Lijkenpikkerij, of Requiem voor Angèle

Volgens Van Dale is de lijkenpikker iemand die profiteert van de dood of het ongeluk van een ander. Niet iets waar men zich als blogger nu gelijk op laat voorstaan, ware het niet dat de hoofdpersoon van deze blog zelf ook niet vies was van deze bezigheid.

De botsing tussen een windmolen bij Wieringerwerf en de lammergier (de zeer bedreigde, grootste roofvogel van Europa) met de fraaie naam Angèle, op 26 mei jl. had, zoals valt te verwachten, fatale gevolgen voor de laatste.

Ze was geboren op 28 februari 2020 in een dierentuin in Tsjechië en 90 dagen later werd ze losgelaten in een berggebied van Frankrijk, in de buurt van Grenoble. Eigenzinnig als ze was besloot ze om naar het Noorden te vertrekken. Na enkele weken boven de Veluwe vertoeft te hebben, trok ze naar zee, waar ze in de buurt van Wieringerwerf het zojuist gerealiseerde windmolenpark bezocht. De windmolens van Vattenfall met een tiphoogte (de masthoogte (118 meter) plus de helft van de rotordiameter) van 177 meter waren haar te machtig.
Niet zo heel gek als we weten dat moderne windturbines een maximale omwentelingssnelheid hebben van 20 tot 30 toeren per minuut. Wat dus in het geval van de windmolens in de Wieringerwerf een tipsnelheid van de rotorbladen van maximaal 667 km/h betekent.

Had de vogel niet kunnen uitkijken? Waarschijnlijk wel, maar het gevaar van de windmolens voor vliegende dieren bestaat niet alleen uit de tipsnelheid van de windmolens, maar ook uit de grote drukverschillen die optreden als gevolg van het draaien van de molens. De hierdoor optredende luchtturbulentie is iets waarmee de vliegers, maar ook de vrolijke pro windenergie schrijvers, eigenlijk geen rekening houden.

Nog maar in 2012 publiceerde Trouw een weblog met de geruststellende kop: “Windmolens geen vloek maar zegen voor vogels”, gevolgd door het bijschrift: “U kent ze ongetwijfeld, die verhalen over windmolens die gehaktmolens zijn voor vogels. Maar de realiteit is geheel anders. Windmolens zijn een zegen voor wat vliegt en piept.”

Geïnspireerd door een serie onderzoeken die Mike Bernard in “RenuwEconomy” blijkbaar had geschreven, wordt opgemerkt: “Als je de vogelsterfte door windmolens vergelijkt met de vogelsterfte die het gevolg is van fossiele energie, dan wil je alleen nog maar windergie. Alle fossiele-energiecentrales vervangen door windparken zou per jaar 70 miljoen vogellevens sparen!”

Slechts 150.000 vogels per jaar zouden het leven laten door windmolens volgens Bernard. Relatief weinig, wanneer we weten dat er in Nederland in 2018 ongeveer 6.500 windmolens staan, waarmee gemiddeld 20 vogels per jaar in aanraking komen, 130.000 stuks alleen in Nederland. De rest van de wereld doet het blijkbaar beduidend beter.

Uit het artikel wordt helaas niet duidelijk waar die enorme winst in vogellevens dan precies vandaan zou moeten komen, maar het gegeven dat er een studie is ontdekt waaruit blijkt dat het allemaal nogal meevalt, is blijkbaar genoeg om een artikel voor Trouw te kunnen schrijven.

Trouw was echter ook de eerste grote krant die de aandacht vestigde op de gevaren van windmolens voor vleermuizen (augustus 2012):
“Hoewel er steeds meer parken worden gebouwd en vleermuizen beschermd zijn door allerlei wetten, is nauwelijks bekend óf en hoeveel vleermuizen het leven laten door windturbines, vertelt Sjoerd Dirksen, adjunct-directeur van Bureau Waardenburg. 

“Blijkbaar ging iedereen ervan uit dat vleermuizen met hun fabelachtig efficiënte echolocatie feilloos de bladen van de windturbines zouden kunnen ontwijken. Met dit zeer gevoelige radarsysteem kunnen de dieren vliegende insecten perfect lokaliseren, dus dan moet zo’n tientallen vierkante meter groot rotorblad toch geen probleem zijn.”

Daar komt bij, dat onderzoek naar dode vogels (dat wel veelvuldig wordt uitgevoerd), meestal in seizoenen plaatsvindt waarin de vleermuizen in kraamkolonies overblijven of in winterslaap zijn. Bij recent onderzoek in Duitsland en Amerika bleek dat er wel degelijk vleermuizen sneuvelen. “Onder de molens werden in de loop van een jaar soms tientallen dode vleermuizen gevonden. Het merendeel was uiterlijk intact, maar wel dood. Ze vlogen dus meestal niet tegen de bladen aan, maar sneuvelden door een tot dan toe onbekend fenomeen: barotrauma.”

Door het draaien van de bladen ontstaat er rondom de rotorbladen een gebied met enorme onderdruk. De vleermuizen komen in die onderdruk terecht en imploderen. Hun organen klappen (gruwelijk genoeg) in één keer uit elkaar. “Inwendig waren de vleermuizen een puinhoop”, schetst Dirksen.”

Het was de studie bij de Moutaineer Wind Energy Center in West Virginia uit 2004, door Kerns en Kerlinger, die alarmbellen deed afgaan bij de Amerikaanse vleermuisbeschermers. Naast de 178 dode vogels zorgden de 44 windmolens ter plaatse ook voor 475 vleermuiskarkassen, wat bij een “detection probability” van 0,276, betekent dat er ongeveer 1780 “vleermuisongevallen” moeten hebben plaats gevonden.

Nu zijn de windmolens in West Virginia vergeleken met de nieuwe Vattenval turbines nog kleintjes. Het ging hier om NEG Micon NM 72C/1500 turbines, diameter van de rotorbladen is bij dit type 72 meter, met een maximale tipsnelheid van 65 m/s (235 km/h).

De schatting van jaarlijkse aantal dodelijke botsingen van vleermuizen met windturbines in de Verenigde Staten varieerde in 2012 tussen 600.000 (Hayes 2013) tot 888.000 vleermuizen (Smallwood 2013). In 2020 (Smallwood et al, 2020) lagen de schattingen, op basis van onderzoek met honden, al boven de 3 miljoen exemplaren per jaar. Het vinden van dode vleermuislijkjes is behoorlijk lastig, honden blijken hier veel beter in te zijn.
Eind 2020 hadden de VS ongeveer 60.000 windturbines, wat dus 50 dodelijke vleermuisongelukken per jaar per windturbine betekent.
Het Amerikaanse onderzoek had ook Duitse onderzoekers gealarmeerd en hier kwam men tot soortgelijke bevindingen als hun Amerikaanse collega’s. In 2016 waren volgens “Der Spiegel” meer dan 250.000 vleermuizen het slachtoffer geworden van de meer als 26.000 Windrädern in Deutschland, wat dus goed overeen komt met de toenmalige schattingen in de Verenigde Staten. Onderzoeken met honden zijn voor zover bekend hier nog niet uitgevoerd.

In Nederland vroeg Waardenburg, toch een van de grootste onderzoeksbureaus van Nederland, zich blijkbaar nog af “óf en hoeveel vleermuizen het leven laten door windturbines”.
Maar goed. Dirksen, adjunct-directeur van Bureau Waardenburg, heeft daarvoor ook een goede verklaring: “Zomaar de buitenlandse resultaten overnemen kan niet. De vleermuissoorten komen wel grotendeels overeen, maar ons landschap is niet overal vergelijkbaar met dat in Duitsland.”

Vogelbeschermer Hans Pohlmann (hier op de foto samen met Angèle) hoefde niet overtuigd te worden volgens het AD:

“Dinsdagavond (25 mei) checkte Pohlmann nog de verblijfplaats van de onze lammergier Angèle, die was voorzien van een GPS-tracker: ,,Ik zag dat hij aan het slapen was in de kop van Noord-Holland. Toen vielen al die windmolens op de kaart wel op, ja. Omdat hij binnen een paar honderd meter van een windpark zat, belde ik meteen even of ze die turbines stil konden zetten.” Voor de vogelkenner was het daarom extra zuur dat Angèle in een windmolenpark iets verderop alsnog doodging. ,,En die had ik nou net niet gebeld.”

Het is niet alleen zuur voor Hans Pohlmann. Bij het lezen van dit artikel vroeg ik me wel af of hij het park ook belde voor de aanwezigheid van kleinere vogels als spreeuwen, grutto’s, lepelaars, bruine kiekendief, ooievaars, visdiefjes of zeearenden.

Het is de vogelgroep die bestudeerd werd door de WUR-onderzoeksgroep van Peter Schippers (WUR, 2020), waarin hij tot de conclusie komt dat het hanteren van Potential Biological Removal (PBR)-normen, geen recht doet aan de ecologische impact van windmolens. Met de PBR-normen doorstaan de windmolens in Nederland, ingefluisterd door hiervoor goed betaalde ecologische adviesbureaus, meestal probleemloos de juridische toets.

De PBR-norm komt hier op neer, dat het acceptabel wordt gevonden dat er een aantal beschermde diersoorten ten offer valt aan een maatschappelijk gewenste ontwikkeling. Bij de aanleg van een weg door een natuurgebied moet er rekening mee worden gehouden dat een aantal dieren ten offer valt aan voortrazende wagens. Zo ook moeten er dus ook offers worden gebracht voor de de duurzame energietransitie van fossiel naar windenergie.

