Roger Pielke Jr. (die onlangs een mooie analyse gaf van Al Gore’s meesterwerk “An Inconvienent truth”) schreef op 13 en 20 juli jl. twee blogs over “onze hittegolven” met data die voor de ‘Lauw-warmers’ onder ons, moeilijk te verklaren zullen zijn.
Hij schrijft:
“De toename van het aantal hittegolfdagen en de intensivering daarvan in heel Europa zijn goed gedocumenteerd. Uit de onderstaande figuur blijkt dat het aantal hittegolfdagen in Europa sinds 1950 gestaag is toegenomen, met een snelheid van ongeveer 2,6 dagen per decennium.
Ook zijn de hittegolven in Europa intenser geworden. De intensiteit van de ergste hittegolf van elk jaar – gebaseerd op de dataset van Oliveira et al. (2022) – is sinds de jaren zeventig toegenomen, zoals hieronder te zien is.
Het idee dat het allemaal wordt veroorzaakt door ‘natuurlijke variaties’ als gevolg van veranderende luchtcirculatie, zonder dáárvoor een duidelijke oorzaak aan te wijzen lijkt mij, in het licht van de situatie op dit moment moeilijk te verdedigen.
Wikipedia meldt: “De hittegolf in West- en Zuid-Europa vanaf 17 juni 2026 wordt gezien als de zwaarste hittegolf in het getroffen gebied, zowel qua temperatuur als qua luchtvochtigheid, en de meest uitgestrekte die West-Europa ooit heeft getroffen.”
En we zitten er nu (31 juli 2026) eigenlijk nog steeds middenin. Hoezeer geruststellend de blogs van Klimaatgek ook zijn, waarin hij bijvoorbeeld beweert dat het allemaal wel meevalt met bijvoorbeeld de lage afvoer van de Rijn, ik weet niet of dat zo geruststellend is, wanneer de komende weken ook nauwelijks regen wordt voorspeld, en de Rijn bij Lobith gisteren de allerlaagste stand ooit is gerapporteerd.
De zomerse moeilijkheid voor Europa wordt door Pielke in een mooi kader geplaatst:
“In grote delen van West- en Centraal-Europa zijn de zomertemperaturen sinds 1980 ongeveer drie keer zo snel gestegen als het wereldwijde gemiddelde – sneller dan verwacht op basis van het directe effect van de veranderende energiebalans van de aarde. Extreme hitte in West-Europa is toegenomen met ongeveer 3,4 °C per graad wereldwijde opwarming; dit is de hoogste snelheid van alle vergelijkbare regio’s op aarde, afgezien van de poolgebieden.”
Oorzaken
Ten aanzien van wat de oorzaken zijn voor deze toenemende hittegolven in Europa, sluit Pielke aan bij wat het IPCC hierover tot dusverre te melden heeft:
“Het effect van verhoogde concentraties broeikasgassen op extreme temperaturen wordt op regionale schaal gematigd of versterkt door regionale processen – zoals bodemvocht- of sneeuw/ijs-albedo-terugkoppelingen –, door regionale forcering als gevolg van veranderingen in landgebruik en landbedekking of door aërosolconcentraties, en door natuurlijke variabiliteit op decadale en multi-decadale tijdschalen.”
Het lijkt me te gemakkelijk. Zijn de genoemde processen in Europa de laatste jaren zoveel anders dan in de rest van de wereld?
Pielke gaat één stap verder:
“Sinds 1971 heeft de aarde ongeveer 380 zettajoule aan overtollige warmte opgenomen; het overgrote deel daarvan — zo’n 89% — is in de oceanen terechtgekomen, ongeveer 6% in het land, ongeveer 4% heeft geleid tot het smelten van ijs, en slechts circa 1% is in de atmosfeer zelf terechtgekomen (von Schuckmann et al. 2023). De oceanen vormen dus het grootste reservoir voor de energie die door broeikasgassen is vastgehouden. (…)
Die extra energie in het klimaatsysteem warmt het land, de lucht vlak boven het aardoppervlak en – cruciaal – de oceanen en de brongebieden stroomopwaarts van Europa op. Wanneer er dus sprake is van een stilvallend hogedrukgebied, gebeurt dat in een klimaatsysteem dat meer energie bevat dan enkele decennia geleden. Dat betekent dat normale, meteorologische hitte-extremen – bij gelijkblijvende overige omstandigheden – heter zullen zijn dan voorheen.”
