Nieuw stikstofbeleid 2, Ontwikkelingsruimte

Belofte maakt schuld. Wat is dan nu precies het probleem met het nieuwe stikstofbeleid, zoals uitgewerkt in het ontwerpprogramma Stikstofreductie en Natuurverbetering? Voor degenen die dus, ondanks alle aanvechtbare veronderstellingen, toch bereid zijn om mee te denken met de overheid én de zorgen over de Natuur in Nederland, die gebukt gaat onder stikstof, zijn er een aantal kanttekeningen die ik zou willen maken.

Interpretatievrijheid jurisprudentie

Gesteld wordt:
“In de EU zijn afspraken gemaakt over de bescherming van natuurgebieden. Nederland moet zich daaraan houden. In 2019 oordeelde de Raad van State dat Nederland dat niet goed genoeg doet: er komt teveel stikstof terecht in natuurgebieden.
Daarnaast heeft de stikstofcrisis grote maatschappelijke gevolgen en werpt grote barrières op voor economische en maatschappelijke ontwikkelingen.
De sleutel voor het oplossen van de stikstofproblematiek ligt in een aanpak die zich richt op vermindering van de stikstofneerslag op de natuur (stikstofreductie) en versterking van de natuur (natuurverbetering).” (Pagina 6)
Reactie:
In de EU zijn afspraken gemaakt over de bescherming van natuurgebieden. Er zijn géén afspraken gemaakt over de reductie van stikstof.
De Raad van State concludeerde terecht dat de PAS strijdig was met de Europese natuurregelgeving. Er kan geen “ontwikkelruimte” worden weggegeven wanneer niet zeker is dat getroffen maatregelen stikstofreductie waarborgen. Dat is een fout in de motivering.
De conclusie dat er teveel stikstof in de natuurgebieden komt, kan echter niet door een rechtbank worden getrokken, zonder nader, hiertoe gericht (onafhankelijk) onderzoek.
Dit laatste hoeft niet per se door Greenpeace betaald te worden. En hoeft ook niet per se te worden uitgevoerd door onderzoekers waarvan we al (héél lang) weten hoe zij over stikstof denken.
De grote maatschappelijke gevolgen zijn duidelijk, maar dat de sleutel voor “het oplossen van de stikstofproblematiek ligt in een aanpak die zich richt op vermindering van de stikstofneerslag op de natuur (stikstofreductie)” is op zijn minst discutabel.
Allereerst is datgene wat hier als vanzelfsprekendheid wordt gepresenteerd, nl. dat de oplossing van de stikstofproblematiek gevonden moet worden door stikstofreductie, helemaal niet zo vanzelfsprekend. Ik ben hier in mijn vorige blog al kort op ingegaan.
Natuurversterking is uiteraard wel een oplossing voor de natuur, maar kweek je dan niet nog meer stikstof gevoelige habitats die weer beschermd moeten worden van Europa?
Wat mij betreft is het in ieder geval wel een concrete beleidsbeslissing (dus: appellabel) om ondanks het bovenstaande reeds nu gesprekken te gaan voeren over een ‘benodigde’ stikstofreductie.

De wettelijke omgevingswaarden

Gesteld wordt:
“Nederland is verplicht om voor de natuurwaarden die op grond van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn beschermd een zogenaamde ‘gunstige staat van instandhouding’ te bereiken op landelijk niveau. In de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (verder: Wsn) zijn resultaatsverplichtende omgevingswaarden voor stikstof opgenomen. Deze omgevingswaarden zijn gericht op de vermindering van de depositie van stikstof op daarvoor gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. (..)
Dit programma richt zich op het bereiken van de benodigde condities voor instandhoudingsdoelstellingen van de voor stikstof gevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten per Natura 2000-gebied. Zowel de bronmaatregelen (die de stikstofuitstoot bij de bron aanpakken) als de natuurherstelmaatregelen zijn hierop gericht. De resultaatsverplichtende omgevingswaarden zijn daaraan ondersteunend.” (pagina 7)
Het gaat hierbij om een nieuw element in de Stikstofwet. De “wettelijk vastgestelde omgevingswaarde” voor stikstof. In artikel 1.12a is het nogal kras geformuleerd:
“1. Het percentage van het areaal van de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden waarop de depositie van stikstof niet groter is dan de hoeveelheid in mol per hectare per jaar waarboven verslechtering van de kwaliteit van die habitats niet op voorhand is uit te sluiten, bedraagt:
a.in 2025: ten minste 40%;
b.in 2030: ten minste 50%;
c.in 2035: ten minste 74%.
2.De in het eerste lid bedoelde omgevingswaarden zijn resultaatsverplichtingen.”
Het is allemaal wat merkwaardig geformuleerd; maar ik begrijp hieruit dat de wettelijke omgevingswaarde in feite niets anders is dan de aloude Kritische Depositie Waarde (KDW)?
Reactie:
Hoe gaan we deze omgevingswaarden halen? De beïnvloeding van de stikstofconcentratie, ook bij grote bronnen, verdwijnt immers na ongeveer 300 meter in de achtergronddepositie (zie vorige blog).
De meeste habitatgebieden liggen niet binnen 300 meter van de grote stikstofbronnen. Hoe moet de resultaatverplichting dan worden uitgelegd?
De crux hierbij is uiteraard dat de stikstofwetenschappers een rekeninstrument hebben geproduceerd, waarmee de indruk wordt gewekt dat voorspeld kan worden wat de bijdrage van een stikstofemissie op een kilometers verder gelegen natuurgebied is. De Aerius-calculator. Wanneer je dit inderdaad zou kunnen, dan zou je dus inderdaad de stikstofdepositie kunnen manipuleren.
Probleem is alleen wel dat de rekenresultaten van Aerius slechts zeer ten dele overeen komen met, de door satelliet-metingen, geconstateerde stikstof-concentraties, die bepalend zijn voor de depositie.
De analogie met het klimaatvraagstuk dringt zich op. Op basis van computermodellen, die dus eigenlijk niet overeen komen met wat we via satellietwaarnemingen kunnen zien, worden peperdure maatregelen voorgeschreven, waarvan we helemaal niet weten of ze ook daadwerkelijk effect hebben. Maar misschien is het goed om bij dit alles nog eens de doelen van de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering (“de Stikstofwet”) aan te halen.
Doel van de Stikstofwet is “om de depositie van stikstof op daarvoor gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden te verminderen en om de natuur in die gebieden te verbeteren, met behulp van in regelgeving vastgestelde omgevingswaarden en een programma met maatregelen, om de tijdelijke stikstofemissies door activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing te kunnen laten bij de Natura 2000-vergunning en om voorheen vergunningvrije projecten met een geringe depositie te legaliseren;” (Staatsblad 2021, 140)
Het is een duidelijk compromis. Om bouwprojecten te kunnen laten doorgaan (zie link) en PAS-melders en vrijgestelden (zie link) van een vergunning te kunnen voorzien, worden vergaande maatregelen, om natuurverbetering te realiseren, doorgevoerd.
Echter, hoe de PAS-melders van een vergunning worden voorzien is nog steeds niet duidelijk, terwijl de bouwprojecten toch alweer door de milieugroeperingen en de Postcode loterij worden bedreigd (zie link). Maar voor de Natuurmaatregelen wordt nu blijkbaar toch wel tempo gemaakt.

Rekenen met de omgevingswaarde?

Een andere kanttekening zou ik in dit kader zou willen maken, geldt voor de wijze waarop de omgevingswaarde blijkbaar moet worden geïnterpreteerd (wanneer ik de recente krantenberichten hierover mag geloven).
Een omgevingswaarde voor stikstof is dus volgens de Stikstofwet de waarde: “voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden waarop de depositie van stikstof niet groter is dan de hoeveelheid in mol per hectare per jaar waarboven verslechtering van de kwaliteit van die habitats niet op voorhand is uit te sluiten.”
Maar is dat een onveranderlijke grootheid die alleen afhangt van de aard van het betreffende habitat?
Het zou prettig zijn om hierbij wat nadere toelichting te krijgen.
Stel: een zeldzaam heideschraal grasland in een Natura 2000 gebied met een KDW van 830 mol (14 kg)/ ha/ jaar, is gelegen in een gebied met een achtergronddepositie (berekend) van 20 kg/ ha/ jaar. Het huidige beheer is, zoals het een Staatsbosbeheer of Natuurmonumenten momenteel betaamd: niets doen (want er is geen geld voor actief beheer). Er komt een nieuwe beheerder. Die vraagt aan de naburige boer om het heideschrale grasland eens te maaien. De boer gaat akkoord en maait dus ongeveer 3 ton droge stof per jaar (productiegrenzen blauwgrasland ligt tussen 1 en 4,5 ton droge stof/ha/jaar, zie link).
Het eiwitgehalte van gras ligt tussen de 150- 250 gram per kilogram droge stof. Eiwit bestaat voor ongeveer 15% uit stikstof, wat dus betekent dat er 3.000 kg* 0,15 kg eiwit/kg d.s. * 15% = 67,5 kg stikstof van deze hectare wordt afgevoerd. Wat is nu de omgevingswaarde geworden? De oorspronkelijke 14 kg – 67,5 kg +20 kg = -33,5 kg depositieruimte?

