Drie-en-een-half jaar geleden heb ik hier al eerder over geschreven (zie link); toen als vraag en ik kwam bij de uitkomst uit dat groen gewoon de zelf-bedachte nieuwe oriëntering was van links, nadat de emancipatie van ‘de arbeider’ was geslaagd en de grootste linkse partij zichzelf eigenlijk overbodig had gemaakt. Bij gebrek aan beter dus eigenlijk.
Erg tevreden over dit antwoord, heb ik er eigenlijk nooit meer over nagedacht, totdat ik vorige maand het lijvige boekwerk ‘de terugkeer van de verloren vader’ van F.O. van Gennep doorworstelde. U had uit mijn vorige blog waarschijnlijk al begrepen dat ik wat worstelde met geloofsvraagstukken en dan is een heroriëntatie, aan de hand van een voormalig hoogleraar in de praktische theologie aan de Rijksuniversiteit Leiden, helemaal geen slecht idee denk ik. Het boek is van 1989 maar nog steeds zodanig actueel dat ik mijn mening over waarom links groen is, wel heb moeten bijstellen.
sHet is misschien goed om Prof. Van Gennep hierover zelf aan het woord te laten:
“In het maatschappelijk leven doet zich een tegenstelling voor, die men met de termen ‘linkse en rechtse verontrusting’ zou kunnen aanduiden. Zonder deze begrippen helder te kunnen definiëren, zou men kunnen zeggen, dat de ‘rechts verontrusten’ zich zorgen maken over problemen met een lokaal karakter, zoals de bureaukratische regelgeving, de snel toenemende criminaliteit er het verbleken van de arbeidsmoraal [tegenwoordig ook inclusief migratie-problematiek, EJ], terwijl de ‘links verontrusten’ de grote bedreigingen van het menselijke bestaan meer op mondiaal niveau zien: de kernenergie, het gat in de ozonlaag boven de Zuidpool of de voortgaande uitroeiing van walvissen en andere zeldzame diersoorten [tegenwoordig ook mensenrechten-problematiek, waar ook ter wereld, EJ].
Veelal zullen de ‘links verontrusten’ opkomen voor waarden, die in de leefwereld opgeld doen, terwijl de ‘rechts verontrusten’ meer verwantschap met de systeemwereld (de wereld van regels en plichten, tegenwoordig vooral een synoniem van de bureaucratie, EJ) vertonen en een ongestoorde ontwikkeling van het bedrijfsleven voorstaan.
Er zijn bij deze uiteenzetting al wat kanttekeningen te maken; dit onderscheid was in de jaren negentig misschien wel aardig bedacht, maar inmiddels is het verschil tussen leef- en systeemwereld blijkbaar al een platgeslagen cliché geworden. Monique Kremer is er helemaal klaar mee (zie link). Daarnaast zijn het juist de (linkse) partijen van de ‘leefwereld’, volgens Van Gennep, die zich het meest beroepen op actief overheidsingrijpen (de systeemwereld) ten aanzien van ‘de leefwereld’.
Maar hoe dan ook, Van Gennep stelt m.i. terecht dat de partijen, niet meer gebonden door een verbindende ideologie, de neiging vertonen om zich, steeds meer, tegen elkaar af te zetten en iedere dialoog af te wijzen:
“Zo zullen de ‘links verontrusten’ als om strijd betogen, dat het met de criminaliteit in de grote stad wel meevalt en dat de angst daarvoor een typisch burgerlijk verschijnsel is. Omgekeerd vertonen de ‘rechts verontrusten’ een soortgelijke neiging met betrekking tot de milieuproblematiek. Zij plakken een ‘sticker’ met de tekst, ‘blij dat ik rij’, op de achterruit van hun auto. (…)
De polarisatie is een latente oorlog in de ééndimensionale samenleving, waarbij [de massa-media] een grote rol spelen. Het circuit rond ‘De Telegraaf’ en de ‘Tros’ bestookt het alternatieve circuit rond ‘De Volkskrant’. In het eerste circuit vinden we vooral leidinggevenden en medewerkers uit het bedrijfsleven en in het tweede mensen met een redelijk zelfstandige positie. Zij werken in door de overheid gesubsidieerde banen, worden onderwijzer, leraar, wetenschappelijk medewerker of hulpverlener.”
De eendimensionale samenleving; Van Gennep sluit zich hierbij aan bij Herbert Marcuse, die stelt dat onze maatschappij door een verstrengeling van belangen juist van haar tegenstellingen is beroofd: “Als arbeider en baas dezelfde vakantiecentra bezoeken en dezelfde televisieprogramma’s bekijken, als een typiste zich even aantrekkelijk kan opmaken als de dochter van haar werkgever en ze allemaal dezelfde krant lezen, dan duidt deze nivellering niet op het verdwijnen van de klassen, maar in de mate waarin men deelheeft aan de behoeften en bevredigingen die goede diensten bewijzen aan de handhaving van de gevestigde orde.”
Vervolgens wordt door Van Gennep ook met instemming Habermas geciteerd , wanneer deze stelt dat de tegenstellingen tussen kapitalist en proletariër relatief zijn geworden. “Door de begrenzing van de arbeidstijd, de erkenning van de vakbondsrechten, de tariefeconomie, de sociale verzekeringen, heeft er een pacificatie van de klassenstrijd plaats gevonden. Die pacificatie betekent niet haar opheffing, maar veeleer de verschuiving van de problemen. De strijd wordt niet meer primair binnen het bedrijfsleven uitgevochten, maar in de acties ter bescherming van het leefklimaat”.
U ziet het, er wordt wat af gefilosofeerd over wat links- en rechts nu eigenlijk is. Ik geloof dat het gaat om een fundamenteel verschil, de pragmatici (bedrijfsleven) en idealisten (zelfstandigen), waarbij beide kunnen vervallen in het tekort wat de ander teveel heeft.
De valkuil voor pragmatici is dat weliswaar wordt gewerkt met hetgeen voorhanden is, maar dat daarbij wordt voorbij gegaan aan de mogelijkheden die deze werkelijkheid idealiter ook te bieden heeft. Er is een blinde vlek voor de tekortkomingen van de samenleving. Deze tekortkomingen en mogelijkheden worden door de andere partij wel gezien en geprobeerd wordt om dit ideaal te bereiken, maar daarbij wordt nogal eens voorbij gegaan aan de praxis, datgene wat voorhanden is.
Het gaat hierbij dus niet over de waarde van de idealen zelf, maar vooral over de weg hoe deze idealen te bereiken zijn.
‘Rechts’ zal wellicht niet minder bezorgd zijn over klimaatverandering en de achteruitgang van de natuur, maar kan wel (terecht) vraagtekens plaatsen bij de stelling dat de energietransitie noodzakelijk is en of de teloorgang van de natuur wel primair door stikstofdepositie wordt veroorzaakt. Terwijl ‘links’ deze oplossingen al vereenzelvigd heeft met het probleem.
Van Gennep heeft dus niets te melden over een vertwijfelde PvdA, of andere linkse partijen, die, verlaten door hun doelgroep, de arbeiders, naar een nieuwe politieke richting zochten. Het is fout om de linkse partijen te vereenzelvigen met het Marxistische gedachtengoed; Marx was een idealistisch denker over de mondiale leefwereld en daarom links, niet andersom. Geert Wilders doet niet aan idealen, hoewel zijn bekommernis met de ‘gewone man of vrouw’, socialistisch aanvoelt, maar is daarom toch gewoon ‘rechts’.
Dit ‘karakterologisch onderscheid’ betekent wel dat, in een versnipperde wetenschappelijke wereld, bepaalde studierichtingen worden gekozen door mensen met een bepaalde ideologische achtergrond (pragmatisch of idealistisch; rechts of links). En dit ‘karakterologische’ onderscheid maakt ook dat de traditioneel linkse en rechtse studie- en wetenschapsrichtingen , zonder een gemeenschappelijke noemer, steeds verder van elkaar verwijderd raken.