Schippers et al. geven in hun onderzoek onder meer aan, dat de PBR weliswaar wordt gezien als een invulling van de “herstelfactor”, die een veiligheidsmarge biedt voor de soortkwetsbaarheid. Maar daarbij zit wel een spreekwoordelijke adder onder het gras:

“In populaties die sterk beperkt door dichtheidsafhankelijkheid, kan het verlies van een individu worden gecompenseerd door de toegenomen fitheid van de rest van de individuen in de bevolking, bijvoorbeeld door een toename van de gemiddelde kwaliteit van het territorium (Matthysen, 1990) of voedselbeschikbaarheid voor een individu (Martin, 1987).
Langlevende soorten met lage reproductieve percentages zijn echter waarschijnlijk gevoeliger voor een toename van de sterfte onder volwassenen en minder in staat om te compenseren door reproductie te verhogen (Saether & Bakke, 2000), wat verklaart waarom zelfs lage aanvaringspercentages aanzienlijk kunnen bijdragen aan bevolkingsafname of demografische veranderingen in verschillende langlevende soorten (Schaub, 2012).

De sterftedrempels die gewoonlijk worden gebruikt om het verwachte effect van windturbines op lokale vogelpopulaties te evalueren, zijn handig voor besluitvormers omdat ze een schijnbaar wetenschappelijk onderbouwde en duidelijke methode om vast te stellen of schade aan de integriteit van een populatie wel of niet zal plaatsvinden. Er zijn echter recentelijk vragen gerezen over de geldigheid van het gebruik ervan (Groen, et al. 2016; Horswill, 2017).
Dergelijke vragen hebben betrekking op de algemene toepasbaarheid van de drempelbeoordelingen, met name hun onzekerheid met betrekking tot het voorspellen van de effecten van extra sterfte op soorten met verschillende levensgeschiedenisstrategieën, evenals de cumulatieve effecten van windturbinebotsingen op populatieontwikkelingen.

Een belangrijke kritiek van Green et al. (2016), die ondersteund werd door de conclusies van Horswill et al. (2017), was dat de veronderstelde dichtheidsafhankelijke processen die op vogelpopulaties werken, zeer onzeker zijn, en kunnen leiden tot misleidende conclusies over de impact van extra sterfte wanneer aan de gemaakte veronderstellingen niet wordt voldaan (zie ook: O’Brien, et al. 2017).”

Het resultaat van het onderzoek van Schippers ten aanzien van de “gangbare sterftedrempels” was ontluisterend:
“1% extra sterfte boven natuurlijke sterfte vermindert de populatiegrootte in 10 jaar tussen 2% en 3% bij de Grutto, Bruine Kiekendief, Lepelaar, Ooievaar en Zeearend, met 5% bij het Visdiefje, en met 10%-24% bij de bestudeerde Spreeuwenpopulatie (afhankelijk van de gemiddelde populatiegroei).
Vijf procent extra sterfte verminderde de populatieomvang in 10 jaar met 9%–68%, met Spreeuw opnieuw de zwaarst getroffen soort.”

Een praktisch voorbeeld. De Gelderlander meldt (onder de kop: Kunnen vleermuizen echt de bouw van windmolens blokkeren? ‘Er bestaat een oplossing voor’) op 5 maart 2020, het volgende:

“Steenfabriek Caprice wil bij Angeren twee windturbines met een tiphoogte van 240 meter [de molens in Wieringerwerf waren 177 meter, EJ] bouwen. In het gebied rondom de steenfabriek leven ongeveer 20.000 dwergvleermuizen, waarvan er jaarlijks 4000 sterven. De twee Angerdense molens mogen per jaar 40 slachtoffers maken. Het ingeschakelde ecologische bureau komt in de door haar geschreven milieueffectrapportage tot [een door haar berekend aantal] van 7 vleermuisslachtoffers per jaar.”

Dat moet dus kunnen…
Nu ligt Caprice in Natura 2000 gebied Rijntakken, op ongeveer 8,35 km van de Duitse grens. Een vogelrichtlijngebied.
Maar we mogen dus geloven dat de windmolens in Nederland, ook de Angerdense reuzen, waarvan de tipsnelheid gevaarlijk dicht bij de snelheid van het geluid komt, het blijkbaar beduidend beter doen dan hun Amerikaanse en Duitse collega’s. “Ons landschap is immers  niet overal vergelijkbaar met dat in Duitsland”.

We mogen in ieder geval concluderen dat er voor verdwaalde  Lammergieren in Nederland weinig hoop op overleving bestaat. Naast de hier gangbare tipsnelheden van rotorbladen en de hierdoor optredende turbulentie, zijn windmolenparken blijkbaar ook nog ‘The place to be’ als lijkenpikker. Dit zal zo ongeveer gelijk staan aan een PBR van ongeveer 75%? (misschien bestaan er ook vegetarische gieren?)

Opvallend is dat de Raad van State, die bij andere “milieuzaken” het voortouw neemt om gewijzigde wetenschappelijke inzichten te verwerken tot nieuwe jurisprudentie, tot dusverre “gewoon” blijft toetsen aan de PBR-norm.
Maar toch zou het zuur zijn wanneer de “nieuwe natuur”, wanneer zij eindelijk bevrijd zou zijn van stikstof-depositie, eveneens bevrijd zou zijn van bewoners van de heerlijke nieuwe vogelrichtlijn gebieden.

Geef een antwoord