Over ervaring en de deskundigheid

In mijn vorige blog over de PBL-plannen gaf ik al aan dat ik me zorgen maak over de steeds grotere afhankelijkheid van de politiek/ ’s landsbestuur, ten opzichte van specialistische deskundigen.
Hierbij wordt de m.i. nogal naïeve leer aangehangen dat de adviseurs zelf geen belang hebben bij de uitkomst van het vraagstuk waarover zij worden gevraagd om op te reageren.
Dit gaat dus voorbij aan kwesties als inkomen, concurrentie, persoonlijke ideeën over hoe de wereld in elkaar steekt en de, vaak maar al te duidelijke, wenselijke uitkomst van het gevraagde advies.

Echt zorgwekkend wordt het echter wanneer de inhoudelijke deskundigheid van de adviesvrager, om rapporten te kunnen beoordelen, verdwijnt. Dit kan uitstekend worden geïllustreerd aan de hand van het meest recente stikstofrapport, wat op 11 juni jl door Minister Scholten naar de tweede kamer werd gestuurd.
Over dit rapport “Relaties tussen de hoeveelheid stikstofdepositie en de kwaliteit van habitattypen” schrijft ze:
“Dit rapport is op verzoek van mijn ministerie opgesteld door Wageningen Environmental Research (WUR) en Onderzoekcentrum B-Ware. Toezending van het rapport is onder andere aangekondigd in de beantwoording van schriftelijke vragen van het lid Vestering (PvdD) op 28 mei jl. (2021D20476)

Voor dit moment worden er aan het toegestuurde rapport geen beleidsconsequenties verbonden, omdat het rapport primair is gericht op het vergroten van inzicht in de relatie tussen de mate van KDW-overschrijding en de kwaliteit van habitattypen en zelf ook geen beleidsaanbevelingen bevat.

Tegelijkertijd geven de resultaten wel aan dat het belang van het nemen van bron- en herstelmaatregelen groot is. Daar is het huidige beleid ook op gericht.

Voor het inhoudelijke vervolg kan het volgende worden opgemerkt. Het aantal dosis-effectrelaties dat kon worden opgesteld op basis van empirisch onderzoek is beperkt door gebrek aan beschikbare studies. Deze resultaten zijn echter inhoudelijk goed bruikbaar voor het beleid en het natuurbeheer. Verbreding naar andere habitattypen zal moeten plaatsvinden door nader onderzoek.”

Het rapport werd opgesteld door de ‘fine fleur’ van het stikstofonderzoek van Nederland: G.W.W. Wamelink, P.W. Goedhart, H.D. Roelofsen, R. Bobbink, M. Posch, H.F. van Dobben & Data providers. Het stuk werd vervolgens nog gereviewd door: Prof Dr. W. de Vries; Ir. F. van der Zee; Ir. T. Hermans en akkoord voor publicatie bevonden door Dr. J.C. de Jong, Biodiversiteit & Beleid.

Wie zit er dan nog te wachten op het oordeel van Jaco Geurts?

Relaties tussen de hoeveelheid stikstofdepositie en de kwaliteit van habitattypen

Eigenlijk is te verwachten dat het merendeel van de lezers al bij het lezen van de namen van auteurs, reviewers en hun titels afhaakt.
Maar omdat de resultaten blijkbaar “inhoudelijk goed bruikbaar zijn voor het beleid en het natuurbeheer”, heb ik toch even de moeite genomen. Dat stikstof zo’n invloed heeft op de natuur, dat had ik immers niet verwacht…

In het onderzoek zijn onder meer de volgende teksten te vinden:

 “De onderzoekers hebben op twee manieren de relatie tussen stikstofdepositie en de effecten op natuur bepaald. De eerste methode is gebaseerd op veldonderzoek in gebieden met hetzelfde habitattype, maar een verschillende stikstofdepositie. De kwaliteit van het habitattype is bij deze methode afgezet tegen een gradiënt van stikstofdepositie: van natuurlijke depositie tot zeer hoge depositiewaarden. De gegevens zijn afkomstig uit onderzoek dat is uitgevoerd in meerdere Europese landen. Het aantal beschikbare studies was beperkt, maar ging wel over verschillende soorten landschappen, zoals hoogveen, grasland en bos.

