Computerspelletjes met pesticiden

Het is overduidelijk dat er wereldwijd een afname van insecten en de daar van afhankelijke ‘hogere’ diersoorten plaats vindt (zie link). Dat dit samen moet hangen met het gegeven dat er op ongeveer 40% van het wereldwijde landoppervlakte een ‘vuile oorlog’ plaatsvindt tegen de aanwezigheid van insecten (nl. daar waar landbouw wordt bedreven) lijkt mij dan ook meer dan logisch.

Maar de niet onbelangrijke vraag is dan (en waar ik steeds met een grote boog omheen ben gelopen) hoe dan?
En er is eigenlijk een lijst van argumenten aan te dragen waarom dat verband helemaal niet is te trekken; zoals daar zijn:
Boeren strooien hun gif niet voor de lol. Het is behoorlijk duur spul en lang niet alle landbouwgrond wordt intensief bespoten. Het CBS weet bijvoorbeeld te melden dat in 2020 ongeveer 90 procent van het totale gebruik van bijna 5,0 miljoen kg werkzame stof is toegepast in slechts elf gewassen.

Gewasbescherming vindt bijvoorbeeld nauwelijks plaats op weilanden; hoewel in de uitwerpselen van koeien natuurlijk weer wel fracties van de in de stal gebruikte insecticiden zijn aan te treffen; maar is dat een belangrijke bron? (het is natuurlijk wel zo dat de gebruikte middelen steeds giftiger worden (zie link))

Daarnaast zijn er belangrijke Europees opererende instituten die elk middel wat wordt gebruikt serieus monitoren en in geval van een mogelijke serieuze milieubedreiging uit de markt halen.

En dan ook nog; hoe verspreiden deze ‘hypothetische schadelijke stoffen’ zich dan door Nederland, om insecten, zoals zweefvliegen, zelfs in het diepste bosgebied (zie link), nog om zeep te helpen?

OK, en dan is misschien een verband aannemelijk te maken tussen de toepassing van chemische bestrijdingsmiddelen en verlies aan biodiversiteit. Maar welke van de 7506 middelen en toepassingen die de afgelopen dertig jaar in Nederland is toegelaten geweest zoek je dan?

Wanneer het inderdaad om een pesticide zou gaan, moet het in ieder geval gaan om een product wat in de jaren negentig populair is geworden. Hier veranderde iets structureel. De weidevogelexpert bij uitstek, winnaar van de Jan Wolkers prijs 2016 voor het best natuurboek, Albert Beintema, verwoordt het in zijn prijswinnende boek ‘de grutto”, als volgt:

“halverwege de jaren negentig waren we behoorlijk optimistisch.
Toen ik in 1995 met Oene Moedt en Danny Elinger de Ecologische Atlas van de Nederlandse Weidevogels mocht samenstellen, dachten we dat we de grootste achteruitgang van de grutto achter ons hadden liggen. Er waren behoorlijke oppervlakten aan reservaten gerealiseerd en ook de beheersovereenkomsten leken goed te lopen.
Daarnaast waren er twee ontwikkelingen die ons positief stemden. Ten eerste was er de door de EU opgelegde melkquotering (…) Ten tweede kwam er mestregelgeving, bedoeld om de voor milieu en atmosfeer desastreuze uitstoot van ammoniak en methaan aan banden te leggen. (….) Ook lieten de grafiekjes van de trends in aantallen grutto’s na een periode van dramatische neergang een duidelijke afvlakking zien.
Al met al dachten we dat we er wel zo ongeveer waren. Niet dus! Wat we daarover in de weidevogelatlas hebben geschreven is volledig achterhaald (…) De Friese natuurjournalist Halbe Hettema schreef in 2004 een boek over de grutto (…) Daarin publiceerde hij interviews met mensen die iets over grutto’s wisten te vertellen. Mij citeerde hij daarin als: ‘Albert Beintema begrijpt het niet.’ En inderdaad, ik begreep er geen bal van. “

Juist vanaf de jaren 90 ging het immers sterk bergafwaarts met in ieder geval onze weidevogelstand. Nu zal dat in ieder geval gedeeltelijk ook komen door de (toevalligerwijs?) samenvallende terugval van de konijnenstand in Nederland (zie link en link). Maar ook de veldleeuwerik (geen vossenprooi) verdween in deze periode.

Meten = weten

In navolging van eerder onderzoek in Duitsland uit 2020 (Pestizid-Belastung der Luft, door het Umweltinstitut München e.V.) heeft de Vereniging Meten=Weten het project Schone Sier uitgevoerd. In gebieden met sierteelt werd een jaar lang de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen in lucht en vegetatie in zowel Natura 2000-gebieden als bij woonwijken onderzocht.

In het vergelijkbare Duitse onderzoek werd al geconcludeerd:

“De huidige resultaten zijn het resultaat van het meest uitgebreide onderzoek tot nu toe naar de vervuiling door pesticiden in de lucht in de Bondsrepubliek Duitsland. Uit de gegevens blijkt dat het onwaarschijnlijk is dat er locaties in Duitsland zijn waar, door het jaar heen, geen pesticidenvervuiling optreedt.
De hoeveelheden en de samenstelling van de gedetecteerde actieve ingrediënten, evenals het blootstellingsniveau, zijn afhankelijk van de locatie, maar ook van de eigenschappen van de actieve bestanddelen zelf. De verontreiniging is doorgaans hoger waar een intensieve toepassing van bestrijdingsmiddelen wordt verwacht.
De afstand naar de volgende potentiële bron heeft [ten aanzien van een aantal middelen] weinig invloed. Daarom moeten ook plaatsen waar geen pesticiden worden gebruikt, rekening houden met een uitgebreide cocktail van actieve biociden. De interacties tussen deze stoffen en de werking hiervan op de mens zijn nog volledig onbekend.”

Het bestuur van de vereniging Meten=Weten trekt een soortgelijke conclusie naar aanleiding van het Nederlandse onderzoek:

“De luchtmetingen van het project Schone Sier tonen aan dat er niet alleen een deken van gif ligt, maar dat er zelfs een nevel van bestrijdingsmiddelen boven ons land hangt. Bestrijdingsmiddelen blijven niet op de akker. De middelen verdampen, hechten zich aan fijne stofdeeltjes en verwaaien. Dag en nacht zijn we blootgesteld aan chemische stoffen uit de landbouw en alles wat leeft ademt deze stoffen voortdurend in.”

Natuurlijk is het dan niet zo dat alles wat we inademen, of vooral de mate waarin, er ook voor zorgt dat wij en onze natuur zware klappen krijgen, maar het onderzoek geeft, in samenhang met het eerdere Duitse onderzoek wel een goede indicatie daarvoor welke stoffen zich in de natuur verspreiden en in welke mate.

Dit vernauwt het onderzoek naar het soort gewasbeschermingsmiddelen die verantwoordelijk zouden kunnen zijn voor milieuschade (wanneer pesticiden hiervoor verantwoordelijk zijn) aanzienlijk.

Jurisprudentie

De grotere aandacht voor pesticiden is onder meer te danken aan recente rechterlijke uitspraken. Ik heb daar eerder al aandacht aan besteed (zie link). Maar dan gaat het om privaatrecht.
Toch heeft ook onze hoogste bestuursrechter behoorlijk koppig vastgehouden aan minimale afstanden tussen omwonenden en landbouwgronden waar bestrijdingsmiddelen worden toegepast. Sinds jaar en dag wordt hier een minimale afstand van 50 meter aangehouden. Een standaard overweging is dan (zie bijv. ECLI:NL:RVS:2018:1741):

“De Afdeling stelt voorop dat wanneer het gaat over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen geen wettelijke bepalingen bestaan over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen woningen. In het kader van een bestemmingsplan dient een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen plaats te vinden, waarbij de aan te houden afstand tussen het telen van fruit en nabijgelegen gevoelige objecten zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object kan worden gegarandeerd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 27 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1698, wordt een planologische keuze die ziet op een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk geacht. Dit betekent echter niet dat de raad een kortere afstand in een bepaalde situatie niet toereikend kan achten om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen.”

Dat is natuurlijk al een beetje raar; waarom zijn er eigenlijk geen ‘wettelijke bepalingen’ over aan te houden afstanden? Het betekent eigenlijk dat de wetgever hier zijn vingers niet wil branden, mogelijk omdat het toch een beleidsveld is wat continu in beweging is. En vervolgens de hele boel daarom maar overlaat aan de bestuursrechter.
Dit laatste tot wanhoop van de planontwikkelaars en begeleidende ambtenaren. Tal van mooie en dure ruimtelijke plannen zijn naar de prullenbak verwezen, omdat onderzoeken gebaseerd op de nieuwste en meest complexe rekenmodellen, uiteindelijk toch niet werden geaccepteerd.
Zelfs wanneer (volgens de planontwikkelaars en hun adviseurs) overduidelijk bleek dat het in dit uitzonderlijke geval, vaak aan de hand van een nieuw briljant wetenschappelijk onderzoek (op basis van steeds complexere verspreidingsmodellen), was gebleken dat de bij het optreden van ‘schadelijke effecten’ voor omwonenden nagenoeg kan worden uitgesloten.

Dit heeft uiteraard alles te maken met de wijze waarop het gevaar van de bestrijdingsmiddelen door een meer flexibele uitleg van een rechter soms ook wordt beoordeeld. Af en toe worden ineens ‘kortere afstanden’ geaccepteerd. In de bovengenoemde zaak werd bijvoorbeeld beslist dat een kleinere afstand dan 50 meter kon worden aangehouden. In dit geval omdat gebruik was gemaakt van een ‘afwijkende driftcurve’.

Dat belette de rechter overigens niet om vergelijkbare gevallen, met rapporten van hetzelfde onderzoeksbureau, ‘gewoon’ weer te vernietigen, omdat onvoldoende was aangetoond dat schadelijke effecten achterwege bleven.

In nagenoeg alle gevallen wordt drift van bestrijdingsmiddelen gezien als de belangrijkste veroorzaker van mogelijke gezondheidsproblematiek bij omwonenden. Drift is volgens de Wageningse Universiteit: “het verwaaien van spuitvloeistof tijdens de toediening van gewasbeschermingsmiddelen”.

Drift wordt dus in deze rechterlijke uitspraken gezien als de oorzaak van mogelijke gezondheidsschade, dus wanneer dit ‘drift’-probleem kan worden ‘opgelost’, zijn ook de problemen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat opgelost.
De wetgever heeft hier op ingespeeld. Vanaf 2021 moeten er, tijdens het teeltseizoen, driftreducerende doppen met minimaal 75 procent driftreductie worden gebruikt op het gehele perceel. Voor insecticiden en sommige fungiciden bespuitingen in suikerbieten geldt een driftreductie van 90 procent.

Maar er is bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen blijkbaar ook nog een ander probleem wat ik alleen bij oudere rechtsuitspraken nog tegenkom:

“2.3.7. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, kan worden afgeleid dat onvoldoende bekend is omtrent de gevolgen van het gebruik van bestrijdingsmiddelen voor de gezondheid van de personen die in de omgeving wonen dan wel verblijven. Uit het TNO-rapport kan worden opgemaakt dat onder omstandigheden volgens normale landbouwpraktijken tot 40 meter vanaf de perceelsgrens een duidelijke invloed merkbaar kan zijn van de druppelvormige emissie van bestrijdingsmiddelen. Voorts blijkt dat, afhankelijk van de weersgesteldheid en de windsnelheid, de invloed van de emissie van bestrijdingsmiddelen in dampvorm tot op 100 meter merkbaar kan zijn. (…)
Voorzover de gemeenteraad de aangehouden afstand rechtvaardigt met de aanwezigheid van de windsingels overweegt de Afdeling dat de emissie in dampvorm blijkens het TNO-rapport niet of nauwelijks door windsingels wordt tegengehouden.“ (ECLI:NL:RVS:2005:AS7229)

Onze hoogste rechter gaat dus uit van 50 meter verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen, hooguit 100 meter in geval van “emissie in dampvorm”. Huh, emissie in dampvorm? Drift was toch simpelweg het verwaaien van spuitvloeistof?
Het TNO rapport wat in bovengenoemde uitspraak wordt bedoeld (“Emissie van gewasbeschermingsmiddelen uit boomgaarden naar de lucht” (1994)) geeft nadere uitleg:
“Emissie van gewasbeschermingsmiddelen naar de lucht bij het bespuiten van boomgaarden kan optreden door drift van druppels tijdens de bespuiting (directe emissie) of door verdamping van actieve stof vanaf het gewas, de bodem etc. ook na de toediening (indirecte emissie). (…)

Indirecte emissie leidt (naar verwachting) tot lagere concentraties actieve stof in de omgeving van de boomgaard dan directe emissie. Deze concentraties kunnen echter wel gedurende langere tijd optreden. (…)
Voor actieve stoffen met een dampdruk kleiner dan 10 mPa geldt dat op korte afstanden tot de boomgaard het concentratieverloop (vrijwel volledig) wordt bepaald door emissie in druppelvorm. Op grotere afstanden (vanaf ca. 40 meter) wordt het concentratieverloop (vrijwel volledig) bepaald door emissie in dampvorm. (…)

“De gerapporteerde concentraties actieve stof lopen uiteen van 20 pg/m3 aan de rand van de boomgaard tot enkele pg/m3 op ca. 100 meter afstand van de rand van de boomgaard. De rekenmodellen zijn echter niet (of nauwelijks) door praktijkmetingen gevalideerd, zodat de onzekerheid in de berekende concentraties groot is.”

Op basis van een literatuurstudie en rekenmodellen (ref. 2, 3, 7, 12) is een schatting gemaakt van te verwachten concentraties actieve stof in de omgeving van boomgaarden na een toediening. (…)

Naast de dosering van actieve stof is de dampdruk van de actieve stof de belangrijkste parameter die de concentratie in de omgeving van de boomgaard beïnvloedt. Naast de dampdruk is ook de affiniteit van de actieve stof met het gewas van belang. Bij een hoge affiniteit met het gewas kan de actieve stof moeilijker in dampvorm overgaan. Hierdoor lijkt het alsof de dampdruk van de actieve stof lager is dan zonder interactie met het gewas (ref. 23 t/m 26). Het is op voorhand zeer moeilijk te schatten in welke mate de actieve stof affiniteit heeft met het gewas, dit zal door metingen duidelijk moeten worden.”

Dit laatste is er uiteraard nooit van gekomen. Gekozen is voor rekenmodellen. In het RIVM rapport 716601004/2002, “Achtergronden en berekeningen van emissies van gewasbeschermingsmiddelen” wordt dit nader toegelicht.

“Druppels verdampen tijdens de vlucht vanuit de spuitdop tot de depositie op gewas, water of bodem of in geval van zwevende drift tijdens het verblijf in de lucht. Algemeen wordt aangenomen dat tijdens deze vlucht eerst het water verdampt en pas daarna de formuleringsingrediënten (…)

Schattingen met het driftmodel IDEFICS (IMAG program for Drift Evaluation from Field sprayers by Computer Simulation, zie onder) wijzen erop dat globaal 3% van de totaal verspoten vloeistof tijdens de toediening zal verdampen (onder gemiddelde weers-omstandigheden en bij gebruik van een conventionele veldspuit uitgerust met standaard spuitdoppen)

Voor andere omstandigheden en toepassingen is de fractie zwevende drift onbekend. Met name in de fruitteelt en boomteelt is naar verwachting het aandeel zwevende drift veel hoger, door een andere spuittechniek (horizontaal of zelf naar boven spuitend). Omdat hierover echter onvoldoende gegevens bekend zijn is voor de emissie-evaluatie aangenomen dat ook voor deze technieken een vervluchtiging van 3% geldt. (…)

In het experimentele onderzoek van IMAG zijn voor verschillende gewassen in separate experimenten deposities op bodem en gewas bepaald. Hierbij werd in het verleden reeds geconstateerd dat de som van beide deposities niet altijd 100% bedroeg. Bij de deposities < 100% doet zich het probleem voor dat deze niet, zoals eerder werd aangenomen, kunnen worden verklaard door snelle vervluchtiging tijdens toepassing. (…)
 [I]n sommige gevallen [gaat het] om forse afwijkingen (voor appels, lelie, laanbomen en sierconiferen worden bijvoorbeeld afwijkingen tot 50% gevonden) en zullen ook de berekende verdamping en netto bodemdepositie soms forse onjuistheden bevatten en sluiten massabalansen niet.”

In het licht van het bovenstaande lijkt het vasthouden aan minimale afstanden (50 meter) naar omwonenden niet zo’n slecht idee.
Hoewel verspreiding door ‘indirecte drift’ bij deze specifieke teelten dus een deel van de oplossing zou kunnen zijn voor het vraagstuk van de verspreiding van de pesticiden; in de bovengenoemde Duitse en Nederlandse onderzoeken zijn de middelen, die in significante hoeveelheden worden gevonden, juist niet de middelen die hier worden gebruikt. 
Maar wat wordt dan over het hoofd gezien?

Dampdruk

Dampdruk, of dampspanning, is de druk die de damp van een stof op de wanden van een gesloten ruimte uitoefent. Deze druk is sterk afhankelijk van de temperatuur en de vluchtigheid van de (vloei)stof en wordt de dampdruk genoemd. Bij voldoende hoge temperatuur zal de dampdruk één atmosfeer (bar) bedragen. Deze temperatuur wordt bij vloeistoffen het normaal kookpunt genoemd omdat bij deze temperatuur het verdampingsproces niet langer alleen maar aan het oppervlak plaatsvindt maar ook in staat is overal in de vloeistof dampbellen te vormen. (Wikipedia)

Iedere stof heeft zijn eigen kookpunt en dus dampdruk bij een bepaalde temperatuur. Van een aantal bekende stoffen zijn in het onderstaande een aantal dampspanningen weergegeven:

Te zien is bijvoorbeeld dat aceton al aardig richting kookpunt (1000 mbar) gaat bij 50 °C (en dat klopt, dat ligt bij 56,53 °C).

Het zal duidelijk zijn dat wanneer bestrijdingsmiddelen worden toegepast, dit middelen moeten zijn met een zeer lage dampdruk, om te voorkomen dat de stoffen vervluchtigen en dus niet hun ‘werk’ op de akker kunnen verrichten.

Dat klinkt logisch, maar dat is dus niet het geval wanneer de betreffende bestrijdingsmiddelen juist hun werk verrichten door een zgn. ‘dampwerking’.
Hier wordt eigenlijk nogal geheimzinnig over gedaan. In Wikipedia is niets bekend over ‘dampwerking’. Ook het Handboek bestrijdingsmiddelen gebruik en milieueffecten uit 1995 (verder: “het handboek bestrijdingsmiddelen”) kent het niet.
Gelukkig wordt er in de publicatie uit 1994 van (toen nog) Landbouw Universiteit Wageningen: ‘De invloed van het weer op de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen’ minder moeilijk gedaan. Tal van middelen worden geprezen om hun goede ‘dampwerking’, wat zoveel betekent als: “worden in dampvorm opgenomen”.
Van insecticide pirimifos-methyl en buprofenzin wordt bijvoorbeeld aangegeven dat ze: “een uitstekende dampwerking” hebben. Deze ‘uitstekende dampwerking’ zorgt er immers voor dat “ook bij dichte gewassen luizen worden bestreden tot diep onderin in het gewas.” (bron: reclamefolder Syngenta voor insecticide Pediment (werkzame stof: Pirimicarb)).

In dit verband is relevant dat de LUW publicatie ook over twee stoffengroepen wordt vermeld dat hun werking berust op dampwerking, nl. de dinitroanilines, waarvan pendimethalin de bekendste stof is en de thiocarbamaten, waarvan prosulfocarb de meest toegepaste stof is.

Pendimethalin en prosulfocarb zijn dan ook niet toevalligerwijs de stoffen die zowel in het Duitse (p. 15-16) als in het Nederlandse onderzoek (tabel 2) vrijwel altijd het belangrijkste onderdeel van de aangetroffen pesticiden.
Ook de bekende onderzoeken uit andere landen (Chili en Zweden) laten volgens het Duitse onderzoek voor pendimethalin en prosulfocarb zeer hoge waarden zien.

Dit roept natuurlijk wel de vraag op hoe zich dat verhoudt tot de officiële EFSA (European Food Safety Authority) rapporten van deze stoffen. Ieder bestrijdingsmiddel moet toch worden goed gekeurd door de EU en de wetenschappelijk vaststaande feiten van de toegestane middelen worden weergegeven in deze rapporten.

Voor prosulfocarb staat in ieder geval al vast dat, wat hier allemaal wordt gevonden, helemaal niet kan. In de officiële EFSA-rapportage uit 2007 over prosulfocarb, wordt immers gesteld:
“Onder gecontroleerde omstandigheden van windsnelheid (≥1-2 m/s), temperatuur (16-20°C) en vochtigheid (relatieve vochtigheid 42-57%) was het verlies van toegepaste radioactiviteit (aangenomen als gevolg van vervluchtiging) 18% vanuit de bodem en 47% uit sperziebonenbladeren in 24 uur. Dit duidt er op dat het vervluchtiging potentieel, vooral van bladeren, aanzienlijk is.”

– Dit lijkt overigens nog op een flinke onderschatting te berusten. In het onderzoek uit 2007 van Jensen et al. naar het gedrag van deze beide herbiciden, bleek echter dat wanneer pendimethalin en prosulfocarb terecht komen op vegetatie, 60 tot 80 procent van de toegediende stof aan de lucht wordt afgegeven. –

Het EFSA rapport stelt verder:

“Toch betekent de dampspanning van prosulfocarb (0,00079 Pa bij 20°C) dat prosulfocarb onder het normenstelsel van Nederland [alleen maar] zou worden geclassificeerd als enigszins volatiel, wat erop wijst dat er enige verliezen als gevolg van volatilisatie zouden worden verwacht.
Berekeningen met behulp van de methode van Atkinson voor indirecte foto-oxidatie in de atmosfeer door reactie met hydroxyl radicalen resulteerden in een atmosferische halfwaardetijd die werd geschat op 3,9 uur. Het is daarom onwaarschijnlijk dat de prosulfocarb die verdampt, onderhevig zal zijn aan atmosferisch transport over lange afstanden.”

Ergens moet er een fout zijn ingeslopen. Volgens de Duitse Wikipedia (over genomen van de GESTIS-Stoffdatenbank) heeft de stof een ‘dampfdruck’ van 6,93 hPa (= 693 Pa) bij 25 °C. Dat is nog hoger dan werd gevonden bij Aceton in het bovenstaande lijstje.

En hoe zit dat bij pendimethalin?

Dit EFSA rapport is van februari 2016 en het bleek toen al wat moeilijker om de bovenstaande rekentruc toe te passen:

“Pendimethalin is aangetroffen in landbouwgebieden waar het niet is toegepast (bijv. Hofmann en Schlechtriemen, 2014; Hofmann, 2013; Asman et al., 2005) in Nederland, (2015a), in de Oostzee (Mai, 2012; Mai et al., 2013) en in arctische ijskernen.
Wat betreft de bevindingen in het poolijs; deze vondst vond plaats in Austfonna Ice Cap, Svalbard, NO (Hermanson et al., 2005), maar niet in Holtedahlfonna, Svalbard, NO op 220 km ten WZW van Ausfonna (Ruggirello, 2010).”

Afgezien van het feit dat de mensen in Holtedahlfonna blijkbaar erg veel geluk hebben gehad, kon de EFSA nu toch niet om de conclusie heen dat pendimethalin in ieder geval een behoorlijk persistente stof zou moeten zijn.

In het Duitse onderzoek wordt tevens aangegeven:
“De aanwezigheid van actieve ingrediënten in pesticiden zoals terbutylazine, AMPA en prosulfocarb is niet afhankelijk daarvan hoe ver weg de dichtstbijzijnde potentiële bron is. Ook voor pendimethaline is het transport over lange afstanden van het actieve ingrediënt in de analyses aantoonbaar. In de Noord-Duitse laaglanden is de concentratie van het actieve ingrediënt van het pesticide hoog, zelfs als een potentiële bron ruim een kilometer verderop ligt.”(p.95)

Voor pendimethalin wordt nergens ingegaan op de dampdruk, wat natuurlijk al vreemd is. In het datablad van BASF zien we echter een “dampfdruck” van ca. < 0,1 kPa, ofwel ongeveer 100 Pa.
We hebben hier dus te maken met zeer vluchtige stoffen, wat ook eigenlijk te verwachten is als zij via ‘dampwerking’ hun werk als herbicide verrichten.
– Voor deze stoffen gelden overigens ook de afstandsnormen van het bovengenoemde TNO onderzoek niet, omdat hier alleen een studie is verricht naar “actieve stoffen met een dampdruk kleiner dan 10 mPa”.- 

Glyfosaat krijgt ook bijzondere aandacht in de Nederlandse en Duitse studies. Lange tijd werd aangenomen dat deze stof, door haar lage dampdruk, zich niet of nauwelijks kon verspreiden door de lucht.
Glyfosaat hecht zich echter aan vaste bodemdeeltjes die door (wind)erosie de stof wel degelijk over grote afstanden kunnen verplaatsen. Het bestuur van Meten=Weten richt zich dan ook met name op deze stof wanneer ze stelt: “De middelen verdampen, hechten zich aan fijne stofdeeltjes en verwaaien.”

Bestrijdingsmiddelen met een goede dampwerking verdampen gewoon en verwaaien. In het stoffilter-onderzoek wat in Duitsland nog is uitgevoerd, kon prosulfocarb niet eens worden aangetoond.

En hiermee kan mijn eerste vraag dus worden beantwoord. Hoe kunnen pesticiden zelfs in de diepste bossen doordringen ondanks het scherpe (Europese) toezicht?
Er zijn dus middelen die werken door verdamping van de actieve stof. De dampen van de actieve stof bewerkstelligen het effect wat wordt beoogd. Dit kan dus de bestrijding van insecten (insecticiden) betreffen. Maar veel vaker gaat het om herbiciden (onkruidverdelgers)  die vaak ook in veel grotere hoeveelheden worden toegepast.

Daarnaast zorgen de toepassingsmethoden ook voor ‘drift’ van gewasbeschermingsmiddelen. Een belangrijk onderdeel hiervan betreft dus de ‘indirecte drift’, verdamping van de toegepaste middelen, die dus helemaal niet op het te beschermen veld terecht komen, maar zich, afhankelijk van de aard van het toegepaste middel meer of minder ver verspreiden in de omgeving. Deze verliezen worden geschat op 3%, maar kunnen bij verschillende toepassingen (o.a. fruit, lelies) oplopen tot wel 50% van het toegepaste middel (of tot 80 procent bij pendimethalin en prosulfocarb).

Een andere vraag kan nu ook worden beantwoord: “Waarom treedt de toezichthouder niet op?”
De verdampingsverliezen worden in alle gevallen (met uitzondering van het laatste EFSA rapport over pendimethaline) gezien als ‘driftverliezen’ waarvoor rekenmodellen bestaan. Afbraak van de stoffen wordt ook berekend met rekenmodellen (de methode van Atkinson) en daarmee wordt dus toezicht uitgeoefend.
Als ergens ‘de geest uit de fles’ (deel 3) van toepassing is, dan wel hier. 

Stoffenonderzoek

Maar hoe erg is het nu helemaal voor de stoffen die in het bovenstaande werden bestudeerd. Het zijn allemaal herbiciden, waarvan de giftigheid best wel meevalt, toch?
Dat verdient uiteraard een nader onderzoek. Het is dan misschien het meest zinvol om de stoffen die in het bovenstaande uitgebreid zijn besproken: glyfosaat, pendimethalin en prosulfocarb eens nader te bestuderen om te zien of het echt wel meevalt allemaal.

Misschien ook al om de gemoederen te bedaren, net zoals het Ctgb deed na bestudering van het eerste rapport van Meten = Weten uit 2022: “Evaluatie van 3 jaar onderzoek van bodem, vegetatie, mest en lucht. Onderzoek verspreiding bestrijdingsmiddelen in Drenthe en omstreken” (2022). Het Ctgb kon dit burgerinitiatief blijkbaar maar matig appreciëren. Hier kom ik nog op terug.

Om de stoffen goed inbeeld te brengen is het denk ik handig om de stoffen eerst eens in te kaderen in de scheikundige familie van gewasbeschermingsmiddelen waartoe ze behoren. Daarna wil ik ingaan op de gedocumenteerde giftigheid voor organismen, zo mogelijk aan de hand van de toelatingsdocumenten van de EFSA (European Food Safety Authority).

Glyfosaat

Deze stof behoort tot de organische fosforverbindingen. Een familie met een slechte roep. De organofosfaten zijn bijna allemaal persistente insecticiden met ‘brede werking’. Ze remmen de werking van het enzym acetylcholinesterase, waardoor ze vergelijkbaar zijn met de berucht neo-nicotinoiden (zie link).

Omdat alle dieren (en mensen) acetylcholinesterase produceren voor de geleiding van prikkels, beperkt de toxiteit van deze stoffen zich niet tot insecten. Bij vergiftigde vissen, reptielen en vogels treden verschijnselen op die duiden op het slecht functioneren van het zenuwstelsel, zoals verlies van het coördinatievermogen, beven en het ontbreken van reflexen. Hogere concentraties leiden tot spierverkramping en sterfte.

Toch zijn de organische fosforverbindingen de grootste groep van chemische bestrijdingsmiddelen. Maar het zal op grond van het bovenstaande, geen verbazing wekken, dat er bij de huidige Parkinson-epidemie met een schuin oog naar Glyfosaat wordt gekeken.

Toch is de stof Glyfosaat zelf (al op de markt sinds de jaren 70 onder de naam Roundup (ver voor de jaren negentig)), volgens het Handboek bestrijdingsmiddelen, weinig schadelijk:

“Glyfosaat is en breed werkend herbicide. Het wordt opgenomen door stengels en bladeren en getransporteerd door de hele plant waar het de aanmaak van aminozuren remt. (…)
Glyfosaat lost goed op in water en is weinig vluchtig. (…) Gevolgen voor organismen: Voor vogels, vissen, bijen en algen: weinig giftig. Voor kreefachtigen: weinig tot matig giftig.

Glyfosaat is inmiddels een van de best bestudeerde stoffen ter wereld. Vooral nadat de World Health Organization (WHO) in 2015 in een publicatie opmerkte dat “[glyphosate is] probably carcinogenic to humans (Group 2A)” (IARC, 2015, ASB2015-8421).

In het recente CLH rapport (mei 2016) wordt ingegaan op deze claim en droogjes wordt opgemerkt dat het peer-review door de European Food Safety Authority (EFSA) tot andere resultaten kwam. (“the IARC evaluation regarding the potential carcinogenicity and genotoxicity of glyphosate or glyphosate -containing plant protection products was taken into consideration but EFSA and EU experts came to a different conclusion (see attached EFSA conclusion, 2015, ASB2015-11412).”)

De studie van 169 bladzijden lijkt hier niet over één dag ijs te zijn gegaan en de WHO zie ik eerlijk gezegd ook niet als het meest betrouwbare instituut op dit punt (zie link).

De niet zo vreemde claim dat het wereldwijde gebruik van Glyfosaat iets te maken zou kunnen hebben met de opkomst van ziektes als Parkinson en ALS (het is tenslotte wel een organo-fosfaat) werd in de EFSA-studie: “Peer review of the pesticide risk assessment of the activesubstance glyphosate”(2023) de nodige aandacht besteed. Maar ook hier werd geconcludeerd:
“Er is onvoldoende bewijs voor een effect van de werkzame stof glyfosaat en op glyfosaat gebaseerde herbiciden (GBH’s) op neurotransmitters. De integratie van observationele studies bij mensen met het beperkte experimentele bewijsmateriaal uit in vitro- en in vivo-studies leidt niet tot bezorgdheid over parkinsonisme. Uit de epidemiologische onderzoeken werd onvoldoende bewijs geconcludeerd over het mogelijke verband tussen blootstelling aan glyfosaat en autismespectrumstoornis (ASS) of amyotrofische laterale sclerose (ALS).”

Uit dit alles moge al blijken dat Glyfosaat wordt gezien als een mogelijke bedreiging van de menselijke gezondheid, maar dat er eigenlijk niet aan wordt getwijfeld dat de werking van glyfosaat (zeker wanneer de stof stevig gebonden is aan bodemdeeltjes), mogelijk weinig heeft uit te staan met bedreigingen voor het ecosysteem.

Pendimethalin

Deze stof behoort tot de Dinitroanilines. Ze worden als veilige herbiciden gezien, aangezien ze specifiek aangrijpen op de zgn. tubuline eiwitten (bouwstenen voor het geraamte van een cel). Hierdoor beïnvloeden ze de celdeling en fotosynthese van een plant.

Volgens het handboek bestrijdingsmiddelen is Pendimethalin (in de VS gepatenteerd in 1978 (ver voor de jaren negentig)) echter ook matig tot zeer giftig voor vissen, kreefachtigen en algen. Weinig giftig voor vogels en bijen.
Een andere vervelende eigenschap van de stof is dat het “persistent tot zeer persistent” is in de bodem en ook nog eens sterk bioaccumulerend is. Ten tijde van het schrijven van het handboek stond de stof al op de saneringslijst van het Meerjarenprogramma gewasbescherming (1990).
Er is blijkbaar niet zoveel progressie geboekt ten aanzien hiervan, gedurende de afgelopen 34 jaar.

In het “Peer review of the pesticide risk assessment of the active substance pendimethalin”(EFAS, 2016) valt over de gevaarsaspecten van deze stof te lezen:

“Uit het beschikbare materiaal kon niet worden uitgesloten dat pendimethaline als een persistente (P), bioaccumulerende (B) en toxische (T) of PBT-stof moet worden beschouwd. De beoordeling kon echter niet worden afgerond.”

En daarmee is de kous af?

Wat opvallend is aan het toxische gedrag van pendimethalin is zijn de enorme gevoeligheidsverschillen tussen verschillende soorten voor de stof. Fliedner (1997) en Vighi et al. (2017) vonden bijvoorbeeld:

“De acute giftigheid van pendimethalin is bestudeerd bij watervlooien (LC50=400 µg L−1), oesters (LC50=210 µg L−1), garnalen (LC50 = 1600 µg L−1) en verschillende vissoorten (LC50 verieerde van  137 µg L−1 in karpers tot 890 µg L−1 in regenboogforel).”

Het is op grond hiervan verbazingwekkend dat de giftigheid van de stof voor insecten vrijwel alleen wordt gekeken naar de giftigheid voor bijen.
Maar het Nederlandse Ctgb maakt er zich niet druk over. Nadat het bovengenoemde evaluatie-rapport van Meten = Weten in 2022 was uitgebracht, waarin onder meer hoge gehaltes pendimethalin werden gerapporteerd, moest het Ctgb aan het ministerie van LNV adviseren of het nu nog wel helemaal goed zat met het toelatingsbeleid van gewasbeschermingsmiddelen.

Over pendimethalin wist het Ctgb te vertellen dat: “[o]p basis van de reguliere risicobeoordeling gesteld kan worden dat de off-field risicobeoordeling (op basis van driftpercentages) relevant kan zijn voor de situatie in het rapport over het Meten is Weten-onderzoek.
Ingeschat wordt dat de reguliere off-field risicobeoordeling worst-case is voor wat er in het Meten is Weten-onderzoek is aangetroffen, omdat de gehanteerde driftpercentages en de bijbehorende depositie in de reguliere beoordeling als hoger wordt ingeschat dan wat gevonden is in het Meten is Weten-onderzoek, gezien het feit dat het off-field gebied in de reguliere beoordeling zeer dicht bij het behandelde gewas ligt (1 meter vanaf het midden van de laatste gewasrij). Daarom kan gesteld worden dat als het off-field risico acceptabel is bevonden zonder mitigerende maatregelen in de reguliere risicobeoordeling, ook het risico op grond van de gevonden gehaltes in het Meten is Wetenonderzoek als acceptabel beschouwd kan worden.”

Ik weet niet welke ambtenaar dit zonder met de ogen te knipperen kan opschrijven, maar het is vast iemand hoog in de hiërarchie.

Voor pendimethalin betekende dit allemaal toch dat dat de gevonden gehaltes, ten aanzien van de ‘terrestrische planten’ ook volgens het Ctgb aanleiding gaven tot een noodzaak voor driftreducerende maatregelen.”
En, heeft dit dan consequenties? Nee dus. Het Ctgb onderzoek besluit:
“Echter, een kwantitatieve beoordeling is op basis van de beschikbare gegevens niet mogelijk, omdat de toxicologische gegevens zijn uitgedrukt in hoeveelheid werkzame stof per ha en niet op basis van hoeveelheid werkzame stof in plantmateriaal (droge stof).”

Tsja, dat viel natuurlijk ook niet te benaderen op basis van het soort gewas en de ouderdom daarvan. Maar wat vooral opvalt is dat met geen woord wordt gesproken over persistentie en bio-accumulatie van de stof.  
En bovendien; drift-reducerende maatregelen? Ik mag toch aannemen dat men bij het Ctgb wel iets weet van dampwerking van pesticiden én dat pendimethalin een van de stoffen is waarvan de werking op dit principe berust… Hoezo driftpercentages?

Prosulfocarb

Misschien is het meest bijzondere van deze stof dat hij zo lang ‘onder de radar’ is gebleven. In het Weten=meten rapport van 2022 wordt de stof niet eens onderzocht én nadat de stof al sinds 1988 op de markt is (net op tijd voor de jaren negentig), werd in februari van dit jaar ineens in België met onmiddellijke ingang een schorsing van alle producten op basis van prosulfocarb afgekondigd (zie link) een schorsing die ook nog eens werd gehandhaafd omdat:

“Op basis van deze update blijkt dat het blootstellingsniveau van toepassers en werkers voor een aantal toepassingswijzen boven het aanvaardbare niveau ligt. Het blootstellingsniveau van omwonenden blijkt niet langer aanvaardbaar bij eender welke toepassingswijze.”

Helaas zijn de onderzoeken van “Het Erkenningscomité voor de bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik” niet openbaar (of ik kan ze niet vinden). Maar waarom weten we daar in Nederland niets van? Het zullen toch wel de Europese normen zijn waaraan getoetst wordt? Maar dan ook; welke Europese (of nationale) normen? In het EFSA rapport wordt niets verklapt over mogelijke MAC-(of andere) waarden die zouden gelden.

Eerst maar even algemene informatie. Het handboek bestrijdingsmiddelen weet over deze stof te vertellen dat het een carbamaat is met herbicide eigenschappen. De website toxicologie.org weet het volgende te vertellen over het werkingsmechanisme van deze stoffen:
“Organofosfaten en carbamaten hebben verschillende toepassingen maar worden vooral gebruikt als pesticide. Hoewel ze van structuur verschillen, veroorzaken ze beiden een sterke remming van het acetylcholinesterase (AChE) door fosfylering en complexvorming. (…)

Carbamaten binden, in tegenstelling tot organofosfaten, niet irreversibel en zijn hierdoor over het algemeen minder toxisch. Wereldwijd is het de meest voorkomende intoxicatie met naar schatting 3 miljoen blootstellingen en 300.0000 doden ieder jaar, met name in ontwikkelingslanden door het ontbreken van adequate zorg.”

Nu worden gelukkig onder de carbamaten in dit stukje vooral de insecticiden bedoeld en prosulfocarb is wat dat betreft een stukje onschuldiger. Volgens het Handboek is prosulfocarb weinig giftig voor vogels, bijen en regenwormen, giftig voor reptielen en amfibieën, matig tot zeer giftig voor vissen, matig giftig voor kreefachtigen en zeer giftig voor algen.

Het EFSA rapport voor deze stof is op zijn minst opmerkelijk te noemen. Hierin zijn de volgende passages te vinden:

Over het gevaar voor insecten wordt gesteld:

Standaard laboratoriumtests werden uitgevoerd met geformuleerde prosulfocarb (YF10911) en de schildwesp Aphidius rhopalosiphi en de mijt Typhlodromus pyri.
Laboratoriumtests met geformuleerde prosulfocarb (Boxer 80 EW) werden ook uitgevoerd met bodembewonende geleedpotigen Pterostichus melanarius (karabidenkever) en de wolfspinnen Pardosa sp. en Alopecosa sp. (…) Er zijn uitgebreide laboratoriumstudies uitgevoerd met de formuleringen A-8646-C en 80 EC en T. pyri, A. rhopalosiphi, Chrysoperla carnea (groene gaasvlieg). In alle onderzoeken was de mortaliteit >50% bij een toepassingshoeveelheid van 4 kg per hectare, wat wijst op een hoog risico op het veld.
Het risico buiten het veld voor blad bewonende geleedpotigen werd als laag beoordeeld omdat de verwachte blootstelling op 1 m afstand van het behandelde veld (110,8 g as/ha) lager is dan de LR50s (T. pyri: 970 g as/ha, A. rhopalosiphi: 3081 g as/ha, C. carnea: 3627 g as/ha).

Rekening houdend met de zeer snelle achteruitgang van residuen op plantoppervlakken (DT50 van 0,6 d voor granen) was de bijeenkomst van deskundigen het erover eens dat de herkolonisatie van het in het veld gelegen gebied waarschijnlijk is. Over het geheel genomen werd geconcludeerd dat het risico voor niet tot de doelsoorten behorende geleedpotigen laag is wanneer de stof volgens de gebruiksvoorschriften wordt toegepast.”

Maar zijn dit ook allemaal ‘redelijke verwachtingen’? Ook hier wordt weer volledig voorbij gegaan aan het feit dat prosulfocarb een stof is die door dampwerking een pesticidenevel opwekt. Daarnaast worden volgens het Duitse onderzoek hoge waarden gevonden tot op grote afstand van de velden waar de stof wordt toegepast. Hoe komt de EFSA er dan toe om op 1 meter van het veld waarop de stof wordt toegepast al een snelle achteruitgang van het gehalte prosulfocarb te verwachten?
Uiteraard gaat het dan over de toepassing van bepaalde rekenmodellen, die worden gevoed door aannames die blijkbaar maar zelden worden geverifieerd. Maar wanneer uit (herhaald) onderzoek blijkt dat het niet eens uitmaakt hoe ver een potentiele bron is gelegen van een hoog achtergrondniveau, dan passen de gangbare rekenmodellen blijkbaar niet.

De in het EFSA onderzoek gemelde beperkte toxiteit geldt dus voor de opname van de stof die oraal wordt toegevoegd, maar hoe zit het met de organismen die dagelijks een flinke portie prosulfocarb moeten inademen?

Ook worden de acute en lange termijn risico’s die voor grote zaadetende vogels, lange termijn risico’s voor kleine insekten-etende en de regenworm etende vogels of acuut gevaar voor vogels die drinken van kleine (verontreinigde) modderpoelen in het EFSA-onderzoek vrij simpel weggeschreven. Maar in het onderzoek naar reguliere toepassing bij wintertarwe zijn deze wel degelijk aanwezig. (p. 61)
Ook bij zoogdieren zijn lopen kleine planteneters een acuut risico. Op de lange termijn lopen kleine en middelgrote herbivoren, insekteneters en regenwormen-eters een risico. (p. 62)

De risico’s voor aquatische systemen (vissen, watervlooien en algen) hoeven niet eens een bespreking, die zijn sowieso erkend. (p. 66 en verder)

Maar ook de beschrijving van giftigheid voor de voortplanting (Reproductive toxicity) roept vraagtekens op:

“Ontwikkelingstoxiciteit werd onderzocht bij ratten en konijnen, waarbij het konijnenonderzoek aanvaardbaar werd geacht, maar wel vraagtekens gezet bij de kwaliteit van het onderzoek: “vanwege de hoge mortaliteit in de groep met de hoogste dosis.”

Natuurlijk, ik ben geen toxicoloog, maar is dat normaal? Als er teveel dieren dood gaan dan is dat reden om te gaan twijfelen aan de kwaliteit van de test? 

Wordt het eigenlijk niet eens tijd dat we aan de Belgische “Erkenningscomité voor de bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik” gaan vragen wat zij nu precies gevonden hebben ten aanzien van de toepassing en het gebruik van prosulfocarb?

Ten slotte

De grote vraag bij dit alles is wat mij betreft hoe het mogelijk is dat de werkingsmechanismen, het gedrag en verspreiding van voor mens en milieu potentieel zeer schadelijke stoffen, zo onderbelicht is gebleven, ook wanneer het gaat om stoffen die al tientallen jaren in grote hoeveelheden worden toegepast. Uiteraard een vraag naar de bekende weg, omdat al deze aspecten worden berekend met rekenmodellen die in de hier beschreven gevallen niet gebruikt hadden mogen worden.
Glyfosaat bleek zich toch te kunnen verspreiden door zich te binden aan bodemdeeltjes die verplaatst konden worden door winderosie. Maar stoffen die door (“een uitstekende’) dampwerking doen wat ze moeten doen, zoals pendimethalin en prosulfocarb, kunnen niet op de gebruikelijke manier, met de ‘gebruikelijke rekenmodellen’ worden gemodelleerd (zeker niet wanneer wordt uitgegaan van verkeerde dampdrukken voor deze stoffen).

Maar hoe is het mogelijk dat klaarblijkelijke misstanden boven water moeten worden gebracht door ‘burgerinitiatieven’ en dat de rol van de ‘Overheid’ blijkbaar is om mogelijke problemen ten aanzien van pesticiden alleen te bagatelliseren.
Waarom is er geen jaarlijkse overheidsmonitoring ten aanzien van de meest gebruikte gewasbeschermingsmiddelen, om na te gaan of datgene wat is berekend ook nog klopt?

Al in een eendere blog heb ik stil gestaan bij de kwalijke rol die het Ctgb op zich heeft genomen (zie link) in het debat over de gewasbeschermingsmiddelen. Maar er was bijvoorbeeld geen enkele logische reden om de verassend hoge achtergrondbijdrage van MCPA, metamitron en pendimethalin in de Drentse natuurgebieden administratief ‘weg te schrijven’ door te stellen dat de toxicologische gegevens uitgedrukt hadden moeten worden in hoeveelheid werkzame stof in plantmateriaal (droge stof) en dus niet in hoeveelheid werkzame stof per ha.
Twijfel aan gewasbeschermingsmiddelen ziet het Ctgb blijkbaar als kritiek aan het eigen adres, waarmee het zichzelf, hun klanten, de boeren, de samenleving én het milieu, een zeer slechte dienst bewijst.


Geplaatst

in

door

Tags: