Geachte heer Brandsma/ Beste Theo,

Vooraf

Het is misschien niet zo heel waarschijnlijk dat u dit schrijven onder ogen krijgt en wanneer toch, U zult begrijpen dat een reactie heel erg gewaardeerd zou worden. Het gebeurt immers niet zo heel vaak dat een medewerker van het KNMI met een ‘open brief’ wordt ‘gefêteerd’.
Ik zou zelf wat voorzichtig worden en wanneer u daarom de moeite heeft genomen om mijn andere blogs, met name over het laatste IPCC rapport, te lezen, heeft u mij waarschijnlijk als ‘klimaat-ontkenner’ geïdentificeerd. Ik heb begrepen dat de standaard reactie/ instructie van weer-onderzoekers dan is om inderdaad om dit soort verzoeken te negeren (geen onnodige extra publiciteit), maar ik heb een aantal vragen, waar u misschien een antwoord op kunt geven. En die voor de lezers van deze blog waarschijnlijk ook relevant zijn.
Even vooraf; anders dan misschien lijkt, zie ik mezelf niet als klimaat-ontkenner, in de zin dat ik denk dat er de afgelopen jaren wereldwijd wel wat vreemde dingen met o.a. de temperatuur, neerslag en droogte zijn gebeurd en dat ‘de mens’ daarvoor waarschijnlijk verantwoordelijk is.
Wel heb ik problemen met de kooldioxide-hypothese, maar dat moge duidelijk zijn.
Mijn eerdere reacties op het IPCC-rapport getuigen hiervan. Ik heb me dan ook geconcentreerd op de zaken uit het rapport waar ik het niet mee eens was en ik moet eerlijk toegeven dat ik het op de meeste punten helemaal eens ben met Willie Soon (https://wattsupwiththat.com/2021/08/18/new-mexico-academic-compares-the-climate-crisis-to-gun-violence/), als hij zegt dat het bizar is dat we onze hele samenleving opnieuw moeten opbouwen op basis van computer-modellen (If climate alarmists had tangible evidence, I would support their call. The imminent mass death of billions of people would trump other considerations. But they’ve got nothing tangible, other than a few computer print outs and a big “trust me” plea.)
Maar het gaat dus ook om modellen waarvan we eigenlijk weten dat deze niet echt heel goed zijn (zie ook mijn vorige blog, maar belangrijker dan dat zijn de 2 nieuwe studies, ingeleid door Ross McKitrick op https://judithcurry.com/2021/08/17/new-confirmation-that-climate-models-overstate-atmospheric-warming-2/).

De omslagen in IPCC AR6 en uw onderzoek

Wel heb ik me verbaasd over de twee omslagen in het IPCC AR6 rapport. Over de nieuwe hockeystick heb ik het al eerder gehad en is ook elders al veel over te doen geweest. Het lijkt niet nodig om hier nog eens op in te gaan. U heeft hierover denk ik wel een mening en als die anders is dan de mijne zal ik u niet kunnen overtuigen…
De andere grote verandering, weersextremen, is sterk bekritiseerd geworden door Eric Felten (https://www.realclearinvestigations.com/articles/2021/08/17/does_climate_change_cause_extreme_weather_now_heres_a_scorcher_of_a_reality_check_789878.html). En eerlijk gezegd heeft hij wat mij betreft natuurlijk wel een punt. Waarom Trump van volledige onwetendheid betichten (nogal makkelijk scoren natuurlijk) als hij over extreem weer klaagt en het enkele jaren later zelf ook doen, dat is niet sjiek.
Maar dit laatste heeft natuurlijk wel een staartje. Met de focus op extreem weer is de focus ook komen te liggen op regionale verschillen in landgebruik, en ook anders dan in de eerdere rapporten, kwam de focus nu dus ook te liggen op het stadsklimaat (urban heat island (UHI)). Het IPCC blijkt nu, waarschijnlijk ingegeven door de vracht aan rapporten die hierover is gepubliceerd, van mening dat: “There is very high confidence that the different observed warming trend in cities as compared to their surroundings can partly be attributed to urbanization.” (Box 10.3)
Voor U is het waarschijnlijk geruststellend is dat ook is opgenomen: “There is medium evidence but high agreement that the global annual mean surface air temperature response to urbanization is negligible.”
Maar u weet als geen ander dat hier wel een adder onder het gras ligt. Ik heb op mijn site (onder Lauw-warm) al eerder opgemerkt dat het RIVM (op basis van het Europese Ramses-project) een hittekaart heeft gemaakt, waarin het meetstation De Bilt is gelegen in een gebied waar het ‘stadseffect’ tussen de 1,2 en 1,4 graden Celsius zou bedragen. U kent het rapport en de bijbehorende kaart ook neem ik aan.
Maar de metingen van het KNMI in De Bilt zouden dan een vergelijkbaar hitte-effect hebben als dat van Ukkel in België, waar de onderzoeker Hamdi in een onderzoek uit 2010 een gemiddelde stijging van ruim 0,1 graad per decade vaststelde.
Het KNMI houdt voor meetstation De Bilt echter, op basis van uw onderzoek uit 2003 (toen het UHI voor het IPCC nog geen thema was en dus werd weggezet als ‘denier-theorietje’) 0,11 graden sinds het begin van de metingen aan. Dat is dus ruim 10 maal zo weinig als er in Ukkel wordt gecompenseerd en volgt uit het Europese Ramses-project.
Volgens de metingen in De Bilt is de gemiddelde temperatuur sinds het begin van de vorige eeuw is gestegen met 1,6 graden Celsius. Maar dan is er eigenlijk niet zo veel opwarming die niet verklaard wordt door het fenomeen van de UHI, dat nu dus volmondig is geaccepteerd door ‘de klimaatwetenschappers-community’ (het IPCC).
Ik vraag me nu dus af of hoe dit bij u binnenkomt, zeker nadat u uw rapport uit 2003 heeft opgesteld met als ‘landelijk referentiepunt’ de vliegbasis Soesterberg, dat dus volgens de RIVM hittekaart net zoveel opwarming vertoont als De Bilt zelf. 
En dan zal het dus missschien zo zijn dat “the global annual mean surface air temperature response to urbanization is negligible”. Maar dat is dus niet zo als het gaat over landelijke meetpunten.
De bijdrage van het hitte-eiland van De Bilt voor Nederland is waarschijnlijk verwaarloosbaar, maar op papier is dat natuurlijk niet het geval. Een gemiddelde opwarming voor Nederland (gemeten in De Bilt) in een eeuw van 1,6 of slechts van (1,6-1,4=) 0,2 graden maakt nogal een verschil.
Een veel groter verschil als wat door U berekend is, toen de oude Pagode meethut werd vervangen door een kleinere Stevensonhut. Het lijkt er dan ook op dat u op korte termijn weer aan de slag kunt met een nieuwe homogenisatie en wie weet; misschien gaan we zien of er nog wat hittegolven van vóór 1950 ‘gered kunnen worden’.

Onduidelijk

Maar ik wil u geen slecht gevoel aanpraten. Ikzelf ga, zonder al te veel problemen, eigenlijk mee met het IPCC die zegt dat extreme temperaturen steeds vaker voorkomen. Mijn probleem zit veel meer daarin dat ik, op basis van wat ik de afgelopen jaren aan extreme temperaturen heb meegemaakt, wat ik heb gevolgd op het NOS journaal, maar ook gelet op de theorie die ik neergezet onder https://www.polderklimaat.nl/het-veranderende-klimaat/, mijn waarnemingen bij de hittegolf in Canada (zie blog) en regenval in Duitsland, België en Limburg (zie blog), me afvraag hoeveel de Aarde eigenlijk opwarmt zonder al die extremen en mogelijke meetfouten door verkeerd ingeschatte UHI-effecten (De Bilt zal wel niet het enige nationale meetpunt zijn wat met deze problematiek kampt).
Kan het niet zo zijn dat de warmte-extremen (en UHI-effecten) zorgen voor een ‘gemiddelde globale opwarming’ in plaats van andersom?
Met name het fenomeen van de “quasi stationaire hogedrukgebieden”, die een blokkade vormen voor het bewegen van fronten en zorgen voor een eerder nooit geziene regionale opwarming, wekt bij mij verbazing. Ik kom bij de in het AR6-rapport niet veel verder dan een aantal verwijzingen naar andere onderzoeken, maar al bij de eerste hiervan (Parker, 2013 “The Structure and Evolution of Heat Waves in Southeastern Australia”) zie ik in de conclusies de volgende beschrijving die me de moed in de schoenen deed zakken:
“ ERAI composites of synoptic conditions showed that heat waves in southeastern Australia are accompanied by a slow-moving transient surface anticyclone over the Tasman Sea to the east, which directs warm continental air in a northerly or northwesterly flow over the south-east, causing extreme temperatures. The elevated temperatures extend from the surface in a deep layer over the region, as shown by the mean geopotential height anomalies. One of the key findings from the PV-Q composites is that heat waves in southeastern Australia in summer are associated with upper-level PV anomalies, which form as the result of anticyclonic (LC1 type) Rossby wave breaking on the equatorward side of the mean position of the midlatitude jet.
A region of parcel trapping, described by a deep layer of imaginary Lyapunov exponent, indicated that the upper-level anticyclone would remain stationary and hence that the conditions responsible for the formation of heat waves would persist. At the same time, upper-level cyclonic PV troughs were found to enhance rainfall over the north-east of the continent through enhanced vertical motion, increased instability, and modifications to moisture flux.”
Het vak van meteoroloog wordt te gemakkelijk onderschat. Maar toch is dit niet wat ik bedoel.
Ik snap dat de Potentiële Vorticiteit vreemd doet en dat dit waarschijnlijk wordt veroorzaakt door het breken van Rossby golven. Wat er volgt kan dus blijkbaar worden beschreven door een denkbeeldige Lyapunov exponent. (OK, ik heb geen flauw idee wat dit is, maar hoe belangrijk is dat?)
Ik snap ook waarom een dergelijk artikel in AR6 wordt opgenomen, het lijkt alles te verklaren, maar ik heb er ook mijn reserves bij. Waardoor wordt dit alles veroorzaakt? Het beschrijft wat je ziet, maar verklaren doet het eigenlijk niets… Of zie ik iets over het hoofd? Wat weet het KNMI hiervan wat wij niet weten?
In afwachting van uw reactie, verblijf ik
 
Hoogachtend,
 
Erik Jansen
PS
Ik vrees dat de reactie van dhr. Brandsma nog wel even op zich zal laten wachten; anderen die over het onderwerp van deze brief meer weten, zijn natuurlijk ook van harte uitgenodigd om te reageren…

Geef een antwoord