Voor 8 van de 61 stikstofgevoelige habitattypen die in Nederland voorkomen, was er voldoende informatie om iets te kunnen zeggen over de effecten van toenemende stikstofdepositie op de natuurkwaliteit.

Omdat de veldstudies informatie geven over een beperkt aantal habitattypen, is daarnaast verkend in hoeverre dosis-effectrelaties voor álle habitattypen kunnen worden bepaald. Dit is gedaan op basis van statistische relaties tussen de kans dat een bepaalde plantensoort ergens voorkomt en de hoeveelheid stikstof die ter plekke neerslaat. Dit leverde een zogenaamde responscurve op voor vrijwel alle 61 stikstofgevoelige habitattypen.” (zie: https://www.wur.nl/nl/nieuws/het-effect-van-stikstofdepositie-op-de-natuurkwaliteit-in-nederland.htm)

Mijn eerste vraag is dan uiteraard; welke habitats zijn onderzocht?
Het bleek te gaan over droge duingraslanden (grijze duinen), droge heiden, kalkgraslanden, heideschrale graslanden, montane graslanden (???), hoogvenen en Atlantische eikenbossen (habitatype H 91A0, de oude ‘native’ eikenbossen (old sessile oak woods) die alleen voorkomen op de Britse eilanden (???)).

Een bonte verzameling waarvan dus de Montane graslanden en Atlantische eikenbossen helemaal niet in Nederland voorkomen, omdat Nederland klimatologisch nu eenmaal niet lijkt op Zwitserland en de westkust van de Britse eilanden.
Bovendien had de ontstaansgeschiedenis van de habitats niet meer verschillend kunnen zijn.

In het ene geval (de alpenweiden, old sessile oak woods) gaat het om natuurlijke landschappen, die passen bij het klimaat en a-biotische omstandigheden van het gebied waar deze natuur voorkomt (zie onderstaande foto van een Old sessile oak wood),
In het andere geval (Nederland) gaat het om niet langer rendabele stukken landbouwgrond, of grond die anderszins ten behoeve van land- en bosbouw is gebruikt, maar door verwaarlozing ‘natuur’ is geworden.

Uit het rapport kan worden opgemaakt dat deze studies zijn toch maar zijn opgenomen, omdat er studies van bekend waren en tsja, die Atlantische eikenbossen van de Britse eilanden zijn toch nauw verwant aan de Oude eikenbossen die ook in Nederland voorkomen?
Dezelfde redenering geldt volgens de auteurs ook voor de montane graslanden (die voorkomen in de hoge zone van bergstreken, en die in Zwitserland nader zijn bestudeerd (wij kennen ze alleen van de Milka reclame)).
Volgens de onderzoekers zijn die alpenweiden echter nauw verwant aan de Glanshaver en vossenstraat hooilanden, waarvan dus weer geen studie bekend is…
Voor degenen die hier nog serieus een zaak van willen maken verwijs ik graag naar mijn webpagina Achterstikstof; paragraaf: ‘de verschillende habitats’, of het verschil tussen natuur- en halfnatuurlijke landschappen (zie link).

Goed, we houden over: droge duingraslanden, droge heiden, kalk- en heideschrale graslanden en hoogvenen.

Droge duingraslanden, kalk- en heideschrale graslanden én heide zijn ook weer cultuurlandschappen, in Nederland op zijn best halfnatuur en deze gebieden vallen om die reden ook gewoon af als graadmeter voor stikstofgevoeligheid in Nederland. Halfnatuur moet onderhouden worden om tot ontwikkeling te komen en zolang staatsbosbeheer niet het geld heeft, of tot zijn beschikking krijgt, om deze zeldzame natuur op een goede manier te beheren, kun je stikstof reduceren tot je een ons weegt, maar helpen gaat dat niet.

Blijft over: Hoogveen

Voor hoogveen werden zelfs twee gradiënt-studies gevonden: “één uit het Verenigd Koninkrijk en één uit Noorwegen.”

De studie uit het Verenigd Koninkrijk had betrekking op 29 locaties verspreid over Engeland, Wales en Schotland. Er werden in 2009 vegetatiebeschrijvingen gemaakt in vijf 2x2m proefvlakken per locatie, waarvan de gemiddelde gegevens per locatie in de analyse zijn gebruikt.

Zowel de bedekking als het voorkomen van vaatplanten, mossen (exclusief levermossen) en korstmossen is onderzocht. De gemiddelde stikstofdepositie (2004-2006) per locatie werd verkregen uit de 5x5km-modellering voor het Verenigd Koninkrijk volgens het Concentration Based Estimated Deposition-model (CBED; Levy et al., 2020). De bandbreedte van de gradiënt in stikstofdepositie liep van 5,9 tot 30,9 kg N/ha/j.

In het onderzoek voor de Tweede Kamer lezen we dan:

“In de oorspronkelijke publicatie werd een zwakke, maar net significante negatieve correlatie gevonden tussen de stikstofdepositie en het totaal soortenaantal per proefvlak (Field et al., 2014). Na onderverdeling van de locaties in groepen per klasse van 5 kg N/ha/j. blijft hier maar weinig van over: er werd geen significant verband aangetoond tussen de soortenrijkdom en verschillende depositieniveaus (Figuur 17), met name omdat de locaties met een depositie in de klasse 10-15 kg N/ha/j. een onverklaarbaar laag aantal soorten bevatte én omdat de klasse vanaf 25 kg N/ha/j. slechts 3 locaties omvatte. Wel was de bedekking van grassoorten positief gecorreleerd met de stikstofdepositie. Tevens veranderde de soortensamenstelling met een hogere depositie: er was een toename te zien van Eriophorum vaginatum (eenarig wollegras) en Sphagnum fimbriatum (gewimperd veenmos, een soort van voedselrijkere of verstoorde omstandigheden), maar juist minder Cladonia portentosa (open rendiermos) (Field et al., 2014).”

In een voetnoot van het stuk wordt dan nog opgemerkt:

“In de oorspronkelijke publicatie wordt er wel op gewezen dat verdroging een dominantere rol kán spelen bij de afname van soorten dan stikstof. Een verklaring van het lagere aantal soorten in de klasse 10-15 kg N/ha/j. kan dus zijn dat op de locaties uit die klasse relatief vaak sprake was van verdroging. Het betrekkelijk geringe aantal locaties per klasse maakt de dosis-effectrelatie voor stikstof gevoelig voor dit soort storende factoren (‘confounding factors’).”

Ik heb dit stukje een aantal keren opnieuw moeten lezen. Er staat dus echt:
“Tevens veranderde de soortensamenstelling met een hogere depositie: er was een toename te zien van Eriophorum vaginatum (eenarig wollegras) en Sphagnum fimbriatum (gewimperd veenmos, een soort van voedselrijkere of verstoorde omstandigheden), maar juist minder Cladonia portentosa (open rendiermos)”

Voor de ongeoefende lezer biedt dit opluchting en herkenning. Net zoals bij de andere natuurgebieden worden de vervelende soorten dominanter en sterven de zeldzame soorten uit. Alleen is ‘Eenarig wollegras’ juist wel een van de kensoorten van het prioritaire habitat-type Hoogveen, terwijl het korstmos “Cladonia portentosa” (rendiermos) van nature voorkomt in de binnenduinen, heide en stuifzanden (die overigens ook door Field werden bestudeerd).

Wat hebben Field en zijn onderzoeksteam nu eigenlijk gevonden?
Nieuwsgierig geworden heb ik de publicatie van Fields et al. (waar al deze informatie is uitgehaald) er maar eens bijgehaald (lang leve Researchgate.net): “The Role of Nitrogen Deposition in Widespread Plant Community Change Across Semi-natural Habitats”, door Fields et al. 2014.

En als je dan de twee teksten vergelijkt, dan klopt er toch iets niet. In het rapport voor de Tweede Kamer wordt dus verstopt in een voetnoot opgemerkt dat volgens Field: “verdroging een dominantere rol kán spelen bij de afname van soorten dan stikstof.”