Nu heeft klimaatgek Rob de Vos hierover in het verleden (zie link) aan deze kwestie al de nodige aandacht besteed, waarin hij Bob Tisdale citeert die tot de conclusie is gekomen dat deze ontzettende hoeveelheid energie, die volgens Pielke mede verantwoordelijk is voor de hittegolven van Europa, overeen komt met een warmtetoename van een duizendste graad Celsius in de oceanen. Waardoor ik denk dat deze hypothese eigenlijk niet echt kan worden gezien als een belangrijke oorzaak van de toegenomen hittegolven specifiek voor Europa.
Ook de hypothese van een schonere lucht (minder aërosolen) in Europa is een poetslap, die te pas en te onpas wordt gebruikt om klimaatmodellen nog enigszins te fatsoeneren, maar of dit werkelijk enig effect heeft op het klimaat, is tot de dag van vandaag onbewezen.
Dat de drooglegging van Europa (door verbeterde drainage en intensivering van de landbouw) wél invloed zal hebben op de Europese hittegolven vind ik wel aannemelijk, zie ook mijn blog over Spanje en deze blog over de manipulatie van grondwaterstanden, maar ik denk dat dit maar de helft van het verhaal vertelt.
De opwarming van de wereldzeeën
Het is niet vreemd dat Pielke naar de toestand van de oceanen kijkt om een antwoord te vinden voor de oorzaken achter de toenames van de Europese hittegolven.
25 juli 2026 zag de afwijking van de normale zeeoppervlakte temperatuur (SST) er rondom Europa als volgt uit:
Rondom Mallorca was de watertemperatuur 5 graden warmer dan gemiddeld en aan de Noordzee was er toch ook nog een plus van 3,6 ºC. En dan is er toch sprake van een paradox. Hoe is het mogelijk dat zich, bij dit warme water, geen grote neerslaghoeveelheden vormen?
Europa was gortdroog de afgelopen maanden, terwijl de wateren rondom Europa recordtemperaturen bereikten. Hoe kan dat?
Ik heb dit al eerder gesignaleerd in deze blog. Vreemd genoeg hangt een warme SST samen met minder bewolking. En dan geeft het te denken dat er steeds meer studies aantonen dat niet de toename van kooldioxide, maar afname van het wolkendek als hoofdverantwoordelijke wordt gezien voor de recente opwarming van de Aarde. Kan dit iets te maken hebben met de almaar stijgende temperaturen van de oceanen?
En misschien nog belangrijker; zijn er ook redenen te verzinnen voor deze vreemde samenhang?
In de genoemde blog geef ik aan dat die er wel degelijk is en dat dit te maken heeft met de uitzondering op de bovenstaande samenhang. De El Niño-uitzondering.
Tijdens een El Niño- event krijgen we namelijk wel gewoon wat we verwachten. Veel regen bij warm water, droogte bij koud water.
En dit kan, naar mijn mening, alleen maar bevredigend worden verklaard door het volgende aanwijsbare verschil tussen het warme water wat tijdens een EL Nino-event terugvloeit naar Peru en ‘gewoon’ warm oceaanwater:
Het ene is nagenoeg zuurstofloos en gespeend van enig leven, het ander is ‘vers’ opgewarmd en thuis voor vele organismen, waaronder fytoplankton wat in staat is om wolkenvorming tegen te gaan in het geval van een algenbloei.
Hoe dan?
Ik ben hier uitgebreid op ingegaan in deze blog, maar ik zal het hier even samenvatten:
Net zoals de atmosfeer is het water in diepe zeeën of oceanen opgebouwd uit lagen die maar moeilijk mengen. Het meest bekende fenomeen wat hiermee samen hangt is het zgn. “dode water” waarin schepen nauwelijks vooruit komen. Veel energie die voortkomt uit de schroef van het schip leidt slechts tot golven en turbulentie tussen de beide lagen.
Dit natuurlijke verschijnsel wordt ook gebruikt door algen.
Wanneer gedurende het voorjaar de hoeveelheid licht voldoende toegenomen is, zal het fytoplankton, wanneer er voldoende voedingsmiddelen, en niet al te veel vijanden aanwezig zijn, snel gaan groeien. Een verschijnsel dat bekend staat als de voorjaarsbloei.
