De El Niño uitzondering

Degenen die zich wat meer met het klimaat bezighouden zullen weten dat de El Niño/La Niña Southern Oscillation (ENSO) een grote invloed op het wereldwijde weer heeft. Voor degenen die graag wat meer achtergrondinformatie over het verschijnsel wil hebben, verwijs ik graag naar de bijgevoegde link.
In het kort komt het erop neer dat de Humbolt-golfstroom, die normaal gesproken langs de kust van Zuid Amerika glijdt, enkele maanden kan worden geblokkeerd door een plotseling terugvloeiende beweging van warm water wat zich in de Westelijke stille oceaan bevindt.
Wanneer dit gebeurt, zal het warme (nagenoeg zuurstofloze) water van deze terugvloeiende beweging, boven het (koude) water van de Humboltstroom vloeien. Dit betekent dat het koude voedselrijk water, afkomstig van de Westerwind-drift, niet langer beschikbaar is voor het fytoplankton en hierdoor afsterft. Evenals de rest van de voedselpiramide die van haar productie afhankelijk is.
Voor de vissers een ramp en omdat dit onregelmatig voorkomende verschijnsel meestal rondom de kerstperiode plaatsvindt, werd het fenomeen naar het kerstkind genoemd; El Niño.
Op basis van de in de link bijeengebrachte informatie lijkt het mij waarschijnlijk dat het ENSO verschijnsel sterk afhankelijk is van de omvang en stroming van de Westenwind-drift. Maar dat is even niet waarom het hier gaat.

Synoptische veranderingen

Conform de theorie, zoals ik die heb uiteen gezet in de pagina “Het veranderende klimaat” (zie link), is te verwachten dat in de gebieden waar het El Niño verschijnsel zich voordoet ook veranderingen optreden in de positie van lage- en hogedrukgebieden.
Het warme zeewater zal de atmosferische grenslaag (PBL) groter doen worden, waardoor de vrije ruimte binnen de thermosfeer krimpt, iets wat normaliter gebeurt bij lage drukgebieden. Afkoelende lucht, veroorzaakt door koud water, zorgt voor een krimpende PBL en dus een hogedrukgebied.
Devos heeft op https://tenerifeconnect.be/geen-regen-op-tenerife/ een aardig stukje geschreven over het merkwaardige verschijnsel hoe een praktisch woestijnklimaat zich kan ontwikkelen op een eiland midden in de Atlantische oceaan. Een verhaal wat bij deze theorie misschien wel illustratief is.
Een paar stukjes hieruit:
“Een mooie zomer in de Lage Landen is anders dan een mooie zomer op een Canarisch eiland. Na een paar flinke zomerdagen op het Europese continent is het meestal prijs: de hitte en de hoge luchtvochtigheid vormen een dodelijke cocktail om iedere keer, ná een paar warme dagen, zwoel weer en daarna zware onweders over de contreien te sturen. (…)
De Canarische archipel staat ongeveer negentig procent van het jaar onder invloed van de subtropische hogedrukgordel die tussen het Caraïbisch gebied en Marokko is gelegen. Het zwaartepunt is vaak te vinden rond de eilandengroep van de Azoren waardoor de Canarische Eilanden vrij vaak aan de zuidoostelijke flank van deze hogedrukgordel bivakkeren. Grootschalige daling van lucht vanaf grote hoogte is dan het gevolg. Deze daling van lucht kenmerkt de aanwezigheid van een hogedrukgebied, hetgeen ook zichtbaar gemaakt kan worden door metingen met weerballonnen.
De daling van lucht resulteert in een verwarming ervan. De verhoging van de temperatuur zorgt tegelijkertijd voor het langzaam uitdrogen van de lucht waardoor de bewolking, zeker boven de 1.500 meter, meestal geen enkele kans krijgt. De warme luchtlaag boven de 1.500 m noemen we een inversie en ligt als een deksel op een pan zodat alle opstijgende lucht daaronder gevangen blijft. En precies de inversie verhindert deze kenmerkende ontwikkeling van regenwolken op en rond de subtropische eilanden.”
Het sluit mooi aan bij de eerder genoemde theorie en we kunnen hieruit dan ook de volgende conclusies trekken:
  • binnen een hoge PBL, in het geval van een El Niño verschijnsel veroorzaakt door het warme water, is er ruimte voor forse afkoeling van condenserend water en kunnen zich uit grote wolkenpartijen forse regenbuien ontwikkelen;
  • een lage PBL, veroorzaakt door koud water, heeft weinig ruimte voor afkoeling, waardoor het water wat in de lucht is opgenomen nauwelijks de gelegenheid heeft tot condensatie. Het blijft droog.
Dit is wat we zien bij een El Niño gebeurtenis. Normaal gesproken zien we forse hogedrukgebieden (en droogte) in Zuid-Amerika en lagedrukgebieden in Australië/ Indonesië (met flinke regenbuien). De wind waait van hogedrukgebieden naar lagedrukgebieden, dus winden die van Australië en Indonesië naar Zuid Amerika waaien, een overwegend oostelijke richting. Bij een El Niño zien we een omkering van dit alles. Forse droogteperiodes in Australië en Indonesië en onstuimige regenval in Peru en westenwind boven de Stille Oceaan.
Het is fijn dat de theorie zo goed klopt, zult u met me eens zijn. Maar wat is dan de uitzondering?

Over de SST en wolken

De uitzondering in dit verhaal is dat dit helemaal niet samenvalt met het normale beeld van datgene wat een warme oppervlaktelaag van de oceanen (SST) schijnbaar bewerkstelligt. We zien juist dat een warme SST samenhangt voor minder bewolking!
Al in een artikel van Eastman en Warren uit 2011 “Variations in Cloud Cover and Cloud Types over the Ocean from Surface Observations, 1954–2008” komt deze uitzondering op het normale patroon duidelijk tot uitdrukking:
“Onder de wolkentypes wordt de meest wijdverbreide en consistente relatie gevonden voor de uitgebreide mariene stratus- en stratocumuluswolken (MSC) boven de oostelijke delen van de subtropische oceanen. (…) Er een sterke negatieve correlatie gevonden tussen MSC en de temperatuur van het zeeoppervlak (SST) in de oostelijke Stille Oceaan, de oostelijke Stille Zuidzee, de oostelijke Zuid-Atlantische Oceaan, de oostelijke Noord-Atlantische Oceaan en de Indische Oceaan ten westen van Australië. Daarentegen wordt een positieve correlatie tussen bewolking en SST gezien in de centrale Stille Oceaan [waar we de ENSO ontwikkeling zien, zie onderstaande figuur, EJ].
Hoge wolken vertonen een consistente positieve correlatie van lage magnitude met SST boven de equatoriale oceaan.
De afname van bewolking in combinatie met de waargenomen toename van SST en de negatieve correlatie tussen de mariene stratus en de temperatuur van het zeeoppervlak suggereert een positieve cloudfeedback naar het opwarmende zeeoppervlak.
Jaarlijkse variaties van bewolking in de tropen vertonen een sterke correlatie met een ENSO-index.”
Eastman en Warren zagen in 2011 dus ook al de vreemde afwijking van de ENSO (in de centrale stille oceaan) ten opzichte van het ‘normale beeld’ waarbij er dus een ‘positieve terugkoppeling’ is tussen wolkendek en hogere SST’s.
De studie van Eastman en Warren is eigenlijk weer wat meer actueel geworden nu (ik noemde het al in mijn blog “Het onverdraaglijke zwijgen”) binnen enkele weken na het verschijnen van het ‘alomvattende’ IPCC-rapport (AR6) maar liefst drie (peer reviewed) studies (Loeb et al., 2021 , Dübal and Vahrenholt, 2021 en  Ollila, 2021) zijn verschenen waarin wordt aangetoond dat niet de toename van kooldioxide, maar juist de afname van het wolkendek verantwoordelijk moet zijn geweest voor de opwarming van de Aarde gedurende de laatste twee decennia (inclusief de weersextremen die vanaf AR6 zonder meer aan het broeikas-effect kunnen worden toegeschreven).
Nu vind ik het artikel van Goode et al. 2021 (zie: aardstraling op de maan) nog steeds het leukste van deze onderzoeken en hierin wordt ook de schuldige aangewezen: de oostelijke helft van de Stille Oceaan is de hoofdoorzaak van de afname van de laaghangende bewolking. En dus van de opgewarmde Aarde.
En dan zijn we weer terug bij de El Niño paradox. Waarom is er een relatie tussen wolkendek en SST en waarom gedraagt die zich bij een El Niño zo anders dan bij de rest van de SST?

Samenhang geeft geen causaliteit

Het is natuurlijk al wel vaker gezegd. Wanneer twee verschijnselen samen voorkomen, dan betekent het een natuurlijk niet dat het de oorzaak moet zijn van het ander. In dit geval ligt het misschien nog subtieler. Wanneer twee verschijnselen samen voorkomen betekent het een niet altijd dat het de oorzaak is van het ander.
In het geval van een El Niño zien we wat we verwachten. Warmere SST geeft meer bewolking en meer regen. Logisch… Het verband ligt in het zwaardere wat de oorzaak is van het lichtere. De opwarming en respectievelijke afkoeling van het oceaanwater zorgt voor een herverdeling van de hoge- en lagedrukgebieden.
Maar zou het bij een warmere SST en afname van de bewolking, de oorzaak-gevolgrelatie niet andersom kunnen zijn? Zou minder bewolking niet de oorzaak kunnen zijn van een warmere SST?
Er is namelijk één aanwijsbaar verschil tussen het warme water wat terugvloeit naar Peru en ‘gewoon’ warm oceaanwater. Het ene is nagenoeg zuurstofloos en gespeend van enig leven, het ander is ‘vers’ opgewarmd en thuis voor vele organismen, waaronder fytoplankton wat, zoals we kan worden gezien in de tekst van deze link, in staat is om wolkenvorming tegen te gaan in het geval van een algenbloei.

Vergroening

Zowel door alarmisten als door sceptici wordt eendrachtig gewezen op de invloed die de toename van kooldioxide zou hebben op plantengroei. Het is onmiskenbaar zo dat een hoger gehalte kooldioxide een forse invloed heeft op de plantengroei. Alleen waag ik te betwijfelen of de invloed van een paar promille CO2 in de atmosfeer, werkelijk de invloed kan hebben die hieraan door de betrokken wetenschappers wordt toegekend.
Voor beide groepen is er natuurlijk wel wat te winnen bij de nadruk die op de ze ‘vergroening’ wordt gelegd. Alarmisten wijzen hierop om de enorme toename van kooldioxide bloot te leggen, waardoor zelfs de plantengroei wordt gestimuleerd.
Voor sceptici is het een mooi voorbeeld van de positieve effecten die de kooldioxide- deken dan blijkbaar ook heeft. Maar is het een reëel plaatje?
Zoals ik al in eerdere blogs en op de ‘ontkenners-pagina’ al uitgebreid heb beschreven, is de toepassing van moderne landbouwtechnieken en het gebruik van kunstmest hierbij, een veel waarschijnlijker kandidaat om deze vergroening te verklaren.
Alleen heeft deze vergroening ook een schaduwkant. Uitspoeling van de in overmaat aanwezige minerale stikstof en fosfaat zal ook betekenen dat er steeds meer meststoffen in de oceanen zullen belanden, waar ze dankbaar zullen worden benut door algen.  Met algenbloei en het zuurstofloos raken van de wateren waar dit plaatsvindt,  tot gevolg. (zie ook bijvoorbeeld: https://www.uu.nl/opinie/steeds-meer-dode-zones-in-de-oceanen)
Dit kan, wat betreft de vastlegging van fosfaat, uiteraard ook op een duidelijk Gaia-mechanisme wijzen. Fosfaat is een zeldzaam mineraal en het verloren raken van de fosfaatvoorraad moet normaal gesproken koste wat kost voorkomen worden. Door de vastlegging van fosfaat  in de algenbloei kunnen de voedingsstoffen weer worden opgenomen in de fosfaat-kringloop.
Maar duidelijk zal zijn dat dit in de huidige omstandigheden (waar fosfaat industrieel wordt gewonnen uit de weinige gebieden waar grote fosfaatvoorraden zijn vastgelegd), eerder contraproductief werkt. Uitspoeling van fosfaat zal zorgen voor grote gebieden met Algenbloei. Algenbloei  zorgt dus weer voor een lagere wolkenbedekking, met de huidige klimaat-misère (zie: https://sciencebrief.org/uploads/reviews/ScienceBrief_Review_MARINE_HEATWAVE_Oct2021.pdf) tot gevolg.
Maar goed. Zo denk ik er dus over…

Geef een antwoord