Stikstofpolarisatie

Het is nog niet zo lang geleden dat Prof. Dr. Arthur Petersen van het Kabinet Schoof de vraag kreeg om het rapport van Prof. Dr. Ronald Meesters: “De illusie van een betrouwbare stikstof-modelwerkelijkheid” te reviewen. Op 14 oktober vorig jaar produceerde hij een rapport over het stuk van Meesters, waarin hij, naast een aantal kritiekpunten, ook te kennen geeft zich te kunnen vinden in de ingenomen standpunten van Meesters.

Misschien niet zo vreemd, beide Prof. Dr.-en hebben zich in woord en geschrift vaker kritisch uitgelaten over het Nederlandse stikstofbeleid. De opdrachtgevende BBB-ministers hadden blijkbaar de hoop nog niet opgegeven om de Nederlandse stikstofbaas (de Raad van State dus) met redelijke, hoog-geleerde argumenten, te overtuigen om de huidige koers te verlaten.

Nou ja, u weet hoe het gelopen is. Beide rapporten zitten nu in een diep archief verstopt en de kans dat een politicus de discussie tussen Petersen en Meesters nog eens gaat afstoffen lijkt minimaal.

De stikstofwijsheid van D66 fractievoorzitter Jan Paternotte (de grootste politieke partij van Nederland, al sinds jaar en dag groener dan groen-links), onlangs door Geesje Rotgers geciteerd, kan dit aardig illustreren. Op 25 februari 2026 wist Jan Paternotte heus wel hoe het allemaal zat met het stikstofprobleem: ‘Als je te veel stikstof hebt, verzuurt de bodem gigantisch. Dan wordt die op een gegeven moment zuurder dan cola, en dan zijn er maar heel weinig soorten die kunnen overleven, maar brandnetels en bramen doen het dan uitstekend.’

Er is een kort stukje uit de review van Petersen wat me hierbij toepasselijk lijkt. Het gaat over verantwoordelijkheid, wat Meesters blijkbaar nogal hoog zit:

Meester concludeert: “Wetenschappers horen te interveniëren als hun resultaten incorrect geïnterpreteerd of zelfs misbruikt worden. Dat interveniëren gebeurt in dit discours te weinig of zelfs helemaal niet” (p. 3).

En de altijd nuchtere Petersen gaat hierin mee:

“Dit onderschrijf ik, ook voor berekeningen over de (verhoogde) rekenkundige ondergrens – zie paragraaf 3.”

Er werken bij het ministerie van LVVN (volgens Grok) 120 mensen full-time aan het stikstofdossier: “Het werkelijke aantal mensen dat binnen de overheid aan stikstof werkt is echter veel groter vanwege de volgende factoren:

– Interdepartementale samenwerking: Omdat de stikstofproblematiek ook grote impact heeft op de woningbouw, infrastructuur en industrie, werken er daarnaast tientallen ambtenaren aan dit dossier bij de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en Infrastructuur en Waterstaat (I&W).

– Uitvoering en advies: Buiten de directe beleidsambtenaren op het ministerie zijn er honderden medewerkers bij semi-overheidsinstanties en uitvoeringsorganisaties (zoals BIJ12, de RVO, het RIVM en het Planbureau voor de Leefomgeving) dagelijks druk met de berekeningen, vergunningverlening en de praktische uitvoering van het stikstofbeleid.”

Blijkbaar was geen van de betrokken wetenschappelijk geschoolde ambtenaren op de hoogte van het feit dat brandnetels en bramen het vooral goed doen op voedselrijke gronden en dat juist de bemestende werking van stikstof klaarblijkelijk het probleem van stikstof zou zijn.
Of misschien was het zo dat Paternotte een dergelijk advies (terecht) sowieso niet nodig achtte? Was er iemand in de zaal die het beter wist?

Het delen van gegevens

De inhoudelijke stikstofdiscussie wordt in Nederland niet gevoerd en daar is ook een belangrijke reden voor. Degenen die hem (op niveau) zouden kunnen voeren, hebben daar helemaal geen zin in.

Geesje Rotgers heeft wat dat betreft een dapper poging gedaan om aan de bel te trekken. Ze vond het (ook in het licht van de uitspraken van Paternotte) wel heel merkwaardig dat er helemaal geen gelegenheid is om de officiële Nederlandse natuur-databases in te zien om te kijken of de claim van Paternotte, (maar ook van WNF, Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer, etc.) dat er zoveel verbrandneteling en verbraming plaats vond, wel klopte.

Het bleek dus niet mogelijk, Roters schrijft:

“De gezamenlijke provincies richtten eind jaren ’90 het Landelijk Meetnet Flora, Milieu- en Natuurkwaliteit (LMF) in. Met als doel de invloed van milieufactoren, zoals stikstof, op de natuur te meten. Op ruim 12.000 locaties in natuurgebieden worden sindsdien de ontwikkelingen in de natuur nauwkeurig gevolgd. Alle aanwezige soorten bomen, struiken, planten, mossen en korstmossen worden om de drie of vier jaar geïnventariseerd. Óók de ontwikkeling van de bramen en brandnetels. Niet alleen de aanwezige soorten worden geïnventariseerd, ook in welke mate die soorten aanwezig zijn (bedekkingspercentage). Daardoor kan je zien welke soorten toenemen, stabiel blijven en afnemen.

Nederland beschikt dus over zeer veel langjarige natuurgegevens waarmee de invloed van stikstof op de natuur kan worden bepaald, zowel per regio als per type natuur.

De natuurkwaliteit en de ontwikkelingen daarin worden voor een belangrijk deel bepaald op basis van de LMF. Deze gegevens liggen bijvoorbeeld aan de basis van de verplichte natuurrapportages van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) aan Brussel.
Je zou denken dat deze gegevens openbaar zijn, maar dat is niet zo. Wie deze opvraagt bij LVVN-minister Jaimie van Essen stuit op een muur. Meerdere Kamerleden en boeren kregen al te horen dat het LMF (nog) niet openbaar is.”

Uit de data die Rotgers uiteindelijk, via allerlei omwegen, toch onder ogen kreeg, bleek helemaal niet dat er een toename was van braam en brandnetel. We mogen dat alleen niet weten blijkbaar…

En ja, waarom zou dat zo zijn? Een interview met scheidend hoogleraar aan de Nijmeegse Erasmus Universiteit, Hans Kroon, geeft misschien wat duidelijkheid.

De ecoloog Hans Kroon is een pionier. Hij was mede auteur van een artikel, waarin hij de resultaten van een langjarige studie van een groep Entomologen uit het Duitse Krefeld samenvatte. In het bovengenoemde interview omschrijft hij zijn successen:
“Op basis van [de Duitse] data hebben we een wetenschappelijke analyse gemaakt. De uitkomst was echt schrikbarend: ruim 75 procent van de vliegende insecten bleek in 27 jaar tijd verdwenen.’
De universiteit verspreidde een persbericht over de conclusies en al snel hing Maarten Keulemans, wetenschapsjournalist van De Volkskrant aan de lijn. ‘Die was helemaal van de kaart’, aldus De Kroon.

Hij zou niet de laatste zijn. Media waren er als de kippen bij om het nieuws te brengen. De Nijmeegse ecologen stonden de volgende dag op de voorpagina van NRC en schoven aan bij De Wereld Draait Door. ‘Caspar Hallmann en ik verdeelden de taken. Doe jij CNN? Dan pak ik BBC. Het was een compleet idiote situatie.”

Maar misschien nog belangrijker; ook was hij initiatiefnemer van een studie en onderzoeksproject naar een nieuwe manier om onze dijken te beschermen:
“We bestuderen hoe al die verschillende soorten het met elkaar uithouden. Je zou denken dat ze elkaar verdringen met hun wortels en dat dan de sterkste overblijft. Maar dat is niet zo. Kijk naar graslanden waar tientallen soorten al honderden jaren bij elkaar staan, zonder dat de ene soort de andere eruit knikkert.’

Om het gedrag van wortels beter te kunnen volgen, bouwde hij op de Nijmeegse campus een wortellab. Het is een tunnelkas waar biologen experimenten doen met verschillende soorten. ‘Wat we zagen, is dat de ene plant de andere niet gaat verdringen, maar dat ze allebei meer wortels maken. Ze gaan niet de diepte in, ze verknopen hun wortels in de bovenste grondlaag. Die laag wordt daardoor veel sterker.’

Dat was een game changer. En een opstapje naar de gedachte dat dijken vol bloemen, die hartstikke leuk zijn om naar te kijken, minstens zo sterk zijn als dijken met alleen maar gras. De Nijmeegse biologen zochten contact met de waterschappen om hun inzichten te delen. Achter het Huygensgebouw op de Nijmeegse campus bouwden ze minidijken waar ze met verschillende zadenmengsels experimenteren om tot de stevigste wortellaag te komen.

‘We hebben langs de Maas bij Balgoij een enorme golf water over een stuk bloemrijke dijk gestort om de sterkte te testen. En de dijk hield stand. Uiteindelijk zei de directeur van het Hoogwaterbeschermingsprogramma: “Weet je wat? Dan moet dit maar de nieuwe standaard worden.” Die uitspraak heb ik – bij wijze van spreken – ingelijst en boven mijn bureau gehangen.’

Nederland telt zo’n 17.000 kilometer aan dijken, dus er is genoeg te doen. De biodiversiteit zal de grootste profiteur zijn van het Future Dikes-project, zoals het officieel heet. De Kroon: ‘Maar het ziet er ook gewoon mooi uit.”

Goed dat er onderzoekers zijn zoals Hans Kroon. Maar de werkelijke uitsmijter (en de link met dit artikel) komt, vrij onopvallend, echter pas op het laatst van dit artikel:
“De harde grond waar we inmiddels op staan, ligt een stuk lager dan de omliggende weilanden. Hier is dertig centimeter bodem afgeschraapt, vertelt de hoogleraar. Het was zwaar bemeste landbouwgrond, in de voedselarme laag die ontstond is maaisel ingebracht van bestaande bloemenrijke weilanden. Ook al is het kurkdroog en hoogzomer, hier bloeien nog steeds bloemen, waaronder het paarsblauwe knoopkruid en witte wilde peen.

‘Prachtig toch? Ik neem hier vaak mensen mee naartoe. Heb IJslandse en Australische filmploegen rondgeleid om te laten zien hoe het ook kan. Ik wil niet alleen maar verhalen vertellen over dood en verderf en achteruitgang en ellende.’

Waarom niet?
‘Omdat het niet werkt. Daarmee krijg je mensen niet in beweging. Je ziet hier dat de natuur opbloeit, tegen de verdrukking in.’

Tegelijkertijd verdwijnen er soorten. Wordt u daar nooit somber van?
‘Nee, zo zit ik niet in elkaar. Het wordt nooit meer zoals het was, maar we zien nu al een glimp van de biodiversiteit die er aan komt. Wetenschappers mogen best wat meer focussen op de toekomst. Het lastige is dat dat ook gevaarlijk is. Als je zegt: “kijk, de natuur doet het hier weer goed” weet je al dat er stikstofontkenners klaarstaan om te reageren met “zie je wel, er is helemaal geen probleem”.’

Maar misschien is dat dan ook wel zo; is het beheer van natuurgebieden, zoals op deze website tot vervelens toe is herhaald, inderdaad dan toch het grootste probleem van de teloorgang van de Nederlandse natuur?

De verhouding tussen politici als Paternotte en de stikstof-wetenschappers doet daarmee denken aan de beroemde quote van president Roosevelt (ook van Hollandse afkomst) over de dictator van Nicaragua, Anastasio Somoza: “Somoza may be a son of a bitch, but he’s our son of a bitch.”
Ik weet niet of Trump inmiddels al zoiets over Nethanyahu heeft gezegd, maar in de V.S. is dit blijkbaar een heel legitieme lijn van redenatie, al vanaf 1868 (zie link).

De hele wereld die ligt achter een term als “Stikstofontkenners”, geeft toch echt te denken. We kennen het natuurlijk al van de klimaatalarmisten (“klimaatontkenners”) waar ik in een vorige blog aandacht voor heb gevraagd. Maar het lijkt alsof een hele generatie biologen zich teweer stelt tegen een boze buitenwereld, die zich massaal heeft gekeerd tegen de kwetsbare natuur en waarmee een dialoog onmogelijk is.
Maar zich op deze manier  ook onttrekt aan hun eigen maatschappelijke verantwoordelijkheid.
En daar was het Petersen en Meesters nu toch juist om te doen?

Willen de stikstof-onderzoekers en ter zake deskundige ambtenaren zich aub bezig gaan houden met het op een eerlijke manier voorlichten van politici, op basis van feitenmateriaal, zoals het ooit toch was bedoeld allemaal in een democratische rechtsstaat?
Anders blijf je bezig met het weerleggen van meningen, zoals die van Paternotte, die vrijwel niets te maken hebben met de stikstof (of klimaat-)werkelijkheid.


Geplaatst

in

door

Tags: