Naar aanleiding van mijn vorige blog over de tunnelvisie ten aanzien van stikstof, kreeg ik de vraag of ik ook eens wilde kijken naar de visie van de “stichting mobilisation for the enviroment” (verder: MOB) ten aanzien van het stuk van professor Ronald Meesters. Dit rapport was immers ook mijn ingang voor de tunnelvisie in mijn vorige blog. Deze visie van het MOB is hier te vinden.
De tunnelvisie en het MOB, de vereniging onder voorzitterschap van ‘stikstofstrijder’ Johan Vollenbroek, op zich niet zo’n gekke combinatie, dus ja, bij deze.
Voor degenen die nu rekenen op vuurwerk; sorry. Ik sla hierop aan, als een ambtenaar die weer een lastig bezwaarschrift van het MOB moet ondervangen. Helaas zal hier gedetailleerd op ingegaan moeten worden, anders kun je dadelijk weer helemaal overnieuw beginnen.
Ik weet dus niet of dit wel zo’n leuke blog zal worden, maar vooruit. De hoofdlijnen van het MOB stukje gaan op deze manier:
- Meesters wordt verweten waarschijnlijk niet goed aan te voelen van wat juristen voelen. Onder ecologen is immers geen twijfel: “veel natuur in Nederland is in slechte staat, en toename van de stikstofdepositie zal die staat nog verder verslechteren”.
- De rechter moet dan ook zekerheid hebben dat het te vergunnen project de stikstofdepositie op die natuur niet nog verder zal laten stijgen.
- Metingen kunnen een rechter niet helpen. Omdat het over een toekomstige situatie gaat zal hij wel een model moeten gebruiken om de toekomstige situatie te kunnen voorspellen. Het MOB stelt: “Hij zal het moeten doen met een model. Zonder model zal de rechter nooit kunnen instemmen met een vergunning, gewoonweg omdat hij zonder model geen enkele zekerheid heeft. De rechter gaat dus niet uit van de gedachte dat de wetenschap moet leveren, maar van de gedachte dat een model nodig is. En vanuit die gedachte is het goed verdedigbaar dat een rechter kiest voor het beste beschikbare model, en dat is momenteel Aerius.”
- Totdat we een beter model hebben voor hoe de natuur voor- of achteruitgaat bij de uitvoering van een project, zullen we ons moeten behelpen met Aerius – dat is immers het beste wat we nu hebben.
- Volgens Meesters zijn de uitkomsten van Aerius/OPS berekeningen reëel [?] en worden [ten onrechte] zonder marges of onzekerheden gebruikt. MOB stelt:
“Dit is een klacht die wij delen. Wij vinden dat er zeker met een marge op de resultaten van de berekeningen rekening gehouden moet worden.
Om met zekerheid te kunnen zeggen dat de natuur niet achteruitgaat ten gevolge van de uitvoering van een project, moet er een redelijke marge bij de berekende depositietoename worden opgeteld. De huidige praktijk, waarin het model zonder marge wordt gebruikt, is teveel in het nadeel van de natuur. Met dit argument schiet Meester zichzelf in de voet.” - Het MOB is het vervolgens eens met Meesters als hij stelt dat ten onrechte wordt aangenomen dat de natuur zal herstellen als de depositie onder de KDW komt:
“Wij hebben die uitspraak nooit gedaan en we kennen die ook niet van anderen. Bij deposities onder de KDW wordt stikstofdepositie niet meer als grote drukfactor gezien, maar er zijn wellicht nog wel andere drukfactoren zoals bijvoorbeeld waterkwaliteit, pesticiden, nutriënten, klimaatverandering, etc.” - Volgens het MOB stelt Meesters ten onrechte: Dat de onzekerheden [bij vergunningverlening] veel groter zullen zijn dan bij landelijke (globale) gemiddeldes is een wiskundig en geen empirisch gegeven.
Volgens het MOB is dat niet zo: “Het “wiskundig gegeven” is het statistisch effect dat de som van onderlinge onafhankelijke grootheden nauwkeuriger bekend is dan de grootheden afzonderlijk. - Maar Meester lijkt te vergeten dat de grootste bron van onzekerheid bij de landelijke berekeningen ligt in de onbekendheid van stikstofbronnen (locatie, bronsterkte; zelfs aanwezigheid is vaak onbekend). Bij vergunningverlening speelt die onzekerheid niet – je gaat echt geen vergunning afgeven voor een onbekende bron. Alleen al deze overweging maakt de uitspraak van Meester irrelevant.”
- “De op een na belangrijkste bron van onzekerheid [kan worden gevonden] in de omrekening van berekende concentratie in de lucht, naar depositie op plant en bodem. Die onzekerheid is dezelfde, of die concentratie nu komt van een enkele bron, of van alle bronnen in en rond Nederland. Ook dit argument verzwakt de uitspraak van Meester danig.”
- Overigens concludeert het RIVM in recent onderzoek, volgens het MOB, dat de berekening vanuit een individuele bron nauwkeuriger is dan het landelijk gemiddelde. We zien hier dat eenvoudige statistische overwegingen als die van Meester niet bij elk fysisch probleem tot juiste conclusies leiden.
- Meesters stelt volgens het MOB ook ten onrechte:
“Verder is het zo dat stikstofdepositie niet gemeten kan worden, maar afgeleid wordt uit andere grootheden zoals atmosferische concentraties”.
Volgens het MOB gaat Meester daarbij voorbij aan het feit dat alleen de droge component van stikstofdepositie niet gemeten kan worden – de natte daarentegen is goed te meten, en die is op wat grotere afstand tot de bron groter dan de droge.
De onmogelijkheid om droge depositie te meten ziet Meester als een van de redenen “Dat er toch zoiets als ‘onzekerheid’ rond Aerius/OPS bestaat” Dit is niet houdbaar. Immers, indien atmosferische concentraties wel goed gemeten kunnen worden is het niet uitgesloten dat ook depositie – met zekere veronderstellingen – goed bekend is. - Een bekend voorbeeld is de kamertemperatuur. Die is onmogelijk te meten; wat je wel kunt meten is de lengte van een staafje van een gekleurde vloeistof. Een model is nodig om dat te kunnen interpreteren als kamertemperatuur. We vertrouwen dat model voldoende om de lengte van het gekleurde staafje te vereenzelvigen met de kamertemperatuur. Zo zou het bij stikstofdepositie ook kunnen gaan! Meester heeft hier dus geen punt. Hoewel…
- Juist de omrekening van concentratie naar droge depositie is een van de grootste bronnen van onzekerheid – zie hierboven. Toch betekent dat niet dat de berekende depositie waardeloos is bij vergunningverlening. Immers, de berekening moet uitsluitsel geven of de depositie toe- of afneemt; niet hoeveel die toe- of afneemt. Onder de alleszins redelijke veronderstelling dat de depositie toeneemt als de concentratie in de lucht toeneemt, volstaat het om met Aerius te laten zien dat de concentratie in de lucht toe- of afneemt. Dan geldt datzelfde voor de depositie. Dat je dan niet weet hoeveel de depositie toe- of afneemt speelt bij de vergunningverlening geen rol. Dus Meester heeft hier toch geen punt.
- Meester gaat diep in op de rol van de Kritische Depositie Waarde bij de besluitvorming. De KDW is in principe de depositie die een habitattype langdurig kan verdragen zonder ernstige schade van die depositie te lijden.
- Terecht merkt Meester op dat de KDW een nogal grove maat is voor die te verdragen depositie. Anders dan Meester zouden wij dan concluderen dat er wellicht al schade ontstaat als de depositie onder (bijvoorbeeld) de helft van de KDW ligt. Volgens de Habitatrichtlijn moet immers elke twijfel, dus ook die aan de KDW, in het voordeel van de natuur worden uitgelegd.
- Overigens is de depositie in Nederland meestal zo ver boven de KDW dat twijfel aan de KDW niets verandert voor beleid: de depositie moet hoe dan ook omlaag, en projecten mogen alleen worden vergund als de depositie daalt. Twijfel aan de KDW is dan ook totaal irrelevant.
Een korte analyse (puntsgewijs)
Maar hierop valt natuurlijk wel het een en ander op aan te merken.
Ad 1) Onder ecologen is geen twijfel
Het klopt wel een beetje, onder ecologen lijkt geen twijfel over de achteruitgang van de natuur van Nederland. Maar goed, te bewijzen is dan wel de stelling: “toename van de stikstofdepositie zal die staat nog verder verslechteren”.
Het is dus de stelling waarmee Nederland zo ongeveer de risee is geworden van de Europese gemeenschap. En ook de reden daarvoor dat het een heel slecht idee is om de Raad van State de enige uitlegger te laten zijn van de Europese jurisprudentie in dit kader.
Stikstofdepositie heeft immers nauwelijks effect op de stikstofbalans in de bodem, waar nitrificatie/ denitrificatie, afbraak van organische stof de C/N coëfficiënt, nitraat in het grondwater, etc. etc. een veel grotere rol spelen waar het gaat om de beschikbaarheid voor stikstof voor planten en dus invloeden op het ecosysteem.
Dat het opneembare stikstofgehalte in de bodem, als gevolg van een hoge reactieve stikstofemissie, een groot probleem is, wordt in de metingen die er (veel te weinig) gedaan zijn, nergens duidelijk. (zie ook link)
Over de waarde van de Europese onderzoeken naar de “KDW-waarden” heb ik in eerdere blogs al veel geschreven en kom niet tot de conclusie dat die (evenals Meesters beschrijft) een valide onderbouwing van de bovengenoemde stellingen zijn. Zie bijvoorbeeld blz. 31 van het rapport van Meesters ten aanzien van het bloempotjes-experiment met Sphangnum (veenmos).
Zou er onder ecologen werkelijk geen twijfel zijn ten aanzien van deze ‘bewijsvoering’? Ik waag het te betwijfelen, of anders moet er toch iets gebeuren aan de opleiding/ begeleiding van het kritische denkvermogen van deze beroepsgroep.
Ad 2) De rechter moet zekerheid hebben dat het te vergunnen project de stikstofdepositie op die natuur niet nog verder zal laten stijgen.
Nou dat is dus niet zo. De rechter moet zekerheid hebben dat de te vergunnen situatie geen negatieve invloed zal hebben op de natuurwaarden van het meest nabijgelegen Natura2000-gebied. We weten dat het effect van een puntbron op de reactieve stikstofconcentratie al na ongeveer 500 meter opgaat in de achtergrond-depositie, dus hoe zou een model, wat (wel) verifieerbare resultaten laat zien, dan wel een effect kunnen aantonen op een Natura-2000 gebied wat (veel) verder weg is gelegen?
Ad 3) Metingen gaan een rechter niet helpen. Een model is noodzaak. De rechter gaat dus niet uit van de gedachte dat de wetenschap moet leveren, maar van de gedachte dat een model nodig is.
De tunnelvisie is eng. Metingen gaan als het goed is vooraf aan het opstellen van een model. En een betrouwbaar model moet verifieerbare meetresultaten opleveren. Hoezo gaan metingen een rechter niet helpen?
Zoals ik al in mijn vorige blog (en al veel eerder) heb opgemerkt, zijn er geen enkele voorspellingen gedaan met het AERIUS-model die overeenkomst vertonen met de meetbare werkelijkheid. Of het nu gaat over de problematische situatie op Schiermonnikoog (zie vorige blog), de afwijkende resultaten in het Oostblok tijdens de ’val van de muur’, het vreemde behoud van de ammoniakconcentratie terwijl de onderwerkplicht voor een grote afname zou zorgen (Hanekamp et al 2017), op geen enkele manier heeft AERIUS hier een verklaring voor gevonden.
Is er ooit een verandering van de reactieve stikstofconcentratie in Nederland geweest die wel correct is voorspeld door AERIUS? De suggestie is natuurlijk wel gewekt. Het RIVM heeft bijvoorbeeld wel getrouw gerapporteerd dat er wel degelijk een effect is waargenomen ten aanzien van de gemiddelde concentratie van ammoniak als gevolg van de onderwerkplicht, maar in het hierboven al eerdergenoemde rapport van Hanekamp et al. blijken die effecten op geen enkele manier serieus te onderbouwen.
Om een betrouwbaar model te krijgen moet de wetenschap dus (zoals Meesters al aangaf) leveren. Een rechter heeft immers niets aan een model wat geen enkel betrouwbaar resultaat oplevert (schijnzekerheid noemen we dat tegenwoordig).
Ad 4) AERIUS is het beste wat we nu hebben.
Is dat zo? Ik wil dan allereerst verwijzen naar de bovenstaande problemen, maar de Duitse rechters verwijzen hier naar het “BASt-rapport 2013” als ‘stand der techniek’. Ik ben geneigd hen hierbij gelijk te geven.
Ad 5) Meesters schiet zichzelf in de voet.
Raar, hier wordt een wetenschappelijke kritiek blijkbaar gezien als een subjectieve manier om het eigen gelijk ‘een pootje te lichten’?
Meesters geeft aan dat het vreemd is dat er niet met marges gewerkt wordt bij de vaststelling van KDW’s en dat is ook zo (zie vorige blogs). Er wordt een wetenschappelijke zekerheid gesuggereerd die helemaal niet kan bestaan.
Dat dit argument er op een of andere manier toe zou kunnen leiden dat de KDW’s nog wat scherper gesteld zouden moeten worden is natuurlijk leuk bedacht, maar gaat volledig voorbij aan de concrete kritiek van Meesters; nl. dat de zekerheid waarmee de KDW’s tot stand zijn gekomen, op basis van de wetenschappelijke stand der techniek, überhaupt niet mogelijk kan zijn.
Ad 6) De natuur zal herstellen als de depositie onder de KDW komt.
Zowel Meesters als het MOB zijn het erover eens dat dit onzin is. Mooi, maar dat is toch iets anders dan aan het publiek, juristen en politiek is uitgelegd, volgens mij.
De ontkenning hiervan is natuurlijk wel het centrale thema van het rapport van Meesters. Wanneer dit hoofdpunt gewoon wordt geaccepteerd door het MOB, dan zijn de andere punten eigenlijk te zien als detailkritiek, met het oogmerk om het rapport van Meesters te verbeteren.
Ik heb eigenlijk de indruk dat dit niet helemaal overeen komt met de bedoeling van het MOB.
Ad 7) De onzekerheden bij vergunningverlening zijn veel groter dan bij landelijke (globale) gemiddeldes.
Dat is dus niet zo volgens het MOB, maar de commissie Hornkamp was hier toch echt heel duidelijk over. AERIUS was leuk voor beleidsmakers, maar de onzekerheden bij vergunningverlening zijn veel te groot om hiermee verder te gaan. (zie o.a. link)
Ad 8) De grootste bron van onzekerheid bij de landelijke berekeningen ligt in de onbekendheid van stikstofbronnen.
Nou, daar ben ik het dus helemaal mee eens, alleen zie ik uit de voorbeelden niet dat het MOB ook een realistisch beeld heeft van deze onbekende “stikstofbronnen” (zie ook mijn vorige twee blogs over dit onderwerp) en de aard en omvang van dit probleem.
Het is het probleem wat in deze blog uitgebreid aan de orde komt en waarvoor ook onze ‘stikstofprofessor’ Jan Willem Erisman geen oplossing wist te vinden: Hoe kan het dat de stikstofconcentratie in Nederland regionaal zo verschillend is, terwijl onze lokale ‘gekende bronnen’ nauwelijks invloed op deze concentratie lijken te hebben?
De bekende en berekenende stikstofemissie op Schiermonnikoog (hoe regionaal wil je het hebben?) daalde met 38%, maar dit had geen enkel effect op de ammoniak-concentratie. Hoe kan dat?
Het MOB ziet hier dus ook een probleem. Desalniettemin zou het fijn zijn als het MOB de rechters, die ze toch regelmatig te spreken krijgen, wat zouden voorlichten over deze ‘duistere materie’. Het geeft ook een wat beter beeld voor de rechters ten aanzien van het effect van de klaarblijkelijk wel bekende bronnen.
Ad 9) De onzekerheid in de omrekening van berekende concentratie in de lucht naar depositie op plant en bodem verzwakt de uitspraak van Meester danig.
Een dergelijke stellingname is leuk voor binnen een tunnelvisie. Van de lezers wordt verwacht dat ze wel zullen snappen wat hier wordt bedoeld, terwijl het in feite om een onnavolgbare logica gaat. Hoezo?
Ad 10) In een recent onderzoek van het RIVM blijkt dat de berekening vanuit een individuele bron nauwkeuriger is dan het landelijk gemiddelde.
Nu kent het MOB blijkbaar een nieuw RIVM onderzoek wat iets anders zegt dan de commissie Horndijk (zie ad 7), maar het zou toch handig zijn om de bron dan te vermelden, voordat een arme blogger weer de hele RIVM bibliotheek zou moeten doorwerken om dit argument te kunnen bespreken…
Ad 11) Alleen de droge component van stikstofdepositie kan niet gemeten worden
Natte depositie kan vrij eenvoudig worden gemeten. Op basis van de metingen bij de 7 LML -meetstations wordt uitgegaan van een natte depositie die ongeveer 7 kg per jaar bedraagt. De ‘droge depositie’ is volgens de laatste inschattingen hoger. In 2023 zou de totale depositie van stikstof 18,4 kg zijn geweest (bron: clo); 11,4 kg droge depositie dus.
Maar, zoals al eerder opgemerkt:
“Bij regenwater is er bijvoorbeeld altijd ‘run-off’ bij hogere bui-intensiteiten (de studie van STOWA had bijvoorbeeld betrekking op de kwaliteit van afstromend regenwater). Daarnaast vinden er reacties plaats tussen de verschillende stoffen (ammonium en nitraat) er vinden biologische omzettingen plaats in het water (nitrificatie/denitrificatie) waardoor de gevallen stikstof evenzogoed weer verdwijnt. Ook blijkt het grond- en oppervlaktewater nogal wat stikstof af te voeren.”
En droge depositie is inderdaad nog veel lastiger. Het MOB lijkt het hier eigenlijk wel met Meesters wel eens te zijn: “indien atmosferische concentraties wel goed gemeten kunnen worden is het niet uitgesloten dat ook [droge] depositie – met zekere veronderstellingen – goed bekend is.”
Nee, een heel overtuigend betoog is dat niet. Sterker nog, in het eerder aangehaalde onderzoek van Hanekamp et al. blijkt, uit een poging om een correlatie te vinden tussen de verschillende meetstations in Nederland, dat juist de lokale variaties een overwegende invloed hebben op de gemeten stikstofconcentraties.
Wanneer de meetstations goed met elkaar correleren, dan kunnen de stations samen een representatief landelijk beeld geven, wat gebruikt kan worden voor het opstellen van een landelijk rekenmodel als AERIUS. Maar van een goede correlatie bleek in dit onderzoek echter geen sprake te zijn. In het rapport wordt gesteld:
“Als de correlatie sterk zou zijn, dan verwacht je veel punten om en nabij een rechte lijn die vanuit de oorsprong schuin omhoogloopt. Echter, wat we zien is dat lage waarden bij het ene station gepaard kunnen gaan met hoge waarden bij het andere station en omgekeerd. Dit beeld zien we terug bij eigenlijk alle kruiscorrelaties tussen alle stations:”
Geconcludeerd kan worden dat de ammoniakconcentratie grotendeels lokaal bepaald is en sterk fluctueert in de tijd. En daarmee kun je dus ook uitsluiten dat de droge depositie (ook volgens het MOB) goed bekend is…
Ad 12) We vertrouwen dat model voldoende, om de lengte van het gekleurde staafje te vereenzelvigen met de kamertemperatuur. Zo zou het bij de stikstofdepositie ook kunnen gaan!
Dat staafje is echter een meting, die had je volgens Ad 3, volgens het MOB, toch helemaal niet nodig? Een model is echt iets anders dan een meting.
Maar goed, als je iets wilt zien, dan ga je het zien, voor anderen (buiten de tunnel), is dat vrijwel onmogelijk wanneer het gaat om iets wat simpelweg niet te volgen is.
Ad 13) Juist de omrekening van concentratie naar droge depositie is een van de grootste bronnen van onzekerheid, maar de berekening moet [alleen] uitsluitsel geven of de depositie toe- of afneemt; niet hoeveel die toe- of afneemt.
Dit is bijzonder. We leggen de lat nu wel heel laag, maar, zoals al eerder aangegeven, een puntbron gaat binnen 500 meter volledig is opgegaan in de achtergronddepositie, die in ieder geval voor een groot deel wordt bepaald door bronnen die we dus niet goed kennen (zie ad 8).
Hoe kan een rekenmodel wat uitgaat van wél bekende bronnen, dan wel correct gaan voorspellen of de depositie gaat toe- of afnemen?
Ad 14) De KDW is in principe de depositie die een habitattype langdurig kan verdragen zonder ernstige schade van die depositie te lijden.
Dit is nogal een bijzondere definitie van wat de KDW precies is. In het “Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000; herziening 2023 (Wamelink et al) wordt dit toch anders gedefinieerd. Hier is de KDW:
“de grens waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie.”
Nu heeft atmosferische depositie nauwelijks een verzurende werking (zie link) en over de vermestende werking van reactief stikstof weten we, bij gebrek aan metingen (zie link) eigenlijk niets, waardoor de ‘significante aantasting’ door atmosferische depositie eigenlijk (wel heel toepasselijk) ‘uit de lucht komt vallen’.
Ad 15) Anders dan Meester zouden wij dan concluderen dat er wellicht al schade ontstaat als de depositie onder (bijvoorbeeld) de helft van de KDW ligt.
Dat is natuurlijk leuk, maar op grond waarvan?
Het hoofdargument hierbij is dus dat alle twijfel uitgesloten moet worden volgens het MOB.
Maar zoals al eerder aangegeven is dat niet zo:
“In overeenstemming met het Europese evenredigheidsbeginsel, gebaseerd op artikel 5, lid 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), beoogt de Habitatrichtlijn echter niet alle menselijke activiteiten te verbieden die nadelige gevolgen zullen hebben. Daarom zijn, enerzijds in artikel 6, lid 3, maar ook in artikel 6, lid 2, van de HD, alleen significante nadelige gevolgen of verstoringen in een Natura 2000-gebied relevant.”
U snapt inmiddels waarschijnlijk ook al waar de definitie ten aanzien van de KDW vandaan komt. Maar nu zijn de KDW al op een heel bijzondere manier gevonden (zie link en link en link en link en dus het rapport van Meesters), maar volstrekt onduidelijk is hoe de kleine verschillen in reactieve stikstof voor ‘significante effecten’ kunnen zorgen ten aanzien van de stikstofgehalten van de bodems, die mogelijk wel effect hebben op het ecosysteem.
Let wel, dergelijke bodemonderzoeken zijn in Nederland op natuurgebieden zeer schaars en het onderzoek wat H. Prins onlangs publiceerde over de bodemtoestand van de Veluwe, komt op geen enkele manier overeen met hetgeen volgens de stikstofdepositieberekeningen verwacht kon worden (zie link).
Je kunt de KDW dan wel op een goede manier definiëren, maar het gevolg moet dan wel zijn dat je onderzoekt wat je zegt te onderzoeken. Een correlatie tussen een hoge achtergrondwaarde en een ‘vermeste grond’ geeft (zoals hier al aangegeven) nog geen oorzakelijk (causaal) verband.
Ad 16) Twijfel aan de KDW is dan ook totaal irrelevant.
Tsja, hoe krijg je het uit je pen/ laptop? Ik weet dat dit soort argumenten ook vaak door de Spaanse Inquisitie (ook een soort rechtbank, toch?) werden gebruikt om heksen en ketters op hun plaats te zetten, maar mag ik het MOB eraan herinneren dat het hier gaat om een wetenschappelijke discussie waar we normaliter toch op een iets gematigder toon onze argumenten uiteenzetten.
Deze ‘stemmingmakerij’ heeft dus al geleid tot rapporten voor de regering, waarin de rol van de landbouw volledig wordt gemarginaliseerd, omdat die verantwoordelijk zou zijn voor het onbetaalbare Nederlandse stikstofslot (zie link).
Dit geeft uiteraard wel een mooi beeld over hoe dit soort maatschappelijke kwesties al snel uit de hand lopen, wanneer de rechters, al te duidelijk, zelf partij kiezen.