Eergisteren verscheen het rapport van ‘het Consortium’, van het Planbureau voor de Leefomgeving, wat verder nog bestaat uit vertegenwoordigers van de Wageningse Universiteit (WUR) en het RIVM.
Dit Consortium had al in 2023 (Rutte IV) de opdracht gekregen om, op een structurele manier, de voortgang en effecten van het stikstof- en natuurbeleid in kaart te brengen en te evalueren. Het consortium was blijkbaar slim genoeg om de nieuwe wind van het nieuwe kabinet af te wachten, alvorens haar eindrapport te publiceren.
De mooiste kop naar aanleiding van dit rapport was wat mij betreft die van Job van der Plicht (what’s in a name) eergisteren: “Voor zoveelste keer blijkt dat Nederland te weinig doet om natuur te verbeteren”.
Waar gaat het over? Van der Plicht had de volgende samenvatting:
“Het kabinet moet meer doen om de kwaliteit van de natuur in Nederland te verbeteren. Er zit wel wat verbetering in, maar het is te weinig om de natuurdoelen te halen, blijkt donderdag uit een nieuw rapport.
Nieuw is de boodschap niet. Maar de conclusies die het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) donderdag trekt zijn opnieuw keihard. Nederland doet te weinig om de eigen stikstofdoelen te halen. De natuur kachelt daardoor verder achteruit.”
Als je zoiets maar vaak genoeg hoort, zal het wel kloppen (Argumentum ad nauseam). De natuur kachelt achteruit; maar wat staat hier nu eigenlijk over in dit blijkbaar zo belangwekkende rapport?
Welnu, samengevat was dit het:
“Voor de analyse van de effecten van maatregelen voor natuurverbetering is de gegevensbasis – net als tijdens de vorige MESN-rapportage uit 2024 – ontoereikend. Als het gaat om de beschikbaarheid van gegevens over de voortgang van de maatregelen, is er ten opzichte van de MESNrapportage uit 2024 enige verbetering, maar nog onvoldoende om conclusies te trekken. Op basis van beschikbare gegevens kan wel worden afgeleid dat tot nu toe vooral relatief eenvoudige maatregelen worden uitgevoerd om de gevolgen van stikstofdepositie binnen natuurgebieden tegen te gaan (zogenaamde patroonmaatregelen, zoals plaggen of maaien). Maatregelen om drukfactoren structureel te verminderen en het natuurlijke systeem te herstellen (systeemherstel) zijn doorgaans complexer. Daarbij stuiten uitvoerders, zoals decentrale overheden en terreinbeheerders, vaak op ingewikkeldere bestuurlijke besluitvorming en minder draagvlak. Uit onze analyses blijkt dan ook dat de inzet van deze maatregelen minder prioriteit krijgt – vooral buiten de Natura 2000-gebieden. Juist de maatregelen voor systeemherstel zijn noodzakelijk voor een duurzaam herstel van de natuur.”
Nog verder samengevat: “we weten het niet”. Want we hebben onvoldoende gegevens. De drie jaar die het Consortium had genomen om de effecten van het stikstofbeleid in kaart te brengen, was voor de wetenschappelijke top van Nederland blijkbaar onvoldoende om hier iets zinnigs over te kunnen zeggen. Dat zegt eigenlijk wel iets.
In een land waar zo ongeveer ieder graspolletje wel eens is omgedraaid door nijvere ecologen, is dit toch een verbazingwekkende conclusie. Wanneer hebben we dan wel voldoende gegevens?
En Job van de Plicht wist het wél: “de natuur kachelt” achteruit en dat komt omdat Nederland (wij Nederlanders dus, of was het toch de regering?) te weinig doet. Uit het artikel (én het Consortium-rapport) wordt het tussen de regels dan ook duidelijk: de natuur kachelt achteruit omdat de “Kritische Depositie Waarden” niet worden gehaald.
Het rapport van het Consortium gaat dan uiteindelijk ook (weer) alleen maar over het gegeven dat de Nederlandse samenleving niet gaat voldoen aan deze “Kritische Depositie Waarden” (KDW), met een eigen definitie:
“Met de KDW wordt aangegeven hoeveel stikstof de natuur kan verdragen zonder risico op negatieve gevolgen. Wanneer de stikstofdepositie boven de KDW komt, is er een risico op verslechtering van de natuur.”
Eigenlijk wijkt dit overigens nogal af van de originele definitie zoals geformuleerd door Warmelink et al (2023):
“de grens waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie.”
Want wat is nu ‘verslechtering van de natuur’? Is een zandverstuiving waardevoller dan een Lindenbos? Een vochtig hooiland slechter dan een hoogveenmoeras? Of moet dit zo gelezen worden dat de betreffende habitat’s zelf minder van kwaliteit worden? Het vochtige hooiland krijgt minder soorten en is daardoor kwalitatief minder dan het vochtige hooiland voordat de stikstofdepositie toesloeg? Maar hoe wil men dan aantonen dat stikstofdepositie hiervoor verantwoordelijk is, zonder alle andere milieubelastende invloeden hierbij ook te betrekken? Is de overschrijding van de KDW verantwoordelijk, maar waarom ontbreken hiervoor alle belangrijke voorbeelden?
Maar goed; over KDW’s en de nogal discutabele manier waarop deze KDW’s zijn gevonden, heb ik al vaker geschreven (zie link).
En voor degenen die het gemist hebben: de Nederlandse “schrale natuur” heeft immers alleen tot ontwikkeling kunnen komen door menselijk ingrijpen (half-natuur), níet omdat de lucht vroeger zo weinig reactieve stikstof-verbindingen bevatte.
Een simpel voorbeeld: Heideplantjes (struikhei, Calluna vulgaris) komen van nature voor op de voedselarme toendra’s. Het plaggen van de heidelandschappen (en dus een eeuwenlange verschraling (= afvoer van waardevolle stikstofverbindingen) van de heidegronden) heeft het heidelandschap in Nederland überhaupt mogelijk gemaakt. Maar het is natuurlijk vreemd om in de 21e eeuw, nu 18 miljoen Nederlanders een (land)oppervlakte van 33.481 km2 bewonen, met bijbehorende automobiliteit en intensieve landbouw om alle monden te voeden, om te gaan streven naar de stikstofdepositie die zou behoren bij een natuurlijk heidehabitat (de Toendra dus).
Want volgens het Consortium was het afplaggen en andere van deze “relatief eenvoudige maatregelen” volstrekt ontoereikend en moest worden gestreefd naar “de maatregelen voor systeemherstel [die] noodzakelijk [zijn] voor een duurzaam herstel van de natuur.” We móeten (volgens het Consortium) dus wel terug naar de lucht van de Toendra, want anders gaat onze natuur verloren en wij, Nederlanders, kunnen dat toch niet laten gebeuren?
Het feit dat het prima gesteld is met de natuurwaarden van het grootste heidelandschap van Europa: de Lüneburger Heide, met nagenoeg dezelfde stikstofdepositie als Nederland, hoeft dan ook verder niet besproken te worden (zie link).
Maar hoe zit het dan met de definitie van Warmelink uit 2023; natuur die wordt aangetast door “de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie”?
In mijn laatste blogs hierover heb ik me, in het licht van deze definitie, dan ook weer verwonderd over het gebrek aan serieuze onderzoeken naar de staat van de bodem in de natuurgebieden. Wanneer een verzurende en vermestende invloed zou uitgaan van de atmosferische stikstofdepositie, dan zou dit toch simpel te meten moeten zijn?
Hierbij heb ik het onderzoek van Henri Prins (gepensioneerd WUR-onderzoeker) aangehaald (zie link), die tot de conclusie kwam dat het zelfs in het ‘ecologische rampgebied Veluwe’ best wel meeviel met de dramatische stikstofinvloeden die in dit gebied aan de orde zouden zijn.
Dat kon natuurlijk niet kloppen en inderdaad, min of meer toevallig had ik er zelf ook al de nodige aandacht aan besteed (zie link); in een uitgebreid onderzoek van de WUR was immers een jaar geleden al gebleken dat: “juist in de bossen veel meer stikstof terecht komt dan we dachten”. Nieuwe metingen van de WUR toonden dit ontegenzeggelijk aan.
Goed, ik blijf natuurlijk één van de “stuurlui aan wal” en op het moment van publicatie (toen ik mijn blog hierover schreef), had ik het volste vertrouwen in het geroutineerde onderzoeksteam van de WUR die dit onderzoek had opgesteld.
Nederland heeft twee stikstofprofessoren, waarvan de ene, Jan-Willem Erisman wel vaker de landelijke pers en deze blogpagina’s heeft gehaald. De ander is veel onbekender: prof.dr.ir. W (Wim) de Vries. Toch valt op de WUR.nl- website te lezen dat deze hoogleraar “Integrale stikstofeffectanalyse” maar liefst “ruim 600 artikelen, boekbijdragen en rapporten als auteur en coauteur geschreven over bovengenoemde onderwerpen, waarvan meer dan 250 artikelen in internationale tijdschriften”.
Deze W. de Vries was dus één van de auteurs van het onderzoek: “Veranderingen van voorraden koolstof, stikstof, fosfor, kalium, calcium, magnesium, ijzer en aluminium in bosbodems tussen 1990 en 2023” (WUR, augustus 2024). Veel betrouwbaarder gaat het niet worden, toch?
In dit onderzoek werd het uitgebreide bodemonderzoek uit 1990 waarin een set van 150 locaties werd uitgekozen, met de belangrijkste boomsoorten op kalkarme zandgronden, verspreid over een variatie van bodemtypen (??? Het ging toch over kalkarme zandgronden, EJ), grondwater en [stikstof]depositieniveaus. In dit onderzoek bleven, wat teleurstellend, de metingen beperkt tot een diepte van 30 cm, terwijl ook de strooisellagen werden meegenomen.
Deze locaties werden opnieuw bezocht in 2023 en wat bleek? Een enorme toename van de hoeveelheid stikstof in deze bodems:
Goed, ik was ook verbaasd en gaf als verklaring hiervoor dat het ook wel eens kon liggen aan de enorme verzuring van het bos-strooisel, wat zorgt voor veel hogere stikstofgehalten (klopt indirect waarschijnlijk ook wel).
Maar wat blijkt? Paddenstoeldeskundige Piet-Jan Keizer blijkt al volledig op de hoogte te zijn van dit verschijnsel (voor de publicatie van het WUR-onderzoek, een jaar later) in 2023:
“Een belangrijk verschil tussen de Nederlandse en buitenlandse bossen is de dikte van de strooisel/humuslaag. Deze ontwikkelt zich , versterkt onder invloed van stikstofdepositie. De bomen produceren door de stikstof-bemesting meer strooisel dat ook nog stikstofverbindingen bevat. De afbraak ervan verloopt trager dan van stikstofarm strooisel.”
Uiteraard is veel wat hierin staat moeilijk te volgen, maar een belangrijk feit is dus blijkbaar: ons Nederlandse bos heeft veel dikkere strooisellagen dan de bossen in het buitenland.
En dat zou logisch zijn. Natuurwaarden hebben immers, tot voor kort, nauwelijks een rol gespeeld in de Nederlandse bossen. Productieve bomen werden uit de hele wereld verzameld, die bomen dus die het meeste ‘goed hout’ konden leveren. Of deze boomsoorten ook in het natuurlijke milieu van bijvoorbeeld de Veluwe pasten was een vraag van ondergeschikt belang. Problemen konden immers vrij simpel worden opgelost met bemesting, bekalking en andere (menselijke) beheersmaatregelen.
Ook is het blijkbaar een feit dat dikkere strooisellagen zorgen voor hogere stikstofgehalten (bijna 100% organisch en organisch materiaal bevat eiwitten en dus: stikstof).
– Waarom meer strooisel wordt geproduceerd door de bomen door stikstof is onbekend en ook is onduidelijk stikstofrijke strooisellagen trager zouden afbreken dan stikstofarm strooisel weten we niet. Het wordt niet nader onderbouwd, en hierover is in de literatuur overigens ook niets te vinden. Bovendien is dit contra-intuïtief, aangezien juist plantaardige eiwitten gezocht (energierijk) voedsel zijn voor de bacteriën en schimmels die voor de afbraak van organisch materiaal zorgen. Deze stellingen zijn daarmee hoogstwaarschijnlijk fabels.-
Maar wanneer men de bovenstaande lijst van boomsoorten eens wat kritisch beziet dan is er dus eigenlijk geen enkel soort inheems (en dat geldt dus ook voor beuk en eik (zie link)).
De Nederlandse bossen zijn daarnaast nog erg jong en anders dan in het buitenland heeft de Nederlandse bosbouwer op bijvoorbeeld de Veluwe dus nooit rekening gehouden hoeven te houden met natuurlijke omstandigheden, omdat alleen de opbrengst van hout van belang was.
Er zijn echter (inheemse) boomsoorten met een snel afbreekbaar, relatief basenrijk strooisel, waar men helemaal niet te maken heeft met strooiselproblemen (o.a. de Linde). Wanneer u hierover iets meer wilt weten, zie link.
We hebben dus, in ons geijkte Beuken/eiken-, of grove dennenbos op de Veluwe, vrijwel altijd te maken met veel te dikke strooisellagen op deze droge kalkarme zandgronden en dus, omdat die strooisellagen voor nagenoeg 100% uit organisch materiaal bestaan, ook een hoger stikstofgehalte. En tsja, wat wil het geval?
Ons betrouwbare onderzoek, mede verzorgd door onze stikstofprofessor: Prof. Dr. Ir. W. de Vries, vond alleen plaats op kalkarme zandgronden. De dikkere strooisellaag zorgt voor hogere stikstofgehalten en oudere bossen ((de onderzochte bossen waren inmiddels (2023-1990=) 33 jaar ouder geworden), met boomsoorten die hier niet echt thuishoren, hebben nu een maal een dikkere strooisel-laag. Wat ook wordt weergegeven in dit onderzoek:
Oké, zoals al gezegd, dat wist ik vorig jaar in mijn blog níet. Maar het is eigenlijk nauwelijks voorstelbaar dat ook de enige full-time stikstofprofessor die Nederland heeft, met “ruim 600 artikelen, boekbijdragen en rapporten als auteur en coauteur geschreven over [stikstof], waarvan meer dan 250 artikelen in internationale tijdschriften”, dat ook niet wist.
En dan hebben we het dus over oude koek, die door de WUR (of liever: Prof. Dr. Ir. Wim de Vries) wordt verkocht als de zoveelste stikstoframp waaruit zou blijken dat de vermesting door stikstofverbindingen zeer sterk zou zijn toegenomen, veel meer dan door het RIVM in haar modelmetingen werd aangenomen.”
Ik word hier wat verdrietig van. De Nederlandse natuur is gedoemd, maar niet door de stikstofdepositie zelf, maar door wetenschappers die deze vorm van milieubelasting allesbepalend voor de Nederlandse natuur willen laten zijn en daarmee de werkelijke oorzaken van het “achteruit kachelen van de natuur”, (zonder enig weerwoord) onbesproken laten.
Goed de wetenschappelijke fraude die hier wordt gepleegd is nog niet zo groot als die in de “Verkenning Biogene Stikstofemissies”, met een erratum d.d. 16 maart 2020. Een onderzoek van het RIVM in opdracht van de Tweede Kamer (zie link, verder uitgewerkt in link). Toch is de schade hier misschien nog wel groter, aangezien dit soort van onderzoeken ook weer hun weerslag hebben op simpele modellenbouwers, die willen controleren of de regering zich aan hun eigen (destijds onder druk van de bouwlobby en milieu-actiegroepen gekozen) normen willen houden.
Maar misschien moet je van ambtenaren ook niet verwachten dat men kritische vragen gaat stellen over normen, wanneer blijkbaar 97% van de deskundigen ervan uitgaat dat het hier gaat over “Settled science”; of was dat weer een ander topic?