Dat is niet helemaal wat er wordt gezegd in het onderzoek van Field. Er wordt opgemerkt:
“the compositions of acid grassland and upland heath (=heide) communities are most strongly related to nitrogen deposition. Species composition of bog (=hoogveen) habitats is most strongly related to acid deposition levels and hydrology…” (p.872)

En dat wordt, om ieder misverstand hierover te voorkomen misschien, ook nog nader uitgewerkt: “In the bog habitat, hydrology was the only factor that explained significant change in Sphagnum moss (= veenmos = de basis van veengrond) cover.”

Of ook:
“In bogs, the lower proportional reduction in species richness with increasing N deposition (Figure 2A) may reflect the importance of hydrology, which was found to be a stronger driver of change in species composition than N. Species in waterlogged hollows and lawns may be less sensitive to pollutant deposition, because in these microsites hydrology plays a strong role in plant community responses, and colonization by graminoid or shrub species that could take advantage of enhanced nutrient levels is reduced due to a high water table (Blodau 2002; Limpens and others 2003).”

Dat is toch wat anders dan in het Nederlandse onderzoek is aangegeven…
Effecten op de vegetatiesamenstelling worden in het onderzoek van Field inderdaad ook wel aangehaald, maar dan gaat het over de “drier hummocks”, de hoger en droger gelegen heuvelachtige gedeelten van het hoogveen.

Het tweede hoogveen- onderzoek betrof de ongerepte natuur in Noorwegen met een neerslag van 1300-2500 mm/jaar. Hierbij werden stikstofdeposities tot 2,7 kg/ha/jaar gevonden. Voor dit onderzoek geldt eigenlijk hetzelfde als wat moet worden opgemerkt over de studies naar de montane graslanden en Atlantische eikenbossen.

Wanneer de hydrologische omstandigheden zo’n belangrijke rol spelen bij de ontwikkeling van hoogveen, dan heeft de Noorweegse situatie (bij 1300-2500 mm neerslag per jaar) wel heel weinig uit te staan met het hoogveen in de Nederlandse omstandigheden…

Andere data over hoogveen

Bovendien is Field niet de enige die het verband tussen hydrologische omstandigheden en hoogveengroei/ herstel heeft opgemerkt. In de studie Ontwikkelingen en herstel van hoogveensystemen, Schouwenaars et al. (op de site al eerder aan de orde geweest, zie link):

“Vooralsnog is er dus geen enkel bewijs dat deze in Nederland voorkomende hoge atmosferische depositie hoogveenherstel onmogelijk maakt. Wel kan het tot gevolg hebben dat de kenmerkende soorten uit de oorspronkelijk hoogvenen (die hierboven als referentie genoemd zijn) onder de huidige belasting niet kunnen (blijven) voorkomen. Voor hoogvenen geldt dat met name de veenmossen een functionele rol hebben in de hoogveenvorming; die rol zal wellicht ook door veenmossoorten met een hogere tolerantie ten aanzien van atmosferische depositie vervuld kunnen worden.”

Een andere bron is het Alterra-rapport 2225 “Hoogveen en klimaatverandering in Nederland” (2011). Hier zijn de volgende teksten opgenomen:

“De stand van zaken is dat ook in gebieden waar geen hydrologische herstelmaatregelen zijn uitgevoerd, een kwaliteitsverbetering wordt geconstateerd, waarschijnlijk door de afgenomen zwavel- en stikstofdepositie en door de toegenomen hoeveelheid neerslag. Overal waar het gelukt is om gunstige hydrologische condities te realiseren, verloopt het herstel van veenvormende processen goed.
De benodigde stabiele hoge waterstanden worden veelal bereikt door hydrologische compartimentering en maatregelen in de omgeving. Verder is de laatste 10-15 jaar sprake van stabilisatie of zelfs een overwegend positieve trend in de populaties van de kenmerkende hoogveenflora en –fauna. Voor de instandhouding en ontwikkeling van hoogveen zijn het neerslagoverschot, de temperatuur en de positie in het landschap belangrijk. Gunstige ontwikkelingen doen zich voor in gebieden waar het (actieve) hoogveen water uit zijn omgeving ontvangt. Hier kan een vermindering van het neerslagoverschot worden gecompenseerd door toevoer van lokaal grondwater.”

Ten slotte

Voor mij blijft de vraag staan: Wat beweegt de stikstofdeskundigen?.
De hierboven opgesomde informatie moet de auteurs ook niet onbekend zijn. De vraag is dan wel: hoe kan een leger aan (op dit vakgebied zeer ervaren) ingenieurs, biologen en professoren een rapport produceren waarin simpelweg wordt geconcludeerd dat:
a) de natuurlijke habitats van Ierland, Zwitserland en Noorwegen heel erg vergelijkbaar zijn met de half-natuurlijke habitats die in Nederland kunnen worden gevonden.

b) hoogveen pas tot ontplooiing komt bij stikstofdeposities die lager zijn dan 5 kg/ha/jaar. Waarbij dan ook nog de meest essentiële informatie over veenvorming wordt achterhouden, zoals het gegeven dat hydrologie de enige factor is die significante veranderingen van veenmosgroei kan verklaren. Of dat de hoge grondwaterstand van veen als buffer werkt tegen kolonisatie door andere vegetatie.

Wat beweegt de deskundigen? Natuurlijk, een van de auteurs is ook de auteur van de stikstof-litanie die in deze link is weergegeven. Je kunt dan de vraag stellen of de wetenschappers in kwestie wel helemaal objectief zijn. Maar dat is dus altijd de vraag wanneer blind op het nogal abstracte criterium “wetenschappelijke deskundigheid” wordt vertrouwd.

Het bovenstaande voorbeeld is in die zin natuurlijk van belang, gelet op het grote aantal deskundigen dat hierbij betrokken is geweest, en natuurlijk omdat het van recente datum is. Ik had natuurlijk ook andere onderzoeken als voorbeeld kunnen aanhalen.
Maar hoogtepunt in dit genre vind ik toch nog steeds: “Verkenning Biogene Stikstofemissies”, met een erratum d.d. 16 maart 2020. Een onderzoek van het RIVM in opdracht van de Tweede Kamer. (hier uitgebreider beschreven).

Een korte samenvatting: In Nederland overwinteren tot wel 2 miljoen ganzen per jaar. In een bijdrage voor ‘Andere tijden’ vroeg Rypke Zijmaker aandacht voor de mogelijke stikstof-schade door deze dieren op onze natuurgebieden.
Dit dus tegen de achtergrond van het gegeven dat een groep van 10.000 ganzen die een Natura-2000 gebied bezoekt, ongeveer 1,09 ton stikstof deponeert, per dag. Voor alle duidelijkheid; dat is ongeveer 150 miljoen maal de grenswaarde voor vergunningverlening per jaar!

De standaardreflex van de politiek is dan dus om naar de deskundigen te gaan om advies inzake deze kwestie te verkrijgen.
Geheel conform de opdracht van de Tweede Kamer werd door de belangrijkste bij het RIVM in dienst zijnde stikstofdeskundigen (Bleeker, Wichink-Kruit en Van Zanten) berekend dat slechts 1,5% van de ammoniak-emissie werd bijgedragen door “wilde dieren”.

En hiermee was de kwestie afgedaan voor de politiek! Op de een of ander manier is dus blijkbaar helemaal niet duidelijk dat de schade die ammoniak veroorzaakt de depositie van stikstof is. En bovendien dat de (relatief beperkte (ongeveer 5% van de totale stikstof volgens het bovengenoemde rapport)) emissie van ammoniak uit de ganzenpoep, in dit geval, de enige stikstof van de ganzenmest is die mogelijk niet op het natuurgebied terecht komt!

Het is natuurlijk lastig beslissingen te nemen als de voorlichting op deze manier verloopt. Het is dan wellicht toch wel goed om als politieke partij wat inhoudelijke kennis achter de hand te houden. Eigenlijk ben ik er dan ook wel voor om opzettelijke misleiding in een wetenschappelijke rapportage gewoon strafbaar te stellen.
En laten we wel wezen. Ik rij ook wel eens te hard op de snelweg, maar alleen als de pakkans zeer gering is. Maar ik ben bang dat de ‘deskundigen’ al ontdekt hebben dat de Tweede Kamer inmiddels een veilig stukje snelweg is geworden…

Misschien toch weer een andere functie voor Jaco?

Geef een antwoord