Bedreigde soorten

Gesteld wordt:
“Habitattypen en soorten van de Habitatrichtlijn Op landelijk niveau wordt iedere zes jaar de staat van instandhouding bepaald van de habitattypen en soorten van bijlage 2 van de Habitatrichtlijn. Hierover wordt aan de Europese Commissie gerapporteerd, de artikel 17-rapportage. De meest recente rapportage is in 2019 ingediend en bevat daarmee de meest actuele informatie over de staat van instandhouding van habitattypen en soorten van de Habitatrichtlijn waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden in Natura 2000-gebieden9.” (pagina 18)
Reactie:
De verwijzing onder 9 is naar de “Vogel- en Habitatrichtlijnrapportage 2019” door de WUR.
In deze rapportage moet dan dus aan de orde komen in hoeverre plant- en diersoorten worden bedreigd door de stikstofdepositie.
Er zijn in dit rapport inderdaad een aantal  verwijzingen naar stikstofdepositie, maar, anders dan verwacht kan worden, zijn het er (naast wat algemeenheden) niet eens zoveel. Het gaat om:
Grijze Duinen: “de tapuit (A277), rugstreeppad (H1170) en zandhagedis (H1261) bedreigd worden door het dichtgroeien van open duin door stikstofdepositie en andere oorzaken.”(p.17)
Hogere zandgronden: “Hoge stikstofdepositie en verzuring zorgen hier dat bijvoorbeeld voorheen vrij algemene soorten als rozenkransje en heivlinder zijn verdwenen. De stikstofdepositie zorgt ook voor een onbalans van voedingsstoffen in de bodem die via de voedselketen doorwerkt naar de vegetatie, insecten en vogels, waardoor die moeite hebben om hun mineralenbalans op peil te houden. Verdroging, mede onder invloed van de klimaatverandering, versterkt deze ontwikkeling.” (p.23)
Spechten: “De draaihals (A233) is een beetje een buitenbeentje, want het is geen echte bosvogel. Hij leeft van mieren(poppen) en zoekt die vooral in schrale vegetaties. Deze vegetaties vergrassen als gevolg van stikstofdepositie. Daarom is de trend qua populatie en verspreiding van deze broedvogel op de langere termijn negatief.” (p.25)
Het zijn dus maar een drietal concrete vermeldingen, maar zelfs bij de met name benoemde soorten lijken de argumenten er met de haren bijgesleept.
Het dichtgroeien van de Grijze Duinen kan eigenlijk maar weinig met stikstofdepositie te maken hebben, aangezien het in het duinengebied toch gaat om vooral aanlandige wind uit de Noordzee. De stikstofdepositieniveaus zijn hier dan ook het laagste van Nederland.
Het verdwijnen van de konijnen uit Nederland (zelfs in het duinengebied) lijkt een wat logischer verklaring, zeker bij de tapuit, die broedt in konijnenholen.
Het rozenkransje was tot 1850 een redelijk algemeen voorkomende soort op de zandgronden in Nederland. Daarna ging het bergafwaarts. Rond 1930 was het aantal locaties gehalveerd en rond 1970 was nog maar tien procent over. Inmiddels zijn er nog zes locaties in Nederland, waarvan één in Meijendel.
De snelle achteruitgang wordt mede veroorzaakt door de bijzonderheid dat mannetjes- en vrouwtjesbloemen op gescheiden planten staan. Is één van de geslachten uitgestorven op één plek, dan sterft uiteindelijk de soort daar uit. (zie link)
Wat stikstof hier nu precies mee te maken kan hebben gehad is mij niet helemaal duidelijk.
Wat de heidevlinder betreft, volgens Waarneming.nl gaat de soort in de Benelux achteruit en is op veel plaatsen in het binnenland verdwenen. “Dit wordt waarschijnlijk veroorzaakt door het stopzetten van de begrazing waardoor de structuur: graspollen met openplekken, aan het verdwijnen is. Ook de ondoordringbare begroeiing door de invasieve exoot Tankmos (het Grijs Kronkelsteeltje) op voormalige kale zandbodem is een slechte ontwikkeling.”
En zelfs de uiterst stikstofkritische vlinderstichting merkt op:
“Opvallend: ook Midden-Nederland heeft te maken met een flink hoge stikstofdepositie (vooral uit de Gelderse Vallei en de Achterhoek en Twente), maar de trend [voor de heivlinder] is toch minder negatief. Dat kan te maken hebben met het feit dat hier veel grotere aaneengesloten heideterreinen zijn dan in Zuid- en Noord-Nederland. In Midden-Nederland zijn de populaties gemiddeld vijftien vierkante kilometer groot en in het zuiden en noorden vijf tot tien vierkante kilometer. In robuuste gebieden is de kans op herstel van populaties groter dan in de kleine en versnipperde terreinen.”
Zouden de problemen van de heidevelden [zie link] ook hun weerslag kunnen hebben op de heidevlinderpopulaties?
De Heidevlinder is hierdoor ook niet echt een duidelijke stikstofindicator.
Het verhaal dat de stikstofdepositie ook zorgt voor “een onbalans van voedingsstoffen in de bodem, die via de voedselketen doorwerkt naar de vegetatie, insecten en vogels, waardoor die moeite hebben om hun mineralenbalans op peil te houden” is een broodje aap.
Stikstofdepositie zou in theorie inderdaad kunnen zorgen voor een andere vegetatiesoorten-samenstelling, maar een: “onbalans van voedingsstoffen in de bodem” vereist toch ook een “balans van voedingsstoffen in de bodem”. Wat is dat?
De teloorgang van de draaihals wordt geweten aan de terugloop van de mierenpopulaties in Nederland. Het is een klassieker om dit te wijten aan de vergrassing van Nederland. Maar het is nog nooit aangetoond dat mieren verdwijnen omdat er meer gras zou groeien. Passen de mieren er dan niet meer tussen?
Er zijn andere en veel meer voor de hand liggende oorzaken voor het verdwijnen van de mieren in Nederland, maar daarover een andere keer meer.

De economische voetangels

Gesteld wordt:
“Het programma SN is – anders dan het PAS – geen systeem voor het genereren van ontwikkelingsruimte voor vergunningverlening. Dit programma zorgt er wel voor, door in de opgave voor natuurbehoud en -herstel te voorzien, dat er geleidelijk minder knelpunten voor economische en maatschappelijke activiteiten ontstaan.” (pagina 10)
Reactie:
Dit is vreemd. In artikel 1.12b van de Wet is nl. ook te lezen: “[Bij de vaststelling van het programma stikstofreductie] houdt Onze Minister rekening met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied en met de regionale en lokale bijzonderheden.”
Deze afwijking van de Stikstofwet lijkt mij ook weer een concrete beleidsbeslissing en dus appellabel. De consequenties van het ongewijzigd in stand houden van knelpuntsituaties, zonder concreet en reëel uitzicht op het beëindigen hiervan, lijkt mij in strijd met een hele trits aan beginselen van behoorlijk bestuur. Dan hebben we het (om te beginnen) over het rechtszekerheidsbeginsel (hoe kon een ondernemer in het jaar 2015 ooit weten dat het zo gek zou worden?), zorgvuldigheidsbeginsel (zijn alternatieven overwogen? Welke dan?), proportionaliteitsbeginsel (moet alle economische activiteit van een gebied worden stopgezet vanwege de nooit wetenschappelijk vastgestelde bedreiging voor een specifiek (romp)habitat?), het fair-play beginsel (zie eerder gemaakte kanttekeningen) en het gelijkheidsbeginsel (waarom kan een ondernemer die in het gebied al over stikstofrechten beschikt wel (door intern te salderen) uitbreiden en een ondernemer die later is begonnen niet?).
Daarnaast is het totaal onduidelijk welke financiële consequenties dit alles voor het bedrijfsleven en woningbouw zal hebben.
Op pagina 8 van het ontwerpprogramma wordt de stelling van de Minister nog wat toegelicht:
“Met een robuust en stevig pakket aan maatregelen wordt daarbij gegarandeerd dat de landelijke omgevingswaarden en de instandhoudingsdoelstellingen worden behaald. Daarmee is dit programma ook van belang voor de onderbouwing van de partiële vrijstelling voor de bouwsector.”
Hoe gaat men dit garanderen? Wanneer een reductie van 53% van de uitstoot van agrarische bedrijven (zoals plaatsvond in Hongarije na de ‘val van de Muur’, zie link) geen aantoonbaar effect had op het gehalte ammoniak in de atmosfeer (en dus ammoniakdepositie), hoe gaat men dit dan in Nederland wel bewerkstelligen?
Een ander nogal nijpend probleem is dat voor sommige habitats de omgevingswaarde ook na de meest drastische ingrepen nog niet in beeld komt. In de PAS-analyse voor het Fochterloerveen wordt bijvoorbeeld opgemerkt:
“De KDW voor H7110A Actieve hoogvenen ligt op 500 Mol/ha./jaar. De gemiddelde depositie bedraagt in het referentiejaar (2014) 1.161 mol/ha/jaar (Aerius Monitor 16L) en daarmee wordt de KDW overschreden. In 2020 is sprake van een gemiddelde afname van 87 mol/ha/jr waarbij het gemiddelde op 1.074 komt. In 2030 wordt een gemiddelde afname van 161 mol/ha/jr gerealiseerd en is de gemiddelde depositie op dit habitattype 1000 mol/ha/jr. Dit betekent dat de KDW van het habitattype ook in 2030 nog wordt overschreden.”
En niet met zo’n beetje. Het gaat om een afname van 500 mol die nog gerealiseerd moet worden (een halvering van de geprojecteerde depositie in 2030). Gaan we alles net zo lang op slot zetten en bedrijven uitkopen tot de achtergrond depositiewaarde van 500 mol (7 kg) ooit bereikt gaat worden?
De straal die Aerius trekt om beschermde gebieden is maar liefst 25 km. dat betekent een oppervlakte van 491 km2, ofwel ongeveer 20% van de provincie Drenthe.
Voor de economische ontwikkeling van Drenthe is het dan ook niet te hopen dat er nog meer van dergelijke gebiedjes als het Fochterloer veen aanwezig zijn…53
Fochterloerveen
Voor hoogveen is het in dit kader is het ook leuk om te weten dat in de studie “Ontwikkelingen en herstel van hoogveensystemen” door het Ministerie van LNV uit 2002 (Schouwenaars et al.), wordt opgemerkt dat in hoogveen fixatie van stikstof uit de atmosfeer plaats vindt, door cyanobacteriën die geassocieerd zijn met veen en Sphagnum. Deze binding ligt in de orde van een tot enkele kg per ha per jaar met uitschieters tot wel 10 kg N (Granhall & Selander 1973; Waughman & Bellamy 1980, Chapman & Hemond 1982).
In schone gebieden is de (totale) atmosferische depositie van stikstof lager dan 5 kg per ha, per jaar en zal fixatie dus een belangrijke rol spelen in de totale stikstofbeschikbaarheid. Stikstof is in dit geval waarschijnlijk limiterend voor de groei (Aerts et al. 1992; Proctor 1995).
Daarnaast werd in het Alterra-rapport 2225 “Hoogveen en klimaatverandering in Nederland” (2011) gevonden dat niet stikstof, maar de waterhuishouding van een gebeid de belangrijkste voorwaarde voor ontwikkeling van het hoogveen is (zie ook link).
 Over de consequenties van dit alles zal ik in de volgende (laatste) blog over dit onderwerp nog terugkomen.
Dit programma is duidelijk geen systeem voor het genereren van ontwikkelingsruimte voor vergunningverlening.

Geplaatst

in

door

Tags: