Het ambtenarenleed dat stikstof heet

De ambtenaren van de kersverse Minister voor Natuur en Stikstof, Christianne Van der Wal zijn niet te benijden. De Minister heeft, aangespoord door Greenpeace en de onvermoeibare Roland Bobbink, het initiatief genomen voor een “Quickscan natuurdoelanalyse”, waaruit moet blijken welke natuurgebieden nu zwaar onder druk staan en waar de stikstofaanpak versneld moet worden.
De opdracht van de Minister kan op twee manieren worden uitgevoerd:
  1. Je gaat kijken welke natuurgebieden onder druk staan en welke effecten aan stikstof toegerekend kunnen worden.
  2. Je maakt een kaart van de natuurgebieden. Je zet er de waarde van de kritische depositie waarde (KDW) bij en vergelijkt die met de berekende waarde voor de achtergrond-depositie van stikstof.
Ik zou willen pleiten voor iets revolutionairs. Ga eens kijken in de natuurgebieden!
Praten over stikstof en de ‘kwetsbare natuur’ is één ding, het aanwijzen van die ‘kwetsbare natuur’ die speciaal gevoelig is voor stikstof is van een hele andere orde. Dan moet je dus concreet maken dat er inderdaad sprake is van Natuur (dus geen aangelegd cultuurhistorisch natuurpark zoals bijvoorbeeld een heide of schraalland), die ook zonder menselijke invloed in Nederland thuishoort en die wordt bedreigd door de stikstofuitstoot die wij mensen produceren. Waar vind je die?
Zoals al vaker aangegeven; halfnatuur moet bij deze selectie afvallen. Dit omdat het gevaar wel heel erg groot is dat verkeerd beheer verantwoordelijk is voor de slechte natuurkwaliteit van een dergelijk gebied. (zie link)
Wat houd je dan nog over? Op mijn webpagina’s ben ik de kwetsbare natuurgebieden, die we in de literatuur kunnen vinden, eens nagegaan en kwam tot de slotsom dat eigenlijk alleen de kalkmoerassen, zure vennen, hoog- en trilveengebieden hier nog aanspraak op konden maken. Gebieden die allemaal in eerste instantie met waterbeheer te maken hebben. Dus als je een overtuigend verhaal wilt maken, waaruit blijkt dat de verslechterende natuurkwaliteit toch echt door de stikstofdepositie wordt veroorzaakt, dan zul je daarmee de twijfelaars niet echt kunnen overtuigen. Het is immers een gegeven dat het waterbeheer de afgelopen (zeer droge) jaren niet echt gunstig voor de natuurwaarden heeft uitgepakt.
Bossen heb ik al veel eerder gediskwalificeerd als ‘Natuur’. De menselijke invloed op de bosaanleg is immers overduidelijk. Maar hierover ben ik aan het twijfelen geslagen. Dat is dank zij een wat oudere publicatie van Dirkse (1993)  “Bostypen in Nederland”, onder de reeks “Wetenschappelijke Mededeling KNNV”. Hierin is onder meer de volgende passage te vinden:
“Teneinde de hetrogeniteit van de opnamen te verminderen zijn alleen de kruidlaag en de moslaag in beschouwing genomen. Tot de kruidlaag worden alle gewassen (ook houtige) gerekend die lager zijn dan 2 m. Tot de moslaag zijn alle mossen gerekend die op de grond of het dode hout groeien.
Bomen en hoge struiken zijn buiten beschouwing gebleven. De reden daarvoor is, dat de soortensamenstelling van de boomlaag en veelal ook die van de struiklaag in sterke mate door aanplant zijn bepaald. Aangeplante bomen en hoge struiken zijn voor een ecologisch gefundeerde classificatie niet interessant.”
En dat is natuurlijk zeker zo; niemand in Nederland zal mosplantjes en kruiden in een bos zijn gaan zaaien. En dan hebben we het dus wel over natuur! Uiteraard natuur die sterk wordt beïnvloed door de boomlaag, maar bijvoorbeeld een Wintereiken-Beukenbos (Fago-Quercetum) in een voedselrijke omgeving in het zwaar belaste Noord Brabant, zal in principe een andere kruid- en moslaag moeten hebben dan eenzelfde type bos in het relatief stikstofvrij duinengebied.
Het schrijven van Dirkse is een verslag van de Vierde Bosstatistiek, waarin de vegetatie van 1914 bosopstanden is verwerkt, en tot mijn blijde verrassing zat er ook een “van de flora afgeleide zuur- en stikstofindex” bij. Het jaar 1993 kende nog een zure regen-angst, maar de stikstofindex, afgeleid van Ellenberg, die ook nu nog actueel genoemd mag worden, kan toch nuttige informatie leveren. De indictatiegetallen lopen van 1 t/m 9, waarbij struikheide een stikstofgetal heeft van 1, Bochtige Smele heeft een 3, Grote Brandnetel heeft een 8 gekregen en Vlier is de stikstofkoper met een 9.
In Nederland blijken er twee, elkaar bijna uitsluitende hoofdtypen bos voor te komen: Brandnetelbos en Bochtige Smele bos. Daar waar je de Grote Brandnetel ziet, vind je de Bochtige Smele niet en omgekeerd.
Het zal op basis van het bovenstaande wel duidelijk zijn welk type bos verwacht kan worden in de buurt van grote stikstofbronnen.
En dit is wat er is gevonden:
x = brandnetelbos; o = Bochtige-smelebos
Het zal voor de ambtenaren die belast zijn met het schrijven van de “Quickscan natuurdoelanalyse” wel een beetje improviseren worden. Het is dus anders dan dat. De Bochtige-Smelebossen vond je juist veel in Brabant en ook in de even zo intensief beboerde Veluwe. Zandgronden dus…
Nu ging dit boekje over de Vierde Bosstatistiek (1984), maar volgens recente publicaties (zie o.a. het wetenschappelijke rapport over de teruggang van de zweefvlieg (zie link)) was dit juist de periode met de zwaarste stikstofbelasting.
Helaas is in de latere Bosstatistieken is het onderscheid tussen de Brandnetel-/ Bochtige Smelebossen niet meer terug te vinden. Maar ik ben ervan overtuigd dat het onderscheid zandgrond/ kleigronden nog steeds bestaat.
In het land van Maas en Waal is het contrast misschien wel het mooist om te zien. De rivierbossen, gedomineerd door Grote brandnetel, die overal op de kleigronden van deze regio gevonden kunnen worden, worden ineens afgewisseld met een prachtig Bochtige Smelebos langs de Elzendweg in Bergharen, uniek gelegen op een zandige rivierduin.
Het zou natuurlijk kunnen dat er in Bergharen een plotselinge dip te vinden is in achtergronddepositie van stikstof, maar die is dan wel héél erg regionaal, het gebied is ongeveer 30 ha groot.
Maar dit alles hoort ook eigenlijk niet te verbazen tegen de achtergrond van de blog “Obsessie III: Het CDA zegt sorry?”. Hierin is onder meer uitgewerkt dat mineralisatie en nalevering van de grond veel meer stikstof levert dan door depositie van stikstof wordt aangevoerd (gemiddeld 20 kg per hectare per jaar). Zand geeft een nalevering van ‘slechts’ 63 kg stikstof per hectare per jaar, tegen veengrond maar liefst 228 kg per jaar (ook goed om te weten dat de Kritische depositie waarde van Hoogveen ligt bij 400 mol/ha/jr (5,6 kg), Bobbink is ongetwijfeld vergeten dit ‘feitje’ aan de stikstof geïnteresseerde lezer mee te delen). 
schietwilgenbos
Grote Brandnetel
 Vandaar dus mijn pleidooi om ook eens te gaan kijken in de natuur. Het verschil tussen Grote Brandnetels en Bochtige Smele (zie ook link) is ook voor Ministers en topambtenaren heel goed te zien…
Bochtige Smelebos
Bochtige Smele
Maar goed, het zal wel weer alternatief 2) worden: Je maakt een kaart van de natuurgebieden. Je zet er de waarde van de kritische depositie waarde (KDW) bij en vergelijkt die met de berekende waarde voor de achtergrond-depositie van stikstof. 
Als je de boodschap maar vaak genoeg herhaalt; B-ware, nogmaals bedankt voor deze  ‘Ad nauseam’. De drogreden is blijkbaar de nieuwe normaal in “de Wetenschap”.

Geplaatst

in

door

Tags: