Het was een heel toepasselijk item in het programma “Het nieuws van de dag”.
Mona Keijzer, voormalig boegbeeld van de BoerBurgerBeweging schoof aan. De voormalige vicepremier van Nederland barstte los toe verslaggever Wouter de Winther stelde dat: “Wanneer de rechter in Nederland zegt: “Je moet ingrijpen”, en dat weet mevrouw Keijzer als voormalig vicepremier als geen ander, dan kun je zeggen dat je het onrechtvaardig vindt, maar dan kun je niet doen wat de rechter te weinig vindt.”
Ondanks deze mooie voorzet zat het volgens haar zo: “Wat je dan dus moet doen, is kijken naar waar de rechter zich op baseert. En rechters baseren zich op de wetten. We hebben een stikstofwet-probleem. Pas dan als de brandweer die wetten aan.”
(vanaf 10:47- 11:30 op deze site).
Nu dacht ik eigenlijk dat dit om een uitzondering moest gaan. Maar ook in de uiteenzetting van Lidewij Guinevère de Vos, die samen met voormalig boegbeeld Thierry Boudet, blijkbaar zelfs een boek had geschreven over de stikstofproblematiek: “Niemand in de cockpit” hoor ik ongeveer hetzelfde vertellen op deze site:
(2:38)“Al in 2006 bleek dat de [kritische depositie waarden] onrealistisch waren en zolang het kabinet ze bleef hanteren bleef de rechter het kabinet houden aan haar eigen onhaalbare doelstellingen. De stikstof- impasse was geboren. (…)
(4:25) “Het is een uitermate treurig schouwspel. Al 25 jaar zit dit land in een impasse en al 25 jaar is de weg uit de impasse glashelder.”
Of Laura Bromet. Het NOS meldt: “Pro-Kamerlid Bromet werd kritisch bevraagd en moest zichzelf en haar partijstandpunt verdedigen. “Ik haat geen boeren, ik woon tussen de boeren, ik spreek met boeren, ik word gebeld door boeren die zeggen: u heeft gelijk”, zei Bromet. “Wij willen uit dit rondje dat al zeven jaar gedraaid wordt.” (zie link)
Wat me dus meer dan dit alles verbaast is dat blijkbaar geen van de genoemde politieke kopstukken ook maar enig idee lijkt te hebben waardoor al die dommigheid van al die vorige kabinetten bij elkaar, inclusief het hooggeleerde ondersteunende ambtelijke apparaat, wordt veroorzaakt. Wat zou er toch aan de hand zijn waardoor die glasheldere problematiek toch zo moeilijk is om op te lossen?
Welnu, ik zal u niet langer in spanning houden, dat komt omdat de politieke partijen er helemaal niets over te vertellen hebben. Normaal gesproken is het zo dat de wetgevende macht berust op het feit dat de hiervoor aangewezen macht ook over de mogelijkheden beschikt om ervoor te zorgen dat de wetten ook ten uitvoer worden gebracht.
Ik heb er al eerder over geschreven (zie link). Het democratische denken berust grotendeels op de opvattingen die de Franse filosoof Charles Louis de Secondat, baron de La Brède et de Montesquieu (1689-1755) opschreef over de ‘scheiding van machten’.
Montesquieu was van oordeel dat politieke macht altijd gevaarlijk is en een bron van corruptie kan zijn. Daarom is het belangrijk dat de ene macht de andere in bedwang houdt. Wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht mogen volgens hem niet in dezelfde hand zijn.
Hij bepleitte de onafhankelijkheid van de wetgevende macht in de handen van beide (gekozen) huizen van het parlement, terwijl de uitvoerende macht bij de Koning moest berusten.
De schaduwzijde van zulk een oplossing is echter dat wanneer wetgevende en uitvoerende macht in verschillende handen berusten, het gevaar groot is, dat uitgevaardigde wetten een dode letter blijven, omdat de uitvoerende macht ze saboteert. Wetten mogen dan nog zo voortreffelijk zijn, maar wanneer ze niet in praktijk gebracht worden, waarborgen ze de vrijheid niet.”
Maar gelukkig is er dan nog een derde macht, die hier uitkomst kan bieden. De rechtsprekende macht, die de naleving van de wetten kan afdwingen.
Deze rechtsprekende macht moet ook in handen liggen van onafhankelijke rechters. Parlement (wetgevende macht) en regering (uitvoerende macht) mogen geen zeggenschap hebben over het oordeel van de rechter, die zich direct ondersteund weet door het openbaar ministerie, dat weer samenwerkt met politie en andere opsporingsdiensten.
Maar met de optuiging van de Europese gemeenschap is er een factor van belang bijgekomen waardoor dit systeem deels niet meer in de geest van Montesquieu kan functioneren. Om Europa op te bouwen, hebben een aantal lidstaten (waaronder Nederland) onderling verdragen gesloten waarbij de Europese Gemeenschappen en, later, een Europese Unie werden opgericht, die over instellingen beschikken die op bepaalde gebieden rechtsregels vaststellen.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie is de rechtsprekende instelling van de Unie en van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EGA). Deze instelling bestaat uit twee rechterlijke instanties: het Hof van Justitie en het Gerecht. Zij heeft als voornaamste taak het toetsen van de wettigheid van handelingen van de Unie en het verzekeren van een uniforme uitlegging en toepassing van het recht daarvan. Iets wat overigens niet altijd lijkt te lukken (zie link).
In zijn rechtspraak heeft het Hof van Justitie het beginsel ontwikkeld dat de nationale instanties en rechters binnen hun bevoegdheidssfeer het recht van de Unie ten volle dienen toe te passen en de rechten die het recht van de Unie aan de burgers verleent, dienen te beschermen (rechtstreekse toepassing van het recht van de Unie), door elke strijdige bepaling van het nationale recht buiten toepassing te laten, ongeacht of deze bepaling vóór dan wel na de norm van de Unie is vastgesteld (voorrang van het recht van de Unie op het nationale recht).
De bestuursrechters van de lidstaten mogen de genomen Europese uitspraken interpreteren naar eigen inzicht en zij kunnen daar ook consequenties aan vastknopen die met geen mogelijkheid uit deze uitspraken zijn te herleiden: “We moeten wel van Europa”?
Kort en goed betekent dit dus dat de nationale overheden simpelweg buitenspel gezet kunnen worden door de bestuursrechters wanneer zij (of liever hun adviseurs) van mening zijn dat een bepaalde regel strijdig is met het Europese recht. Rechters baseren zich dus niet altijd op wetten.
Dit is dus precies wat er gebeurd is met het Programma Aanpak Stikstof (PAS), maar ook met de zgn. “bouwvrijstelling” van het kabinet Rutte IV en tal van andere maatregelen waarmee de verschillende kabinetten hebben geprobeerd om het “glasheldere stikstofprobleem” tot een einde te brengen.
Hoe De Vos en Baudet gezamenlijk tot de conclusie zijn gekomen dat die arme rechter de onhaalbare wettelijke eisen wel moest toepassen en dat daardoor de stikstof- impasse was geboren, is mij dan ook een raadsel.
Ik weet het, kritiek op de Raad van State is niet populair en CDA-leider Henri Bontenbal opende een jaar geleden nog de aanval op de de BBB met zijn bewering dat hun leiders de democratie in Nederland onderuithalen met hun aanvallen op instituten als de Raad van State. (zie link)
Maar het kan toch niet zo zijn dat je geen kritiek op het functioneren van de Raad van State mag hebben omdat dit de democratie in Nederland zou onderuithalen. Uit het bovenstaande volgt eigenlijk het omgekeerde. De macht die de Raad van State naar zich toetrekt, zorgt er in toenemende mate voor dat de democratie in Nederland wordt onderuitgehaald, met als meest recente voorbeelden de Toeslagaffaire en de stikstofproblematiek.
Bromet heeft het goed gezien. Er wordt al 7 jaar in een kringetje rondgedraaid en naar mijn mening (zie link en link) valt dit niet los te zien van een ander onderwerp wat deze week breed werd uitgemeten in de kranten: Thom de Graaf stopt in zomer 2026 na acht jaar als vicevoorzitter Raad van State (er zat wél iemand in de cockpit).
U ziet het, onze echte koning staat er wat sipjes bij (Nederland had net verloren van Marokko). Thom de Graaf is een voormalig D66 coryfee en als zodanig zeer begaan met het milieu. Dat is niet erg, maar het hele systeem van Montesquieu was erop gebaseerd dat nooit een absoluut gezag aan wie dan ook wordt toegestaan, zij het een collectiviteit of een individu. Waarop het volgens hem aankomt is, dat er rechtvaardige wetten zijn, die nageleefd worden.
De meeste voorzitters van de Raad van State waren eigenlijk wat “kleurloze figuren”, vooral uitstekende juristen, maar Thom de Graaf was en bleef een politieke opportunist, vooral overtuigd van het eigen gelijk. En uiteraard hoop ik van zijn opvolger dat hij de gewone juridische lijn van de meeste van zijn voorgangers zal vervolgen. Maar bovenal hoop ik dat er eindelijk een politieke partij ‘wakker wordt’ en de uitzonderlijke politieke macht die nu aan de Raad van State is toegekend, en dan met name aan de ‘onderkoning’ (zie link), aan banden weet te leggen.
Over de inhoud van het stikstofdebat
Uiteraard heb ik hier ook wel een mening over.
Zo is het best wel bijzonder dat de Vos zeker weet dat 80% van de Natura2000 gebieden het gewoon prima doen, maar dat wordt aangenomen dat dit niet zo is, door de vaststelling dat de kritische depositiewaarden (KDW) in die gebieden worden overschreden: “De onderbouwing van die waarden wordt gebaseerd op de vermeende verslechtering van de natuur. Het is een cirkelredenering die met de feitelijke staat van de natuur niets van doen heeft.”
Het komt me bekend voor. Ik heb ditzelfde ook beweerd over de rapporten van de ‘Ecologische autoriteit” (zie link). Maar dit is toch echt iets anders.
Wanneer De Vos de moeite had genomen om het concept-natuurplan door te worstelen (bijlage VI bij de Kamerbrief), had ze kunnen zien dat: “De oppervlakte van ieder habitattype dat zich in een niet-goede toestand bevindt in de HR-rapportage is bepaald aan de hand van de aspecten structuur & functie en typische soorten. (p. 59)
De Nederlandse rapportages in het kader van de habitat- en vogelrichtlijn laten zien dat de toestand van habitattypen en de kwaliteit van leefgebieden van Europees beschermde soorten nog onvoldoende is. Slechts 6 van de 52 in Nederland voorkomende beschermde habitattypen verkeren in gunstige staat van instandhouding. Met 20 van de 91 inheemse habitatrichtlijnsoorten gaat het goed, maar de staat van instandhouding van 55 habitatrichtlijnsoorten is matig dan wel zeer ongunstig. Voor 16 soorten kan de staat van instandhouding (nog) niet berekend worden, waaronder 6 soorten die zich recent opnieuw gevestigd hebben in ons land. Voor de 180 broedvogels van de Vogelrichtlijn geldt dat 52% over de afgelopen 12 jaar in aantallen zijn toegenomen en 25% zijn afgenomen. Sinds 1990 zijn dat 94 soorten met een toenemende trend en 84 soorten met een afnemende trend. Voor niet-broedvogels laten de populatietrends eveneens een gevarieerd beeld zien.”
Maar betekent dit dat onze nieuwe minister Jaimi van Essen en staatssecretaris Silvio Erkens van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur de juiste maatregelen hebben getroffen?
Toen ik Minister Van Essen hoorde stamelen in café Kockelmann – 26 juni 2026 (zie link) over de vraag waarom de grens van de bufferzone op 1000 meter is gelegd en niet op bijvoorbeeld 250 meter, vroeg ik me af waarom deze portefeuille bij het slimste jongetje van de klas is neergelegd en niet bij een politiek zwaargewicht, of, doe eens iets geks, bij een deskundige in het vakgebied.
De nieuwe stikstofwetten, met haar forse consequenties voor zowel landbouw als de schatkist, lijken enkel opgetuigd om de werkelijke machthebbers (de Raad van State en haar adviseur (het Stab)) te pleasen, met de vraag: Is het zo goed?
Als ervaringsdeskundige waag ik te stellen: nee, dit slaat nergens op.
Ik vind het onbegrijpelijk dat geen enkel gebruik wordt gemaakt van de ecologische inzichten die voortvloeien uit al het onderzoekswerk wat naar de stand van de Naturas2000 gebieden is gedaan.
Nogmaals: “Met 20 van de 91 inheemse habitatrichtlijnsoorten gaat het goed, maar de staat van instandhouding van 55 habitatrichtlijnsoorten is matig dan wel zeer ongunstig. Voor 16 soorten kan de staat van instandhouding (nog) niet berekend worden, waaronder 6 soorten die zich recent opnieuw gevestigd hebben in ons land. Voor de 180 broedvogels van de Vogelrichtlijn geldt dat 52% over de afgelopen 12 jaar in aantallen zijn toegenomen en 25% zijn afgenomen. Sinds 1990 zijn dat 94 soorten met een toenemende trend en 84 soorten met een afnemende trend.”
Prima om zo het probleem te presenteren, maar wat betekent dit? Welke soorten zijn afgenomen? Waarom?
Zijn dit de soorten die inderdaad afhankelijk zijn van een ‘schraal voedselarm milieu’? Zijn het cultuurvolgers? Zijn het insecteneters van het boerenland? Zijn het soorten die afhankelijk zijn ‘ouderwetse’ boerenlandschappen, zoals hooiland? Soorten die afhankelijk zijn van specifieke hydrologische omstandigheden, zoals veengebied? Soorten die het heel slecht doen bij een toename van Ultraviolet licht? Soorten gevoelig voor bestrijdingsmiddelen? Of omgekeerd: Is er een grote vooruitgang van de soorten die afhankelijk zijn van stikstofrijke omstandigheden, zoals vlier, brandnetel en braam?
Een voorbeeld; in de KNNV-publicatie “Natuur als nooit tevoren”, onder redactie van Joop Schaminée en Eddy Weeda wordt op blz. 109 uitgewerkt dat van de 259 plantensoorten die kenmerkend zijn voor halfnatuurlijke en cultuurlijke begroeiingen er 33 zijn opgenomen op de rode lijst. Daartegenover staan slechts twee soorten van de 154 soorten tellende groep die gebonden is aan natuurlijke situaties. Dit is wel een sterke indicatie daarvoor dat eerder het beheer van deze aan mensenwerk gebonden soorten te wensen overlaat, dan dat een externe factor als stikstof een groot probleem zou zijn voor de vegetaties van Nederland.
De antwoorden op de bovenstaande vragen doen er dus toe. Op basis van de antwoorden op deze vragen kun je natuurbeleid voeren, toegespitst op de specifieke wensen van de verschillende Natura2000 gebieden, wat dus niet per se overeenkomt met stikstofbeleid, zoals alle andere landen die te maken hebben met: “Het moet wel van Europa”, al hebben vastgesteld.