Bij min of meer rustige meteorologische condities gedurende het voorjaar en de zomer zal vaak een dichtheidsstratificatie ontstaan. De bovenste waterlaag zal relatief warm worden door het ingestraalde zonlicht waardoor de dichtheid van het water afneemt. Door de ongelijke dichtheid onder en boven het scheidingsvlak van warm en koud water zal verticale turbulente menging sterk onderdrukt worden. Met als gevolg een zeer ondiepe “mixed layer”, die snel kan worden opgewarmd door zonnestraling. Wanneer dan ook nog voldoende voedingsstoffen aanwezig zijn is dit een ideale omgeving voor de ontwikkeling van algen.
En hiermee verandert uiteraard ook de emissiviteit (de mate van effectiviteit in het uitstralen van energie als warmtestraling) van dit water.
De bovenste laag van het oceaanwater zal hierdoor versterkt opwarmen en het zal duidelijk zijn dat de warmte, die normaal gesproken verspreid zal worden door de oceanische mixing layer, niet meer zal worden opgenomen door het onderliggende zeewater, met hogere temperaturen als het onvermijdelijke gevolg. (…)
In het artikel van O. Wurl et al. “Warming and Inhibition of Salinization at the Ocean’s Surface by Cyanobacteria” wordt uitgewerkt dat wanneer de bloei blauwwieren (Cyanobacteria) zich over grote vlaktes uitstrekt, deze bloei zich als een bio-film laag over de oppervlakte van de oceaan uitstrekt. Maar deze biofilm had vreemde eigenschappen volgens Wurl en zijn mede-auteurs: “De resultaten wijzen erop dat er sprake is van biologisch aangestuurde opwarming en remming van de verzilting van het oceaanoppervlak. Tijdens neerslag ontstaan minder zoute oppervlaktelagen, maar onze waarnemingen tonen aan dat ook de bloei van Trichodesmium sp. de verdamping remt, waardoor het zoutgehalte aan het oceaanoppervlak afneemt.”
Zeezout, normaal gesproken de belangrijkste condensatiekernen voor de ontwikkeling van regen, zal hierdoor nauwelijks nog als zodanig kunnen functioneren.
De praktijk
Ik heb me in de bovenstaande blog geconcentreerd op de ontwikkelingen bij de Oostzee, waar de algen problematiek al sinds jaren een groot probleem is en er voor zorgde dat de aangrenzende Duitse provincies veel warmer waren dan verwacht kon worden op basis van hun ligging.
Maar de afgelopen tijd hebben de Duitse onderzoekers Baritz en Kowatsch op de Duitse website Eike een aantal studies verricht naar de ontwikkeling van de Duitse temperaturen per maand. De resultaten hiervan zijn eigenlijk nog veelzeggender.
Vanaf de temperatuursprong die plaats vond in 1988, zien ze voor de maanden van het jaar de volgende ontwikkelingen:
Dit is niet iets wat je verwacht wanneer een stabiele factor, zoals tegenstraling door kooldioxide, aerosolen of hitte-eilanden verantwoordelijk zouden zijn voor de geconstateerde veranderingen. Dat is wel wat je zou verachten wanneer biologische factoren, zoals algenbloei, hier iets mee van doen zouden hebben.
De voorjaarsboei van algen ontstaat, volgens Nature Today “door toenemend zonlicht en warmer water, met name in maart en april. Het aantal algen stijgt in deze periode erg snel, waardoor helder water in korte tijd troebel of groen kan worden.”
Maar ja, Nature Today meldt ook dat algen die tijdens deze bloei heel snel in aantal toenemen door warm weer en licht, sterven wanneer de voedingsstoffen op zijn. “Het afsterven van algen in mei ontstaat door een plotselinge eerdere algenbloei en brengt risico’s met zich mee, zoals een laag zuurstofgehalte en schuimvorming op het water.”
De vreemde ontwikkeling van de temperatuur in het Duitse voorjaar valt hiermee dus vrij simpel te verklaren. Het afsterven van de algen in mei zorgt voor een stabiele temperatuur, waar maart en april nog zorgen voor een flinke toename van de temperatuur.
Een vergelijkbare situatie is er in het najaar, waarin de temperatuurstoename in Duitsland ook fors is. De najaarsbloei van algen zorgt dan voor een toename van de dan optredende temperaturen. Maar er komt dan ook een andere factor om de hoek kijken. Door het gedwongen aanpassingen aan het landbouwbeleid van Europa (modernisering) heeft erosie gezorgd voor een klimaatcrisis op het Iberische schiereiland, waardoor de warme lucht van de Sahara op een snelweg naar West Europa is gezet.
Voor de opvallende stijging van de temperaturen in juni en december moet dan ook weer naar grootschalige fluctuaties van de Noord Atlantische Oscillatie (NAO) worden gekeken. In deze blog ben ik daar, voor de winterperiode, al uitgebreid op ingegaan. Samengevat:
De NAO-index is een heel nauwkeurige voorspeller van de Nederlandse winters. Een regressie analyse in Excel geeft een positieve correlatie van 0,53 met een p-waarde van: 1,62*10-6.
– Gewoonlijk hanteert men p=0,05 als grens van statistische significantie. Indien p≤0,05, dan is de kans dat het gevonden resultaat aan het toeval is te wijten (en we de nulhypothese ten onrechte verwerpen) kleiner of gelijk aan 5%, dit noemt men ‘statistisch significant’.-
Maar wat veroorzaakt dan de vreemde ontwikkeling van de NAO? Het ligt voor de hand en jarenlang is dan ook aangenomen dat atmosferische forceringen interacties over de Noord-Atlantische Oceaan bekken domineren, waardoor “het weer” SST-anomalieën genereert, door bijvoorbeeld turbulente warmtefluxen of afwijkende windbelasting.
Dat blijkt dus niet zo te zijn. In een artikel van Wang et al. (2004) kon aan de hand van statistische tests kan worden aangetoond dat juist de SST’s van de Golfstroom de grootte van de NAO bepalen.
En dan lijken de warme, zuurstofloze zones in de Atlantische Oceaan dus van groot belang.
Voor de maand juni geldt dat bij deze maand historisch gezien een Noordwestelijke stroming overheerste, die ervoor zorgde dat deze maand, relatief gezien, ten opzichte van de maanden mei, juli en augustus relatief koel was. Door de Sahara opmars is daar nu echter geen sprake meer van.
Fosfor
Zonder aan de betekenis van stikstof voor het leven af te willen doen; maar het is een element wat betrekkelijk veel voorkomt op Aarde. Zelfs atmosferische stikstof kan door verschillende organismen (blauwalgen, vlinderbloemigen) worden omgezet in voor het leven opneembare (en onmisbare) stikstofverbindingen.
Voor het even elementaire fosfor geldt echter een heel ander verhaal.
Fosfor (P) is een essentieel nutriënt voor al het leven op aarde, van micro-organismen en planten tot dieren en de mens. “Essentieel” in die zin dat er geen alternatief voor bestaat. Het is noodzakelijk voor de energiehuishouding in de cel en voor de opbouw van botten, membranen en genetisch materiaal (DNA en RNA).
Van nature is het fosfaatgehalte in de bodem erg laag en beperkend voor de plantengroei. Vóór de industriële revolutie was er voor een goede oogst steeds een fosfaatbemesting nodig, zoals sedimentatie bij overstromingen, door het weiden van vee en de daarmee geproduceerde mest, en door hergebruik van menselijke fecaliën. Bijna overal op aarde was fosfaat een beperkende factor voor plantengroei.
Dat was dus vóór de ontdekking van kunstmest.
Volgens het Ministerie van LNV (2009) vormde de externe toediening van fosfaat (en van andere meststoffen) één van de voorwaarden voor de bevolkingstoename van ca. 1 miljard mensen in 1850 naar de huidige 6,8 miljard [nu: 8,3 miljard, EJ]: “Deze factor was veel belangrijker dan de toename van het landbouwareaal.”
Cordell & White schreven in 2014 het artikel “Life’s Bottleneck: Sustaining the World’s Phosphorus for a Food Secure Future.” Hierin is de onderstaande grafiek te vinden die een beeld geeft van de fosfaatbemesting van de afgelopen 200 jaar.
De analyse van Cordell & White liep tot 2014. Vorig jaar (2025) ging het al over een winning van 250 miljoen fosfaaterts, wat dus overeen komt met ongeveer 31 miljoen ton fosfor. Ongeveer 80% hiervan wordt gebruikt als kunstmest, ongeveer 11-12% gaat naar de industrie, vooral voor de productie van wasmiddelen.
Uit een hiernaar uitgevoerd onderzoek van Alewall et al. uit 2020, bleek echter dat er sprake is van meer dan 50 procent van het globale fosforverlies in landbouwgrond te wijten is aan bodemerosie. Dit is het proces waarbij gronddeeltjes – met daarin fosfor – verdwijnen uit de grond, waardoor deze minder vruchtbaar wordt. De voornaamste oorzaak hierbij is het wegspoelen van deeltjes door regenval. Volgens het Ministerie van LNV wordt het mondiale verlies als gevolg van erosie wordt geschat op 20-30 Mt P per jaar, die neerslaat op de bodem van rivieren, meren, kustzeeën en oceanen.
Wanneer we hierbij nog de uitspoeling door (af)wasmiddelen bij optellen, dan zien we dat de fosfaatverliezen van landbouw en industrie vrij goed overeen komen met de huidige productie van fosfor uit fosfaaterts.
Dit geeft een aantal mooie bijeffecten, zie de onderstaande kaart waarin de ‘vergroening’ van de Aarde in de laatste decennia wordt weergegeven.
Maar helaas blijft dit fosfaat niet netjes op de landbodem liggen. Ik heb er al hierboven al vaker bij stilgestaan en het Amerikaanse National Minerals Information Center (USGS), geeft een mooie samenvatting:
“Voedingsstoffen zijn essentieel voor de plantengroei, maar een overschot ervan in het water kan schadelijke gevolgen hebben voor de gezondheid en het milieu. Een overschot aan voedingsstoffen – voornamelijk stikstof en fosfor – in het water zet een proces in gang dat eutrofiëring wordt genoemd. Algen voeden zich met deze stoffen, groeien en verspreiden zich, waardoor het water groen kleurt. Algenbloei kan een onaangename geur veroorzaken, zonlicht blokkeren en in sommige gevallen zelfs gifstoffen afgeven. Wanneer de algen afsterven, worden ze afgebroken door bacteriën; dit proces verbruikt de zuurstof die in het water is opgelost en die vissen en ander waterleven nodig hebben om te “ademen”. Als er te veel zuurstof wordt verbruikt, kan het water hypoxisch worden – een toestand waarin onvoldoende zuurstof aanwezig is om leven in stand te houden – waardoor een “dode zone” ontstaat.”
De omvang van het probleem is onlangs nog onderwerp geweest van een artikel in het vakblad “Limnology Oceanography (71, 2026): “Abundant interactions and feedbacks between aquatic deoxygenation and the other planetary boundaries suggest “unsafe” levels of oxygen loss with far-reaching impacts”.
Samengevat stelt men in dit artikel:
“Zuurstof is van cruciaal belang voor vrijwel al het leven op aarde, waaronder in het water levende soorten die opgeloste zuurstof opnemen in zowel zoetwater- als mariene ecosystemen. Het snelle, wereldwijde en door de mens veroorzaakte verlies van opgeloste zuurstof – bekend als ‘aquatische deoxygenatie’ – vormt een bedreiging voor het leven in deze milieus, voor de menselijke gemeenschappen die ervan afhankelijk zijn en voor de stabiliteit van het aardsysteem op de lange termijn. (…)
In dit artikel betogen wij dat het raamwerk van planetaire grenzen ook het behoud van aquatische ecosystemen – en daarmee de niveaus van opgeloste zuurstof – moet omvatten. We brengen belangrijke, en soms nog onvoldoende begrepen, wisselwerkingen en terugkoppelingsmechanismen in kaart tussen deoxygenatie en elk van de negen vastgestelde planetaire grenzen.
We constateren dat aquatische deoxygenatie een wisselwerking aangaat met andere grensprocessen – zoals klimaatverandering, nutriëntenbelasting, biodiversiteitsverlies en aerosolbelasting – en deze processen ingrijpend beïnvloedt. (…)
Gezien deze wisselwerkingen en het huidige tempo van zuurstofverlies stellen wij dat aquatische deoxygenatie zich richting een ‘onveilige ruimte’ beweegt, met gevolgen voor het aardsysteem die waarschijnlijk onomkeerbaar zijn binnen onze levensduur.”
Als U een een wat sensationeler en leesbaarder artikel over de gevaren van deoxygenatie voor het klimaat wilt lezen, wil ik u deze graag aanraden.
Niks lauwwarm, we moeten iets doen; maar iets van een volledig andere orde dan waartoe de huidige CO2-bestrijding toe verplicht. Ga aan de slag met het tegengaan van erosie! Vraag maar aan Allan Savory (zie link en link) hoe dat moet.