Van Gennep haalt in dit kader ook weer de Duitse filosoof Jürgen Habermas aan: “Het is Habermas geweest, die aan het pessimisme van zijn voorgangers een halt heeft toegeroepen en in zijn hoofdwerk: Theorie des kommunikativen Handelns, een pleidooi heeft gevoerd voor een breed opgevatte rationaliteit, die aan het communicatieve handelen ten grondslag ligt. Evenals de post-moderne auteurs (…) constateert Habermas, dat de moderne cultuur sferen van rationaliteit heeft voortgebracht, die niet langer door één richtinggevende idee bijeengehouden worden.
Zij hebben zich zelfstandig van elkaar ontwikkeld en binnen de ene of de andere wereld vraagt men niet of nauwelijks meer naar een filosofische fundering of een wereldbeschouwelijke samenhang. De rede is gespleten en heeft zich verdeeld over de verschillende gespecialiseerde cultuurgebieden.
Vanuit de ene cultuur valt er nauwelijks meer een woord te wisselen met iemand uit een andere cultuur.
Voor Habermas komt het er op aan wegen te zoeken, waarlangs de communicatie tussen wetenschap, moraal en kunst weer mogelijk wordt. Wat bij Kant nog in de kritiek der rede op wetenschappelijk, ethisch en esthetisch terrein bijeengehouden werd, is door de verregaande rationalisering en het nastreven van steeds verfijnder doelmatigheid geheel uiteengedreven. Habermas neemt het daarentegen op voor een redelijkheid (rationaliteit), die hij niet, zoals Kant, in het kennend subject wil funderen, maar in datgene wat de subjecten met elkaar gemeen hebben: de taal, en daarmee dus in een in de alledaagse werkelijkheid inwonende communicatieve rationaliteit.”
Dat klinkt bekend; is Artificial Intelligence (AI) dan misschien de vertaalcomputer tussen de verschillende wetenschappelijke onderzoeksvelden? Habemas zelf ziet echter weinig heil in het vermogen van AI om de rol van vertaler tussen verschillende stromingen op zich te nemen. Hij meent dat wanneer we menselijke beslissingen reduceren tot het resultaat van algoritmen, de menselijke autonomie en het juridische concept van de persoon wordt ondermijnd.
Met name de ‘valse neutraliteit’ van AI roept natuurlijk behoorlijk wat vragen op. Dit is het risico dat deelnemers AI-gegenereerde uitspraken als “objectief” gaan zien, terwijl de AI in feite alleen de politieke keuzes van de ontwikkelaars weerspiegelt.
Habermas meent echter dat alleen door deze “inwonende communicatieve rationaliteit” de eenheid der rede op een nieuwe wijze kan worden hersteld: “De utopie, waarnaar wij streven, is in de ogen van Habermas de geslaagde communicatie, waaraan een in de taal gegronde redelijkheid een beslissende bijdrage geeft.”
Ik ben hier zelf nogal pessimistisch over. Deskundigheid geeft natuurlijk ook een positie met invloed. En waarom zou iemand dan afzien van zijn eigen jargon, met vastgeroeste betekenissen, die door alle beroepsgenoten wordt geaccepteerd?
Feit is dat ik bij de onderwerpen waarin ik me heb gespecialiseerd, inderdaad niet het jargon hanteer waarmee ik voor iedereen ook te identificeren ben als ‘deskundige’. En daarom blijkbaar ook niet serieus genomen hoef te worden.
Ik heb in de blog van 27 mei 2025 me al eens bezig gehouden met ‘de Taal van stikstof’ en zie dus tot mijn genoegen dat ik dus een steuntje in de rug krijg van de nu al bijna honderd-jarige Jürgen Habermas.
Ik meen te kunnen stellen dat in het gangbare stikstof-jargon geen oplossing voor de Nederlandse stikstof-problematiek kan worden gevonden en dat ligt dus bovenal aan de gebezigde taal binnen het deskundigen-wereldje. Het gaat dan onder meer over de volgende premissen waarbinnen deze theorie zich beweegt.
- De stikstofbelasting in de bodem is eigenlijk niet te meten;
- De stikstof-modellen, waarmee van de hoeveelheid atmosferische stikstof wordt voorspeld, geven ook een adequaat beeld van de stikstofbelasting van de bodem;
- Stikstofbelasting zorgt voor verzuring van de bodem;
- Stikstof zorgt, wanneer een kritische depositie waarde wordt overschreden, voor een aantasting van de ecosysteemdiensten, die ook funest is voor het aantal insecten en daarmee de hiervan afhankelijke gewervelde dieren;
- Het buitenland begrijpt er niets van.
Zo onder elkaar gezet lijkt het een aardig lijstje, maar goed, het gaat hier wel om stellingen die allemaal nog wel bewezen moeten worden.
Zo kan stelling 1) niet kloppen, aangezien agrariërs hun bemestingsschema aanpassen op basis van stikstofmetingen van de bodem. Dit wordt jaarlijks aanbevolen voor akkerbouwpercelen, met name voor de start van het teeltseizoen.
De stelling 2) is volledig uit de lucht gegrepen. Hiervoor is nog nooit enig bewijsmateriaal gevonden. Bovendien zou de stelling ook omgekeerd kunnen worden (wat veel waarschijnlijker is), waarbij een hoog stikstofgehalte van de bodem zorgt voor een onverklaarbare (zie link) concentratie ammoniak in de lucht. In dat geval is het bestrijden van ‘stikstofdepositie’ een moderne vorm van water naar de zee dragen.
Dat stikstofbelasting voor verzuring zorgt (stelling 3) volgt niet uit de bodemonderzoeken die gedaan zijn in natuurgebieden (waar juist het type begroeiing voor verzuring zorgt), en over de kritische depositie waarden (stelling 4) heb ik al in een groot aantal blogs (gezamenlijke zoekterm Bobbink) uiteengezet dat de vaststelling van deze normen weinig met wetenschap van doen heeft.
Ook begrijp ik de hardnekkigheid niet van het verhaal dat stikstof iets van doen zou hebben met het verdwijnen van insecten, omdat bepaalde plantensoorten verdrongen worden door stikstof-minnende bramen en brandnetels.
Wanneer dat zo zou zijn, dan zou het toch juist heel goed gaan met de (nacht-)vlindersoorten waarvoor deze planten waardplanten zijn, zoals braamvlinder, bonte beer, spaanse vlag, braamparelmoervlinder, blauwboompje, de gouden sprinkhaan, dagpauwoog, kleine vos, atalanta, gehakkelde aurelia, landkaartje en nog zo’n 50 soorten vlinders en motten, de brandnetelgalmug en brandnetelprachtwants.
U kent deze soorten niet allemaal, dat klopt, het gaat er ook helemaal niet zo goed mee. Ondanks dat 2025 best wel een aardig vlinderjaar was, zitten we nog steeds onder de helft van het aantal vlinders wat 30 jaar geleden werd waargenomen.
Makkelijk scoren? Dat wel, maar het kan maar weer eens gezegd worden. Wanneer de stikstof-taal van zijn scherpe randjes zou worden ontdaan, zouden misschien dat de ‘stikstofdeskundigen van de BBB’ en de ‘agrarische jongeren’ nu wel eens aandacht aan de theorie op deze website willen schenken. Je weet het niet…
Dat het buitenland er niets van snapt (stelling 5), is eigenlijk een stelling die normaliter vanuit het ‘rechtse kamp’ te verwachten is en misschien dat die stelling het daarom zo goed doet, ook bij de criticasters van het stikstofbeleid.