, geen ecologisch onderzoek is gedaan naar het effect van deze ingrijpende maatregel op de biodiversiteit.”
Het gaat mij wat ver om de oudere onderzoeken zodanig beneden de maat te vinden dat er sprake zou zijn van “geen onderzoek”, maar wel is de vraag natuurlijk; hoe heeft dit overduidelijke verband de Wageningse onderzoekers kunnen ontgaan? Aan de andere kant, er blijken in dit dossier wel meer relevante onderzoeksvelden te “zijn vergeten”.

Ontbrekend onderzoek

Het internet is een vrijwel onuitputtelijke bron voor het vinden van onderzoek. Alleen al het woordje Grutto geeft 485.000 resultaten (in 0,44 seconden). Grutto onderzoek geeft 85.400 resultaten (in 0,33 seconden). Het zal duidelijk zijn; overdaad schaadt ook. Het is lastig zoeken naar relevante resultaten.
Enig doorzettingsvermogen maakt het echter mogelijk om een aantal claims van de hierboven aangehaalde (en ook volgens het WWF-onderzoek algemeen aanvaarde) onderzoeken te testen.
Er zijn harde claims gemaakt in de hierboven aangehaalde onderzoeken. Zo zou een directe vergelijking tussen traditionele (bovengrondse breedwerpige) mesttoepassing en emissiearme mesttoepassing op het uitkomstsucces van weidvogels niet mogelijk zijn, omdat hiervoor gegevens ontbreken.
Dat blijkt dus niet zo te zijn. In een studie van M. Kruk (1994), ter verkrijging van de graad van doctor aan de Rijksuniversiteit te Leiden, wordt namelijk wel degelijk ook aandacht aan dit onderwerp besteed. Onder de kop: “Cattle slurry spreading by injection techniques in relation to soil fauna and the nesting success of meadow birds in the Netherlands”, wordt onder meer gesteld:
“Instead of about 50% successful replacement clutches, this may become at worst about 10% (in case of 4 weeks later slurry application). Total nest losses with the new techniques then will be a maximum of about 60%, i.e., three times as high as with current methods…
The losses of clutches present during the slurry spreading by injection techniques were estimated at 85%. Others, however, state that these losses may even be higher, up to 90-100% (Vloedgraven, 1990; Korevaar et al. ,1991).” 
Dat komt dus inderdaad redelijk overeen met de 79% die in de studie van Huijsmans et al. wordt gevonden. Het kan echter typisch worden gevonden dat Huijsmans deze harde constatering onmiddellijk weer afgezakt door te stellen:
“In de jaren tachtig, toen bovengrondse mestaanwending nog gebruikelijk was, leidde bemesting al tot een verlaging van het uitkomstsucces… In vergelijking tot andere agrarische activiteiten zijn de verliezen door emissiearme mestaanwending vergelijkbaar met vertrapping door vee, maar blijven nog achter bij maaiverliezen, tenzij er bescherming plaatsvindt.”
Is dat zo? Een oppervlakkige studie laat eigenlijk al zien dat deze claim in ieder geval niet helemaal klopt. Een 6-daagse beweiding staat inderdaad voor een broedselverlies van 50% en de sterftekans door maaien bedraagt naar alle waarschijnlijkheid inderdaad 38-95% voor de pas uitgekomen kuikens (van 0 dagen oud). Kuikens die ouder waren dan 1 dag hadden echter nog maar een sterftekans van 5-45%.Gedetailleerd onderzoek door Schekkerman (2008) gaf aan dat slechts 5-10% van de jongen omkwam door maaiwerkzaamheden. (zie link 3)
En dan is er nog een belangrijk verschil tussen het EMT en de genoemde beweiding en het maaien. Beweiding van weilanden komt steeds zeldzamer voor, zoals ook al blijkt uit de figuur waarin de samenstelling van de mest van de Nederlandse veestapel wordt weergegeven. En lang niet alle gemaaide velden worden bewoond door pas uitgekomen kuikens, of zelfs kuikens die één dag of ouder zijn.
Wel worden de weilanden in het vroege voorjaar bemest met emissiearme methoden. De absolute aantallen van de nest-verliezen door EMT zullen dus vele malen hoger zijn dan die door bemesting en maaien. 
Daarnaast gaat het bij beweiden en maaien om zaken die ook al voorkwamen (en veel frequenter voorkwamen) vóór 1990. Alleen het EMT kwam later…

'Vergeten’ indirecte effecten

Onderzoekers uit Groningen hebben zich in 2019 afgevraagd waarom er sinds begin jaren negentig van de vorige eeuw, toen drijfmest voor het eerst verplicht geïnjecteerd moest worden, geen ecologisch onderzoek is gedaan naar het effect van deze ingrijpende maatregel op de biodiversiteit. Zij vonden dat tal van gronden, vanwege de nieuwe manier van (emissiearme) mestaanwending niet langer geschikt waren voor de Nationale vogel van Nederland en ‘de ijsbeer’ van de weidevogels, de Grutto. Het regenwormenaanbod is dan misschien wel gelijk gebleven, maar de soortensamenstelling van deze wormen (wel grijze, geen rode wormen) maakt dat het voedsel voor de Grutto in toenemende mate onbereikbaar is geworden. 
Dat is echter niet het enige, of wellicht ook niet het belangrijkste, wat niet is onderzocht. Wat daarnaast schijnbaar geheel uit het oog wordt verloren, bij zowel de Wageningse, alsook de Groningse Grutto-onderzoekers, is dat volwassen grutto’s en hun jongen niet hetzelfde voedsel eten.
Nergens in de onderzoeken wordt ingegaan op het specifieke feit dat de Nederlandse weidevogels vrijwel allemaal één karakteristiek gemeen hebben (en waarom de Grutto een typische Nederlandse weidevogels is). De jonge vogels zijn nestvlieders. Ze scharrelen zelf hun kostje bij elkaar. 
Schekkerman (2008) geeft aan dat dit zelf fourageren voor weidevogels ook grote voordelen heeft:
Het maakt het voor vogels gemakkelijker om kleine of energetisch laagwaardige voedselbronnen te exploiteren, zoals kleine insecten en gebladerte. Als zulk voedsel door de ouders naar de jongen gebracht moet worden levert dat niet alleen voor de ouders (vlieg)kosten op maar ook voor de kuikens, doordat de tijd die aan het transport verloren gaat, de profijtelijkheid (energieopbrengst per seconde verwerkingstijd) van de prooi verlaagt. Als kuikens zelf foerageren is transport niet nodig en kunnen kleinere prooien of voedsel met een geringe energie-inhoud toch nog profijtelijk zijn…
Oudervogels die hun jongen voeren zullen daardoor bij een afnemende gemiddelde grootte of energie-inhoud van prooien eerder problemen ondervinden om hun jongen binnen de beperkte tijd van een dag van voldoende voedsel te voorzien dan kuikens die voor zichzelf zorgen. Het is opvallend dat de meeste zelf foeragerende nestvlieders als jong kleine insecten, gebladerte en ander plantaardig voedsel eten, zelfs (middel)grote soorten zoals hoender- en struisvogelachtigen, eenden, ganzen en zwanen. Nestblijvers die hun jongen voeren met kleine insecten zijn doorgaans niet veel groter dan een lijster, en er is maar één nestblijver die zijn jongen voedt met (voorverteerd) gebladerte: de Hoatzin uit Zuid-Amerika…
De insecten die rondscharrelen op en net boven het bodemoppervlak zijn overigens wel een factor die kan helpen verklaren waarom steltlopers een groot deel uitmaken van de vogelbevolking van de toendra. Er is hier maar weinig groter dierlijk voedsel te eten, tenzij je zo sterk bent dat je de in sommige jaren talrijke lemmingen kunt bemachtigen. Zoals we hebben gezien zijn zelf foeragerende nestvliederkuikens goed in staat zulke kleine prooien te exploiteren. Terwijl in hoogarctische toendra steltlopers voorkomen tot een grootte van 230 gram (Zilverplevier) weegt de grootste vogelsoort die er insecten naar zijn jongen brengt (Strandleeuwerik) niet meer dan 32 g.”
Maar behalve in de insectenrijke toendra doen/ deden de steltlopers het (tot voor kort) dus ook goed op een totaal ander habitat: het Nederlandse weiland.
De volwassen grutto eet voornamelijk wormen en emelten. De jongen van de grutto eten kleine insecten die zij tussen het gras vinden. Daarnaast kan de grutto voedsel vinden op mest. Daarom is het ene perceel meer geschikt voor volwassen grutto’s (‘wormenland’), terwijl op een ander perceel meer voedsel voor de jongen te vinden is (‘vliegjesland’). (naar: Van der Weijden en Guldenmond, 2006)
Dat jonge dieren iets anders eten dan oude dieren is eigenlijk niet zo heel bijzonder, bij veel vogelsoorten zijn de jongen afhankelijk van ander voedsel dan de ouderdieren. Zelfs de meeste zaadetende vogels voeren hun jongen insecten, al was het maar om aan de kalkbehoefte van de jonge dieren te kunnen voldoen (punt van aandacht: insectenschaarste geeft dus dezelfde effecten als die welke aan verzuring worden toegeschreven).
Het onderzoek uit 2006 meldt daarnaast echter ook: “Maar uit steeds meer onderzoeken blijkt dat het voedselaanbod voor de gruttojongen mogelijk een beperkende factor is voor de overlevingskansen van de grutto.
Recent is aangetoond dat de conditie van de jonge grutto’s achteruit is gegaan vergeleken met de jaren ‘70-‘80 (Teunissen et al., 2005). Ook onderzoek van Wymenga en collega’s (2001) geeft aan dat er de laatste jaren te weinig vliegvlugge jongen worden geproduceerd om de populatie in stand te houden.”
Dat vooral aan het ‘vliegjesland’ hoge eisen gesteld blijkt al uit de volgende passages uit dit onderzoek van Van der Weijden en Guldemond, (CLM, 2006):
“De kuikens van de grutto eten voornamelijk vliegende insecten. Ze eten snelle prooien in de hogere delen van de vegetatie en hebben een voorkeur voor muggen (langpootmug en dansmug), vliegen, wespjes, bijtjes en kevers (snuitkever). Een zeer belangrijke prooi voor gruttojongen is de geelharige strontvlieg…
Naarmate de gruttokuikens groter zijn hebben ze meer insecten nodig (Altenburg & Wymenga, 2001). Een jonge grutto eet zo’n 10.000 insecten per dag. Dit is echter wel afhankelijk van de leeftijd (zie figuur 3.1.). In de eerste vier dagen stijgt de consumptie naar zes beestjes per minuut en na een week bereiken ze tien prooien per minuut. In de tweede week van hun leven hebben ze de grootste voedselbehoefte en halen opnamesnelheden tot vijftien prooien per minuut (figuur 3.1; Beintema et al., 2005)”
Schekkerman komt tot vergelijkbare aantallen. Tijdens hun lange dagelijkse strooptochten (“In de 25 dagen totdat kuikens vliegvlug zijn leggen ze ruim 200 km af”) werden wel 5.000-12.000 insecten per dag gevangen. Maar daarnaast is de volgende observatie van belang: “Wij zagen dat bijna alle prooien uit de vegetatie worden gepikt, en slechts 1% van of uit het bodemoppervlak. Pas enige tijd nadat ze vliegvlug zijn schakelen kuikens over op het op de tast foerageren op bodemfauna, zoals volwassen grutto’s doen.”
Maar als ‘we’ dit dus allemaal weten; waar is dan het onderzoek naar de prooidieren van de jonge Grutto? 
De coproductie van het WUR en SOVON (Huijsmans et al 2008) benoemt de zaak nog wel: “Er zijn wel aanwijzingen dat de voedselvoorziening van gruttokuikens in het moderne grasland is verslechterd (Schekkerman, 2008). Dit is een effect van onder andere vroeger op gang komende grasgroei, dichtere stand van het gras en vroegtijdiger bemesting. Deze ontwikkeling heeft echter geen directe relatie met emissiearme vormen van mestaanwending.”
Het onderzoek van Schekkerman (2008) is om meerdere reden zeer de moeite waard (zie link 4). Maar deze weergave van Huijsmans et al. is pure misleiding. Hoe kun je weten (en SOVON zou dit moeten weten) dat het “geelharige strontvliegje” blijkbaar de belangrijkste prooi is van jonge Grutto’s, en dan ook nog glashard durven te beweren dat het onderwerken van de enige voedselbron van deze prooi “geen directe relatie heeft” met de hongerdood van honderdduizenden jonge weidevogels?

Jammer

Het is jammer dat het WWF eigenlijk alleen de aantallen ‘aaibare’ dieren bijhoudt. Men zal tevergeefs zoeken naar de populatie-ontwikkeling van bijvoorbeeld de geelharige strontvlieg (Scathophaga stercoraria), of andere even weinig opvallende ‘vliegbeestjes’ in de polder.
Het onderwerken van de mest heeft geen positieve gevolgen heeft gehad voor aantallen geelharige strontvliegen. Ook het gegeven dat vanwege de mestwetgeving en ammoniakregelgeving steeds minder landbouwhuisdieren worden op de weiden te vinden is (zie ontwikkeling mestproductie), zal zijn invloed hebben gehad op het areaal ‘vliegjesland’. (Iets wat we naar alle waarschijnlijkheid ook merken door het feit dat we steeds minder vaak met de auto naar de wasstraat hoeven om het aantal (gele) vliegjes op de voorruit te laten verwijderen.)
De Grutto, en met hem veel van zijn gevleugelde weilandcollega’s, heeft hierdoor zonder enige twijfel te lijden gehad van de emissiearme mestaanwending. Mest is voedsel, niet alleen voor gras, maar ook voor talrijke insecten. Het direct ingrijpen in de (basis van de) voedsel-piramide heeft natuurlijk wel gevolgen voor de dieren die afhankelijk zijn van deze kleine prooidiertjes, zoals een groot aantal weidevogel-kuikens.
Maar er zijn uiteraard veel dieren afhankelijk van een bestaande voedselpiramide, die al honderden jaren bestaat. Andere insecten zijn immers evenzeer afhankelijk van kleinere prooidiertjes. Het feit dat zelfs trekvogels die eerder via Friesland vlogen, nu ons land links laten liggen op weg naar de broedgebieden (Beintema, 2015, p. 57) is wat dit betreft ook veelzeggend.
Kan de ‘onverklaarbare’ afname van de insecten, die ook (in het kort) in het LPR3 wordt besproken en die schijnbaar plaats  vond tussen 1989 en 2016 (“Er was duidelijk iets mis” volgens het WWF-rapport) niet samen hangen met dit effect van ‘het emissiearme toepassen van mest’?
Kan ook de afname van kalk in het ecosysteem gedurende deze periode (en wat thans voor een duidelijk effect van de verzuring werd aangezien), hier niet ook mee samenhangen?
Als dat allemaal zo is, dan kunnen de weidevogels hierdoor, paradoxaler wijze, het enige aantoonbare slachtoffer van de stikstofcrisis genoemd worden. Alleen; ze zijn niet het slachtoffer van de stikstof zelf, maar van het milieubeleid om de reactieve stikstof te verminderen! Dit alles kan toch eigenlijk niet de bedoeling zijn geweest van het nu al meer dan dertig jaren bestaande mestbeleid.
Maar misschien ook wel. Misschien geldt de redenering van Huysmans et al.(2008), verstopt in pagina 57 van het rapport voor dit alles ook wel:
“Emissiearme mesttoedieningstechnieken hebben een positief effect op het beperken van ammoniakverlies. Op grond van dit positieve aspect is het denkbaar dat negatieve neveneffecten, zo ze bestaan, geaccepteerd worden. Dit hangt vanzelfsprekend af van de omvang van de ammoniakemissie.”
 

Van de Vos en het Konijn

In de reacties die op een door mij geschreven artikel voor de Vereniging tot Behoud van Boer&Milieu (NBBM), waarin ik mijn hypothese over de funeste gevolgen van het onderwerken van mest voor de weidevogels beknopt beschreef (mei 2020), was er één reactie die frequent terugkeerde:
“ […] Toch vind je bij ons de laatste jaren geen weidevogels meer. Dat heeft m.i. te maken met predatoren, o.a. de vos (dit jaar al 12 geschoten).”
Of, erger nog: ” Het is erg moeilijk te zeggen wat er precies allemaal meespeelt, maar ik zie voornamelijk dat er heel veel predatoren zijn en te weinig voedsel daarvoor. Vorig jaar alleen al 60 vossen geschoten in ons gedeelte van de gemeente, daarnaast drie steenmarters op ons erf alleen al gevangen. en dan heb ik het nog niet gehad over de predatoren die beschermd zijn en niet gepakt mogen worden wat we wel doen. Dan heb je ook nog katten, ratten, enz. Het is dweilen met de kraan open. Zelf heb ik nog tientallen kippen loslopen rond het erf en een aantal kalkoenen, ook daar verlies ik er jaarlijks veel van.
De leden van de NBBM (kringloopboeren) hebben de mogelijkheid om mest ook bovengronds uit te rijden. Dat was de reden voor mijn artikel, waarin ik de leden heb gevraagd om ervaringen met weidevogelbeheer.
Wanneer mijn hypohese over de funeste gevolgen van de onderwerkplicht juist zou zijn, zouden de meest spectaculaire resultaten hier te vinden moeten zijn, maar iewat teleurstellend was: a) het aantal reacties van de betrokken doelgroep vrij laag en b) bleken de resultaten bij bovengronds uitrijden van mest lang niet overeen te komen met datgene waar ik op hoopte. Het zou ook te mooi zijn geweest…
De oplossing zou dan ook al te gemakkelijk zijn geweest en waarschijnlijk al veel eerder voor het voetlicht zijn gebracht. Het is in ieder geval duidelijk dat de oplossing, landelijk, door alle betrokkenen (natuurorganisaties, boeren, jagers, de politiek) in een andere hoek wordt gezocht.
De predatie door rovers en bovenal de vossen wordt gezien als belangrijkste oorzaak voor de teloorgang van de weidevogels. En dit is dan ook uitgebreid gedocumenteerd, zoals bijvoorbeeld in het artikel van Trouw van 31 januari 2018, met als kop: “Moeten we de vos afschieten om de weidevogel te beschermen?”
In dit artikel wordt het uitgebreide onderzoek in beschermde weidevogelgebieden in Overijssel beschreven : “De lotgevallen van 285 nesten zijn onderzocht in een gebied van bijna 30.000 hectare. [slechts] 25 tot 43 procent van de legsels kwam uit, afhankelijk van de vogelsoort. De belangrijkste oorzaak van het verlies van eieren: roofdieren. De meest gesnapte dader die met camera’s is vastgelegd: de vos.
“Als je de cijfers afzet tegen de landelijke vuistregel dat 50 tot 60 procent van de nesten moet overleven om een stabiele weidevogelpopulatie te behouden, is dat wel alarmerend”, zegt Joachim van der Valk van Collectief Agrarisch Natuurbeheer Noordwest-Overijssel, de initiatiefnemer van het onderzoek.
De populatie weidevogels neemt al jaren af in Nederland. Over het algemeen wordt aangenomen dat dit vooral komt door de intensivering van de landbouw: weilanden zijn daardoor geen interessante broedplek meer voor vogels, boeren maaien hun nesten kapot. Boeren die hun weiland weidevogelvriendelijk inrichten en beheren, kunnen daarvoor subsidie krijgen. Dat gebeurt ook in het Overijsselse gebied. Maar treft de boeren door dit onderzoek dan geen blaam meer? Dat durft Van der Valk niet te zeggen. “Maar het is fijn dat de vermoedens van boeren worden bevestigd met het onderzoek.” Akkerbouwer Peter van Damme van Stichting Boer Bewust beaamt dat. “De afname van weidevogels wordt vaak alleen de boeren, verweten, ook al doen we ons best ons steentje bij te dragen. Het is fijn dat er verder gekeken wordt.”
Zelfs de woordvoerder van de Nederlandse vogelbescherming lijkt aan het twijfelen gebracht door dit onderzoek: “Als alle feiten erop wijzen dat vossen zo’n impact hebben, dan zou je in goed overleg en na voldoende onderzoek kunnen overwegen vossen af te schieten om de weidevogels te beschermen.” Zover is het nog niet. Het collectief dat het onderzoek initieerde gaat kijken naar mogelijke oplossingen voor het vossenprobleem.”

De gemakkelijke reactie

Toch zijn er een aantal kanttekeningen te plaatsen bij de rol van de vos als belangrijkste boosdoener voor het weidevogelprobleem.
  • Uit een analyse uit 2018 blijkt dat het zomaar weghalen (doodschieten) van één predator, zoals de vos, niet per definitie leidt tot hogere overleving van weidevogels. Het kan zelfs averechts werken. Iets wat hieronder nog nader zal worden uitgewerkt;
  • Niet overal is eierroof de belangrijkste oorzaak voor het verdwijnen van de weidevogels;
  • Het bestrijden van vossen om te zorgen voor “een evenwicht in de natuur”, is eigenlijk nooit noodzakelijk. De natuurlijke vijand van de vos is de vos zelf. Vossen zijn territoriale dieren en ze dulden geen soortgenoten (of andere rovers) in hun leefgebied;
  • De opkomst van de vos viel niet samen met het verdwijnen van de weidevogels.
Deze stellingen vereisen een nadere toelichting:
Ad 1)
Een van de grootste hindernissen in het predatorbeheer vormen interacties tussen predatoren (Sergio & Hiraldo 2008; Griffin et al. 2015). Zo kan de aanwezigheid van Vossen van invloed zijn op het voorkomen van kleinere predatoren zoals de Hermelijn (Mulder 1990, Bellebaum & Bock, 2009). Kleine predatoren dienen dan ook regelmatig als prooi voor grotere predatoren.
In Nederland is er mogelijk ook sprake van overname van de rol die een predator in een gebied had door een andere predator. In het onderzoek dat begin deze eeuw is uitgevoerd (Teunissen et al. 2005) is o.a. in Langezwaag en Bontebok met camera’s onderzocht wie de daders waren van de predatie. Het vermoeden dat de Vos de voornaamste dader was, werd daar uitgebreid bevestigd.
De aanwezigheid van Steenmarter was toen nog zeer beperkt in het gebied waarbij zoogdierexperts ook opmerkten dat Vos en Steenmarter moeilijk samen gaan.
Recentelijk werden echter in een nabij gelegen gebied (Aldeboarn) nesten gevolgd en is met camera en DNA-technieken onderzocht wie daar verantwoordelijk was voor de nog steeds hoge verliezen onder de legsels (Jonge Poerik et al. 2017). Vossen worden sinds het onderzoek in 2005 zeer kort gehouden en komen nauwelijks meer voor in het gebied. Het onderzoek laat zien dat tegenwoordig Steenmarter in deze gebieden voor ongeveer 60% van de predatieverliezen verantwoordelijk is. Vos is nog maar voor een zeer klein deel verantwoordelijk. In twee gebieden in Friesland en in Midden-Groningen was de predatie op Grutto in de nestfase beperkt, mede omdat intensief op Vossen werd gejaagd (in Midden-Groningen, Oosterveld et al. 2014, 2018).
Maar vervolgens werden alsnog vrijwel alle kuikens gepredeerd (in Midden-Groningen door Hermelijn en vermoedelijk Bruine Kiekendief. In Friesland speelde de Buizerd een rol). Deze voorbeelden laten zien dat het verwijderen van een predator lang niet altijd tot het gewenste effect leidt. Bij wijze van experiment worden in 2018 de aanwezige Steenmarters in Aldeboarn weggevangen. Het zal moeten blijken of dit wel tot het gewenste effect leidt.
Het wegnemen of beperken van een bepaalde predator in een gebied kan dus tot ongewilde effecten leiden, doordat onvoldoende aandacht is besteed aan de aanwezigheid van alle (potentiële) predatoren in een gebied en sommige van deze (potentiële) predatoren na verwijdering van een andere predator meer schade kunnen aanrichten dan de predator die oorspronkelijk aanwezig was in het gebied.
Ad 2)
Het uitkomstsucces van legsels is veel hoger in de extensief beheerde graslanden dan in de intensief benutte grasland (Kentie et al. 2015). Uit een vergelijking met historische data begin jaren tachtig van de vorige eeuw blijkt dat de uitkomstsuccessen in extensief beheerde graslanden vergelijkbaar zijn met toen. Maar uit een langlopende studie naar het predatie-effect op weidevogels (Teunissen et al., 2005) blijkt dat predatie door vos op weidevogels vooral legselpredatie betreft. Predatie op kuikens gebeurt door een zeer breed gamma aan predatoren, waarbij de vos geen opmerkelijke rol speelt.
Dit terwijl meerdere studies hebben laten zien dat juist de overleving van kuikens de bottleneck is in de populatieontwikkeling van de nestvlieders onder de boerenlandvogels (o.a. Schekkerman 2008, Schekkerman et al. 2009, Kentie et al. 2013).
Hiermee wordt dus indirect aangetoond dat de toegenomen aantallen vossen sinds die tijd niet overal als verklaring voor de afgenomen aantallen weidevogels kunnen worden gezien. Jonge nestvlieders die hun eigen voedsel zoeken, moeten bij een klein voedselaanbod langer foerageren, een activiteit waarbij ze vaak relatief goed opvallen. Ook nemen vogels die honger hebben, in het algemeen meer risico en foerageren ze noodgedwongen vaker op plekken waar de predatiedruk hoger is (Naef-daenzer & Grüebler 2008; Cresswell et al. 2010). Predatie is dan veelal slechts een afgeleide oorzaak van het eigenlijke probleem: voedsel(insecten)tekort;
Ad 3)
De vossen die worden afgeschoten zijn vooral jonge dieren die nog rondzwerven: jonge vossen gaan in hun eerste herfst zwerven, op zoek naar een eigen territorium. Zonder eigen leefgebied kan een vos zich niet handhaven. In deze maanden sterven veel eerstejaarsvossen een natuurlijk dood. Deze sterfte is onzichtbaar maar het zijn wel deze vossen die vooral door de jagers worden geschoten en die daarmee alleen een natuurlijk proces ‘versnellen’. Maar die daarbij er ook voor zorgen dat de veel moeilijker te bejagen “standvossen” in een uitstekende conditie blijven, er hoeven immers geen zware territoriumgevechten met de nieuwkomers te worden beslecht. Daarbij blijkt ook dat wanneer  er een oudere “standvos” wordt gedood, zal een andere vos, vaak al binnen één dag, zijn territorium innemen.
Misschien is echter een nog groter probleem wanneer er geen andere vos deze plek kan innemen en andere roofdieren als steenmarter en (de nauwelijks te bestrijden) hermelijn de opengevallen plek in het habitat innemen.
Ook zijn er al een aantal voorbeelden waarbij regio’s hebben besloten tot een vossenjachtverbod (zoals bijvoorbeeld Luxemburg waar al vanaf 2015 geen vossen meer mogen worden geschoten), maar waarbij van de gevreesde ‘vossenexplosie” geen sprake is.
Ad 4)
In de jaren vijftig kwam de vos alleen voor in het zuiden en oosten van het land. In de jaren zestig werden gif en klemmen gebruikt om vossen te bestrijden, nadat dat werd verboden heeft de vos zich ook verspreid over de rest van Nederland. Tot begin jaren negentig was dit echter nauwelijks een probleem voor de Nederlandse weidevogels.
Naar de oorzaken hiervoor is nauwelijks afdoende onderzoek verricht, maar op basis van literatuur/ internet-onderzoek is het niet zo heel moeilijk om hier tot bruikbare hypothesen te komen.
Een direct effect van de onderwerkplicht is het verdwijnen van wormen in de bovengrond. Het dieet van vossen bestaat/ bestond echter voor en belangrijk deel uit wormen (tot wel 250 stuks per dag). Onderwerkplicht betekent dus dat deze voedselbron voor de vos onbereikbaar wordt volgens het onderzoek van de Universiteit van Groningen (Onrust et al., 2019).
Maar belangrijker dan dat is waarschijnlijk dat in de jaren negentig ook de belangrijkste voedselbron voor de vos verdween; het konijn.
Onderzoek van de maaginhoud van de vos in de Nederlandse duinen (Vossenonderzoek in de duinstreek van 1979 tot 2000 (J.L. Mulder)) liet zien dat het voedsel van de vos meestal erg gevarieerd is, maar in de duinen wordt het gedomineerd door het konijn. Mulder constateert dat zelfs nu, terwijl de aantallen konijnen in de laatste decennia sterk tot zeer sterk in aantal zijn afgenomen door ziekten. “Bij lage konijnendichtheden bestaat het voedsel van de vos nog steeds voor 75% uit konijn. Hoe algemener het konijn, hoe groter zijn aandeel in het voedsel van de vos.
Ook uit de prooiresten bij burchten met jonge vossen in het voorjaar blijkt het kleinere aandeel konijn tegenwoordig: vroeger bestond 59% van de prooiresten uit konijn, recent nog maar 26%. Bij een lagere konijnconsumptie worden vooral meer muizen en vogels gegeten.”
Ook op de site http://barf-natuurlijk.nl/archief/voeding_carnivoren_vos.html wordt naar aanleiding van een groot aantal onderzoeken in de Verenigde Staten geconcludeerd: “Er zijn situaties waar vogels de belangrijkste voedingsbron zijn. Deze voedselvoorkeur doet zich waarschijnlijk voor wanneer het vogelbestand groot is of het konijnenbestand en knaagdierenbestand klein is.”

Het konijnendrama door de eeuwen heen

Spanje is het land van oorsprong van de wilde konijnen. Spanje is het ‘land met konijnen in overvloed’ volgens de Feniciërs en Romeinen. Daarom werd Spanje in eerste instantie ‘i-saphan-im’ en daarna ‘Hispania’ genoemd.
De Romeinen maakten dus kennis met konijnen in Spanje. Ze vielen zo goed in de smaak dat de Romeinen er een aantal mee naar Italië namen om te fokken. De schrijver Varro beschrijft omwalde veldjes, Leporaria genaamd, waar mensen konijnen hielden. Al snel bleek echter dat konijnen zich niet zo gemakkelijk laten tegenhouden door enkel een wal. Ze zijn tenslotte goede gravers. Ontsnapte konijnen vormden het begin van een wilde konijnenpopulatie in Italië.
Strabo beschrijft echter de problemen al die de al te vruchtbare konijnen in sommige gebieden met zich meebrachten: “Geen schadelijk dier kan gevonden worden op de Balearen: zelfs de konijnen daar, zo wordt gezegd, zijn niet inheems, maar de populatie is afkomstig van een mannetje en vrouwtjes, die door iemand van Spanje zijn mee genomen. Deze populatie was feitelijk zo talrijk, dat ze zelfs huizen en bomen omwierpen door eronder te graven.”
De bewoners smeekten om hulp bij keizer Augustus en vroegen hem om nieuw land. Hij stuurde echter legionairs met fretten om de konijnen te bestrijden.
De verspreiding van de konijnen in Europa begon bij de Romeinen, maar in de middeleeuwen waren het de Zuid-Franse kloosters waar deze smakelijke dieren zeer welkom waren, om vandaar uit de monniken te volgen door hele Europa. De dieren werden gehouden in zgn. warandes, om vandaaruit, vanaf de dertiende eeuw ook het Noorden van Europa te veroveren.
Warandes konden worden aangetroffen op zandgronden zoals de Veluwe, de Utrechtse Heuvelrug, in Noord-Brabant en Limburg. In Vlaanderen werden konijnen bij kastelen gehouden. De warandes bestonden uit een wildpark met een konijnenmotte, de benaming voor een kunstmatige nestelheuvel. Ook bij deze konijnen werden soms kleurslagen gefokt, omdat dan het bont meer waard was. Maar het bleven wilde dieren, met veel bewegingsvrijheid en natuurlijk gedrag.
Overal in het duingebied van Nederland en Vlaanderen, inclusief de Waddeneilanden, kwamen warandes voor. In Holland en grote delen van Zeeland had zelfs het hele duingebied die functie gekregen. Het woord warande stond oorspronkelijk voor het alleenrecht de jacht op één of enkele diersoorten uit te oefenen. Dit recht was in Holland op alle woeste gronden voorbehouden aan de graaf. Aanvankelijk had deze vaak een conijn jagher in dienst, maar later werden de warandes, vaak ook wildernissen genoemd, voor veel geld verpacht.
In 1297 verhuurde de graaf de duinen van de Maas tot Zijpe en het Gooi aan duinmeijers – duinpachters – voor het commercieel houden van konijnen. Deze duinmeijers ondernamen van alles om zoveel mogelijk konijnen te krijgen. Waren er veel konijnen, dan maakte de duinmeijer nieuwe gangen in de heuvels, waar de grotere jongen prompt gebruik van maakten. Hij bestreed roofdieren en roofvogels en voerde de konijnen in de winter bij. Hierdoor stierven in de winter minder konijnen waardoor er nog meer gevangen konden worden. De duinmeijers gingen zo drastisch te werk dat kort na 1400 de vos was uitgeroeid in de duinen. Dat het (vlees van) het konijn status had, blijkt uit het verzoek van de hoogleraren van de net opgerichte Universiteit van Leiden eind 16e eeuw, die meenden dat zij ook recht hadden op hofkonijnen (die vroeger aan het graafschap en na 1568 de Staten van Holland waren voorbehouden).
Van de 16e tot de 19e eeuw verspreidden konijnen zich over alle zandgronden. In 1588 was het konijn in Nederland al zo gewoon dat historici de oude naam ‘Caninefaten’, de naam van een stam die zich in de eerste eeuw na Christus in het rivierengebied vestigde, per abuis vertaalden als konijnenvreters.

Revolutie

In de tweede helft van de 18e eeuw veranderde de maatschappelijke positie van het konijn. Dit had deels te maken met het feit dat de konijnenvangst minder ging opbrengen. Daarnaast veranderden ook de opvattingen over de vangst van de konijnen in waranden, die op dat moment nog de status had van een heerlijk recht dat aan enkelen was voorbehouden. Voor de volgelingen van de Verlichting waren dit achterlijke uitwassen van conservatisme.
De verandering in maatschappelijke verhoudingen tijdens de Bataafse Republiek en de Franse tijd (1795-1813) leidde er onder andere toe dat men er naar streefde het jachtrecht niet meer te beperken tot enkele geprivilegieerde groepen. Ook werden regels opgesteld ter bescherming van de positie van de grondgebruiker. Na 1813 – het begin van het Koninkrijk der Nederlanden – werden de veranderde verhoudingen voortgezet.
De Jachtwet van 1814 beoogde in de allereerste plaats het weer “op peil brengen van de wildstand”, die tijdens de Franse overheersing sterk geleden had.
Het konijn is jachtwild, ook al is het schadelijk voor de landbouw. De grondgebruiker – zeg maar de boer – krijgt nu ook het recht om het konijn te bestrijden op eigen grond, (maar niet daarbuiten). Er waren nog wel conflicten als de konijnen huisden in bossen naast de landbouwgronden en de boseigenaar of jager het konijn niet wilde bestrijden.
Naast jagers en boeren werd het konijn ook bejaagd door mensen die geen rechten op de grond hadden: stropers. De zware straffen op stroperij werden afgeschaft tijdens de Verlichting-periode. Dit had tot gevolg dat de stroperij uitgroeide tot een vrij ‘normaal’ tijdverdrijf. De stroper hoorde erbij. In de grote kerststal in de katholieke kerk van De Zilk staat bij de aanbidders van het Kind ook een stroper met een konijn over zijn schouder. In 1987 waren er in Egmond aan Zee nog tientallen stropers.
Er veranderde meer met de ideeën van de Verlichting. De woeste gronden moesten in productie gebracht. Overal op zandgronden en zandverstuivingen werden bossen geplant, Daarbij was het konijn een sta-in-de-weg. Konijnen eten de kiemplanten van bomen en struiken, en houden zo bebossing tegen. Vooral in de 19e eeuw werden voor de bestrijding alle soorten middelen gebruikt. Bij de bebossing op de Waddeneilanden werd blauwzuurgas ingezet, holen werden uitgegraven – ’de konijnen werden gedolven’ – en ook werd het konijn met lange honden, fretten, strikken en klemmen bestreden. Ook onze grote pionier voor de natuurbescherming, Jac. P. Thijsse, ontkwam niet aan zijn tijdgeest wat betreft zijn visie op de konijnen:
“De duinen hebben van de konijnen niets dan schade, en wel zeer grote schade ook. Om hun aantrekkelijke eigenschappen zouden we wel graag een beperkt aantal kunnen toelaten, laat ons zeggen één paar voor elke tien hektaren, maar eer je het weet, is dat ééne paar uitgegroeid tot duizenden, die dag en nacht eten. Daar is de groeikracht van het duin niet tegen bestand. Wanneer wij echt mooie, rijk begroeide duinen willen hebben, dan moeten de konijnen worden uitgeroeid …” (Thijsse, 1943)
De beheerders van de Amsterdamse Waterleidingduinen en het Noordhollands Duinreservaat namen de jacht op konijnen in eigen hand, omdat de jagers onvoldoende konijnen schoten. Het argument was dat het konijn de opslag van bos – het ontkiemen van jonge bomen en struiken – tegenhield. Op Walcheren (duinen Oranjezon) was iets vergelijkbaars aan de hand. De pachter van de jacht werd aan de kant gezet en op een gegeven moment waren niet minder dan twintig personen betrokken bij de bestrijding van konijnen.
Om verstuiving tegen te gaan werd helm geplant en werden op stuifplekken takken uitgelegd. De bezorgdheid over verstuiving van de kustduinen was groot. Zo bestond er in de provincie Noord-Holland tot 1988 een provinciale Duinverordening, die beheerders verplichtte te allen tijde het stuiven van het duin tegen te gaan.
Een nieuwe rol voor het konijn
Tot ongeveer 1850 werden konijnen vrijwel alleen gehouden voor het vlees en de vacht, maar in het Victoriaanse tijdperk (1837-1901) werden konijnen steeds meer gehouden en gefokt als hobby of als showdier. Hierdoor ontstonden veel show rassen van konijnen met bijzondere kenmerken en kleuren.
Het Victoriaanse tijdperk was ook een tijd van industrialisatie. Steeds meer mensen trokken van het platteland naar de steden en namen kleine dieren als kippen en konijnen met zich mee. Kippen en konijnen waren namelijk de enige dieren die makkelijk gehouden konden worden in steden in verband met de beperkte ruimte. Deze konijnen werden oorspronkelijk alleen gezien als levensmiddel, maar langzaamaan begonnen mensen uit de middenklasse ze ook steeds meer als huisdier te zien en te houden.
De eerste helft van de 20e eeuw wordt gekenmerkt door de twee wereldoorlogen. Tijdens beide oorlogen worden mensen door de overheid aangemoedigd om konijnen te houden voor het vlees en de vacht. Na afloop van de oorlogen hebben veel mensen de konijnen gehouden als huisdieren.
Het houden van konijnen voor shows en het fokken van specifieke rassen wordt steeds populairder zodat de eerste verenigingen voor konijnenfokkers worden opgericht. Na honden en katten staan konijnen op de 3e plaats als meest populaire huisdier.
Consumptie van konijnenvlees in Nederland is daardoor dan ook laag (in 5% van de gezinnen wordt weleens konijn gegeten (0,65 kg per hoofd van de bevolking) en “Flappie” van Youp van ’t Heck staat nog steeds in de Top 2000 aller tijden van Radio 2.
Voor de wilde neven van Flappie werd Nederland  (overigens net als de rest van Europa) ondanks dit alles een steeds onherbergzamer oord.

Konijnenziektes

In de jaren vijftig van de 20e eeuw sloeg myxomatose in Nederland toe. Zieke konijnen waren doof en blind. Van dichtbij kon je zien dat hun ogen dichtzaten. Dat kwam omdat alle slijmvliezen ontstoken waren, ook die van de binnenkant van hun oogleden. De doofheid was het gevolg van de opgezwollen gehoorgangen, die daardoor verstopt raakten. Als je heel dicht bij zo’n ziek konijn kwam kon je het zelfs horen ademhalen door zijn ontstoken neus.
Het myxomatose virus heerst nog steeds. Maar het aantal zieke konijnen nam geleidelijk af en ze stierven ook lang niet allemaal meer een vroegtijdige myxomatosedood.
Bij de eerste myxomatosegolf, begin jaren ’50, overleefden maar enkele konijnen de ziekte. De meeste waren binnen drie weken dood. Na enkele jaren was de sterfte lager, nog ‘maar’ tussen 50 en 95%. Maar in 1980 kon je op een zomerse namiddag in de duinen weer overal konijnen zien zitten, zowel zieke als gezonde. De zieken herstelden vaak van de myxomatose en het aantal konijnen nam nauwelijks meer af. Het virus was er dus nog wel, maar had nog maar weinig effect. Het virus was zwakker geworden, én de genetische weerstand van de konijnen nam toe.
Sinds de jaren ’90 is het konijnenbestand op veel plaatsen weer gedecimeerd door een nieuwe virusziekte: VHS (Viraal Hemorragisch Syndroom) genoemd. Deze ziekte is een echte killer. Er zijn mensen die hebben gezien dat konijnen plotseling dood neervielen, soms met het eten nog in de bek. Een konijn met VHS maakt het niet lang. Binnen 2 tot 4 dagen na besmetting is het dood. Aan de buitenkant zie je vrijwel niets, hooguit wat bloed aan neus of anus, maar aan de binnenkant des te meer. Het virus veroorzaakt inwendige bloedingen (haemorragie = bloeding). De bloedingen tasten de lever aan, die lichter van kleur wordt en een gemarmerde tekening krijgt. De milt is vergroot en de longen vertonen veel kleine rode haardjes, ontstaan door kleine bloedpropjes. VHS komt alleen voor bij het Europese konijn. De epidemie heeft zich vanuit tamme konijnenhouderij in Italië over heel Europa verspreid.
Overigens staat niet vast of VHS wel steeds de oorzaak van de achteruitgang was. Dat komt omdat er nauwelijks zieke of dode konijnen werden gevonden. Zieke dieren kruipen weg in hun hol en bovendien nemen vossen de karkassen mee en verstoppen ze. In het eerste jaar van een uitbraak valt VHS ook minder op omdat het niet meteen alle populaties bereikt. Op sommige plekken sloeg de ziekte groepen konijnen over. Maar doordat de epidemie jaarlijks uitbrak (en nog steeds uitbreekt) is tussen 1990 en 2003 de konijnenstand uiteindelijk tot 10% uitgedund.
Op het moment dat het er de schijn van had dat de konijnenpopulatie zich van deze slag kon herstellen, werd in 2010 een nieuwe virusvariant van deze ziekte waargenomen in Frankrijk. Daarna heeft het zich langzaam over Europa verspreid. Behalve in Frankrijk komt RHD2 in elk geval ook voor in België, Duitsland, Italië, Spanje, Portugal, Malta, Noorwegen, Zweden, Tunesië en het Verenigd Koninkrijk. Aan dat rijtje kon Nederland in 2015 ook toegevoegd worden.
Geconcludeerd moet dus worden dat vanaf 1990 de vos steeds vaker het zonder zijn geliefde prooi moet stellen en dus min of meer noodgedwongen de weidevogels hiervoor ‘laat boeten’.

Over de relatie tussen weidevogels en konijnen

Een voor de weidevogels een situatie zou dan wellicht zijn dat er een toppredator in een gebied aanwezig is, waarvan de populatie zichzelf, maar ook de aantallen andere rovers binnen de perken houdt, maar die zich qua voedsel vooral richt op andere prooien. De situatie waarin een vos een konijnenpopulatie in toom houdt is zo’n ideale situatie.
Het verdwijnen van het konijn in de jaren negentig dwong de vos echter om over te schakelen naar andere voedselbronnen, waarbij de vanaf toen verplichte onderwerkplicht er ook voor zorgde dat a) een belangrijke voedselbron (wormen) buiten bereik kwam te liggen en b) de weidevogelkuikens steeds roekelozer werden bij hun speurtochten naar voedsel (insecten).
Dat in heel Europa de konijnen verdwenen heeft er internationaal toe geleid dat weidevogelpopulaties in het gedrang kwamen, maar nergens was de schade zo groot als in Nederland, waar vanaf die tijd ook het voedsel voor de weidevogelkuikens verdween.
In Nederland is voor zover mij bekend geen onderzoek bekend waarin de relatie tussen het voorkomen van konijnen en weidevogels is onderzocht. Maar incidenteel kan hierover wel het een en ander worden gevonden. In een artikel over de terugkeer van de Tapuit in de Grafelijkheidsduinen bij Den Helder zien we:
“Grote grazers hebben in de Grafelijkheidsduinen de weg vrijgemaakt voor de konijnen met als gevolg dat de konijnenpopulatie zich herstelt. En nú zien we het effect, er broeden dit jaar meerdere paartjes tapuit in de konijnenvalleien, tapuiten zijn holenbroeders en zijn afhankelijk van konijnenholen,” zegt Tim Zutt. De eerste jongen zijn afgelopen week geboren en met de wetenschap dat deze meestal terugkeren naar hun geboorteplek, ziet het ernaar uit dat de tapuiten in de Grafelijkheidsduinen blijven broeden.”
Nu is deze relatie wel heel direct en waarschijnlijk zullen ook voor de scholekster vergelijkbare verhalen zijn te vinden, aar het is natuurlijk op zijn minst opvallend dat er één Europees land is waar de weidevogels en vooral de grutto aan een opvallende opmars bezig is: IJsland.
Een nieuwe (ziektevrije) kolonie
Nature today meldt over de IJslandse grutto (vrij goed te onderscheiden van onze Hollandse grutto) op https://www.naturetoday.com/intl/nl/nature-reports/message/?msg=18170:
“De IJslandse populatie neemt al decennia toe. Dit komt waarschijnlijk doordat ze profiteren van de toenemende bemesting van voorheen schrale graslanden op IJsland, waardoor ze meer voedsel kunnen vinden en een hoger broedsucces hebben. Dit proces heeft in Nederland vóór de jaren zestig ook plaatsgevonden, totdat de intensivering van de melkveehouderij te ver doorschoot. Nu neemt de populatie al decennia af.”
Maar het lijkt dan dat het geen toeval is dat op de site https://www.noorderlichtijsland.nl/2018/12/11/konijnen-op-ijsland/ het volgende valt te lezen:
“Ontsnapte, als huisdieren geïmporteerde konijnen, zijn een deel geworden van de wilde fauna van verschillende delen van IJsland. Je ziet ze vooral op de heuvel Oskjuhlid in de hoofdstad Reykjavik en in het recreatiegebied bij Heidmork. Ze wonen ook op het eiland Heimaey van de Westman-eilanden. Hier hebben ze de holen van de beroemde IJslandse papegaaiduikers bezet en verdreven naar andere plekken.
De IJslandse konijnen lijken zich vooral te hebben vermenigvuldigd tijdens de warme periode rond de eeuwwisseling. Hun hoofdvoedsel is gras. Tijdens de winter eten ze ook bessen, wortels, boomtakken en andere planten. Het enige obstakel voor hun uitbreiding is het gebrek aan voedsel tijdens strenge winters. Koud weer is echter geen obstakel. Konijnen bereiken de leeftijd van de puberteit na 2 tot 4 maanden. De zwangerschap duurt gemiddeld ongeveer 30 dagen. Ze vermenigvuldigen zich snel en elke keer worden er 2-12 jongen geboren. Direct nadat de jongen geboren worden zijn de vrouwtjes alweer klaar om zwanger te worden.
De populaties konijnen op IJsland zijn nu zo groot geworden dat verschillende IJslanders aanbevelen dat grote aantallen konijnen dienen te worden “verwijderd” uit bepaalde gebieden. Echter, volgens de IJslandse wet zijn konijnen gelukkig beschermd, het is dus illegaal om op ze te jagen. De konijnen worden op sommige plekken bejaagd door de rode vos en de poolvos. Maar ook door roofvogels zoals de zeearend, haviken en door de grote jager (meeuwensoort). IJsland is een prachtig landen. Lees hier meer over de vulkanen van IJsland, over vogels op IJsland of het noorderlicht in IJsland. Ook kun je walvissen spotten in IJsland.”
Als er dan geen relatie is, dan is er in ieder geval wel een groot toeval.
Een onbekende Nederlandse test
Het lijkt er op dat Staatsbosbeheer deze conclusie al eerder heeft getrokken: (http://www.nieuwe-wildernis.nl/index.php?id=310)
“Uit informele bron is recent gebleken dat de parkbeheerders op de Hoge Veluwe elders uit de natuur gevangen levende wilde konijnen in het wildpark hebben losgelaten. De bedoeling is om de enorme verliezen van de regelmatig uit te zetten korhoenders te beperken. Vrijwel alle korhoenders die in het herintroductieproject worden uitgezet blijken immers al snel te sterven, meestal al binnen enkele weken. De konijnen dienen de aandacht van haviken e.d. af te leiden van de korhoenders waardoor men hoopt dat er minder verliezen onder de korhoenders zullen zijn.”
De resultaten van deze proefneming zijn niet bekend, maar dit toont wel aan dat de gedachte om konijnen in te zetten voor vogelbescherming niet zo vreemd is. De welig tierende konijnenpopulaties tot 1960 zouden immers ook het antwoord kunnen zijn op de vraag hoe het mogelijk was dat de weidevogels in Nederland tot dan toe zo floreerden, in vergelijk met de situatie in het buitenland waar wilde konijnen al veel langer een zeldzaamheid waren.
Ook de boerenland vogelbalans 2020 laat zien dat alternatieve prooidieren de redding voor weidevogelkuikens kunnen zijn:  “De kans op nestverlies fluctueert tussen jaren. Met name de kans op predatie is de afgelopen jaren toegenomen, met 2015 als duidelijke uitschieter. Door een overschot aan muizen in 2014 zijn veel predatoren, zoals kleine zoogdieren en roofvogels, de winter van 2014/2015 goed doorgekomen. Toen in 2015 de muizenstand was ingezakt, schakelden veel predatoren over op de nesten van boerenlandvogels. In 2019 was er opnieuw een muizenpiek en nam de predatiedruk op grutto- en tureluurnesten af tot het niveau van voor 2015 (..)  Fryslân kende in 2019 nog een positieve uitschieter met een voldoende score, terwijl het BTS in de rest van Nederland matig was. Dit kan verklaard worden door de muizenpiek in Fryslân.”
Een herintroductie van duinmeijers, diervriendelijke warandes en resistente konijnen in Fryslân (konijnenvlees te koop als “weidevogelvriendelijk vlees”)  is zo’n gekke gedachte niet. Zeker nu de intensieve dierhouderij (terecht) steeds vaker onder vuur komt te liggen…